Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Cato van toete Curijn, een slaaf van burger Martinus Thieleman, heeft een bekentenis afgelegd aan onafhankelijk aanklager Daniel van den Henghel. Ongeveer 3 weken geleden is hij met slavin Tietje en slaaf Julij weggelopen. De aanleiding was dat Tietje een hemd had gestolen en Cato bang was omdat hij had geholpen met de was.
Ze verstopten zich in de bergen. Cato stal soms groenten uit de tuin van Harmanus Swits, die ze samen opaten. Toen ze houtkappers zagen aankomen, raakten ze zo in paniek dat Tietje en Julij vroegen of Cato hen wilde doden. Cato heeft toen met een mes Tietje en Julij verwond en probeerde daarna zichzelf te verwonden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0863
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0862 De tekst gaat over een onderzoek naar een vermeende moord. Er waren alleen vermoedens zonder bewijs. Er zijn redenen tot vrijspraak van de verdachten:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0860 De verschrikkelijke moord op een medewerkende slaaf zou kunnen zijn gepleegd door een groep van 3 andere slaven die juist toen van hun meesters landgoed wegliepen. Dit is te denken omdat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0859 Na een periode van angst besloten ze elkaar om het leven te brengen, waarbij Cato het initiatief nam. Cato had een zwaard meegenomen naar het berggebied, omdat het van zijn werkgever was. Hij verklaarde dit zwaard van de zoon van de burger Hoetman te hebben gekregen. Het derde verslag van de overleden jonge Cato kon niet goed worden opgenomen omdat hij nauwelijks kon praten - de woorden kwamen met een verschrikkelijk geluid eerder uit de wond dan uit zijn mond. Door zijn verwonding was hij zo zwak dat men bang was dat hij elk moment zou kunnen flauwvallen. Hierdoor kon men hem niet grondig ondervragen over de gepleegde moord. De aard en ernst van de verwondingen die ze zichzelf toebrachten hoeven niet uitgebreid beschreven te worden, aangezien dit niet relevant is voor een eventuele straf. Deze wanhoopsdaad zou op zichzelf weinig aandacht verdienen, omdat het een gruweldaad is die uit heidense wanhoop tegen hun eigen lichaam is begaan. Er was echter een vermoeden dat ze elkaar probeerden te doden vanwege schuldgevoelens over een eerder gepleegde misdaad.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0858 De onafhankelijke aanklager van het bestuur meldde aan Rijk Tulbagh, voorzitter van de Raad van Justitie, dat enkele slaven die hout aan het kappen waren drie gewonde slaven hadden gevonden. Deze gewonden lagen in een gat bovenop de Tafelberg en waren eigendom van burger Martinus Thieleman. De aanklager had dit direct gemeld aan de gouverneur.
De drie gewonde slaven werden met veel moeite naar het ziekenhuis gebracht om:
Dit onderzoek was extra belangrijk omdat er kort daarvoor al een andere slaaf van Thieleman op gewelddadige wijze was omgekomen in diens tuin in de Tafel Vallei.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0855 De burger Paul Keijser verklaarde dat Jan Wit hem had aangespoord naar huis te gaan toen hij zich op een ongepast tijdstip in iemand anders huis bevond. Dit gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop op 18 juni 1739. De verklaring werd afgelegd voor de raadsleden Abraham Decker en G. Lafebre. Op 19 juni 1739 werd de verklaring aan Paul Keijser voorgelezen, waarbij hij bevestigde dat alles de waarheid was en er niets aan toegevoegd of verwijderd hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0851 Harmanus Vermaak had een conflict met een andere man. Deze persoon zei dat hij een eerlijk man was. Vermaak had slaven bij zich en sloeg iemand voor zijn plezier. Hij had een wapen bij zich aan zijn zijde, waarmee hij 3 keer naar iemand probeerde te steken. De steken raakten niet omdat de ander ze wist te ontwijken.
Daarna gingen ze allemaal naar huis. Vermaak ging met zijn slaven terug. Hij verdedigde zijn gedrag door te zeggen dat hij alles moest verdragen van de zwarte mensen, omdat zij 3 van zijn jongens hadden geslagen en hem steeds kwamen plagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0850 Christiaan Schoonheer uit Amsterdam was in 1733 op Ceylon gegeseld en voor 5 jaar naar Kaap de Goede Hoop verbannen om daar dwangarbeid te verrichten. Tijdens zijn verbanning ontsnapte hij eerst met een Deens schip genaamd Fredericus Quartus, maar kwam later terug met het VOC-schip de Lagepolder. Na zijn terugkeer werd hij naar Robbeneiland gestuurd om zijn straf uit te zitten. Na het uitdienen van zijn straf vertrok hij in het vorige jaar met het schip Heeren Arendskerken naar Nederland.
Christiaan Schoonheer en zijn twee medeplichtigen Jacob Jansz Kerkmeijer en Harmen Christiaansz hadden een ernstig misdrijf gepland. De laatste twee waren ook strafbaar omdat ze wisten van het plan maar dit niet aan hun officieren hadden gemeld. Er had meer informatie over deze zaak kunnen zijn via de getuige Carel Runswijk, maar die was tijdens de reis overleden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0881 Jacob Jansz Kerkmeijer ontkent dat hij met Jan Christiaansz aan de bakboordzijde in de fokkerust heeft gesproken. Carel Runswijk had verklaard dat daar een plan werd besproken om de kapitein te vermoorden. Jan Christiaansz stelde voor om het schip in brand te steken. Deze verklaring kon niet verder worden onderzocht omdat Carel Runswijk kort daarna aan boord overleed. Uit het verhoor van Jacob Jansz Kerkmeijer blijkt echter dat er wel iets waar is van deze beschuldigingen. Hij zegt dat Jan Christiaansz voorstelde om:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0879 De aanklager vraagt aan de rechters of hij de pijnbank lichter mag toepassen op mensen met een goede reputatie dan op anderen. In alle landen mogen criminelen tegen andere criminelen getuigen. De waarheid komt meestal van medeplichtigen, vrijwillig of via marteling. Ook als een gevangene al bekend heeft, wordt de pijnbank gebruikt om medeplichtigen te vinden, vooral bij zware misdaden.
De gevangene wordt beschreven als een gewiekste dief die moeilijk te evenaren is. Hoewel hij alles ontkent onder afgrijselijke verwijzingen naar God, wordt hij als onbetrouwbaar gezien op elk schip.
Door onvolledige bewijzen, vooral door onwetendheid van de scheepsleiding, en omdat zulke misdaden niet onbestraft kunnen blijven, vraagt de aanklager toestemming om:
Dit document is ondertekend door D. van den Henghel en ingediend bij het gerecht op 3 september 1739.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0885
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0770 De aanklacht werd ingediend bij Rijk Tulbagh, de voorzitter, en de Raad van Justitie van het bestuur door Daniel van den Henghel, de onafhankelijke openbare aanklager. De zaak ging over Augustus van Bengalen, een slaaf van de boer Andries Bester. Augustus werd beschuldigd van het trekken van een mes en het verwonden van de knecht die over hem was aangesteld. De aanklager diende een verzoek in om marteling toe te passen tijdens het verhoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0771 Hoemar Van Borgis, slaaf van burger Andries Grove, ongeveer 28 jaar oud, was gevangene. Hij bekende vrijwillig zonder dwang aan de Raad van Justitie dat hij op 22 januari aan het werk was bij zijn meesters schoonzoon, burger Andries Brink, op diens plaats bij Riebeeks Kasteel. In de voormiddag ging hij het woonhuis binnen naar een kamer waar de vrouw van Andries Brink was, samen met een van haar jongere zussen en een slavin genaamd Malata. Nadat hij de deur met een kwaadaardig gezicht had dichtgedaan, sprong de vrouw van Andries Brink door een van de ramen van die kamer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0767 De slaaf Hoemar verscheen voor de rechtbank van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. Na het voorlezen van de vragen en zijn antwoorden, bleef hij bij zijn eerdere verklaring. Hij voegde alleen toe dat hij niet had willen schieten op Andries Brink, maar hem met het geweer had willen slaan. Hij verklaarde dat dit de waarheid was. Dit werd vastgelegd op 13 mei 1739 voor de raadsleden De Savoije en La Febre.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0759 Op 11 februari 1739 aan Kaap de Goede Hoop werd er een verslag opgesteld in gebroken Portugees. Het beschrijft hoe iemand, bezeten door de duivel, verschillende gewelddadige daden pleegde:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0758 Er was een rechtszaak waarbij Andries Brink werd beschuldigd van een gewelddadige daad. Een vrouwelijke slaaf ('Mulata') werd op 2 plekken verwond en men probeerde haar te doden. Ze wist te ontsnappen en sprong uit het raam. Ze deed het raam achter zich dicht. Brink maakte het raam weer open en probeerde 2 keer te schieten met een geweer dat hij in de kamer had gevonden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0757 De slaaf Hoemaar van Boegis probeerde de dochters van zijn eigenaar te vermoorden en verwondde daarbij een dienstmeid. Hij bekende ook dat hij met een geweer had geslagen naar Andries Brink. Volgens de wetten van Indië moesten slaven die hun eigenaren aanvielen met of zonder wapen ter dood worden veroordeeld. De rechtbank oordeelde dat Hoemaar van Boegis de doodstraf verdiende, omdat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0749 Op een ochtend ging iemand een kamer binnen op landgoed Voorst waar de vrouw van Andries Brink, haar zus en een slavin genaamd Malata aanwezig waren. Deze persoon sloot de deur achter zich en werd volgens eigen zeggen door duivels geplaagd. Hij wist niet wat hij deed en had mogelijk kwade bedoelingen met de vrouw van Andries Brink, haar zus en de slavin.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0756 Een slaaf had het plan gemaakt om de vrouw van Andries Brink, zijn zus en de slavin Malata te vermoorden. Hij had een geweer gepakt en wist hoe hij ermee moest omgaan. Ook al heeft hij de slavin niet dodelijk verwond, volgens de wet is hij net zo schuldig als wanneer hij de moord wel had gepleegd. Dit komt omdat het mislukken van de moord niet aan zijn wil lag. Hij wilde de moorden begaan in het huis van zijn meester, waar mensen juist veilig zouden moeten zijn tegen dit soort aanvallen.
Volgens rechtsgeleerde Simon van Leeuwen moet in dit geval de intentie net zo zwaar worden bestraft als de daad zelf. Dit geldt voor moordenaars en dieven die mensen met geweld op straat beroven. Joost de Damhouder bevestigt dit in zijn boek over strafrecht, waar hij schrijft dat dit een algemene rechtsregel is.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0748 De slaaf ontkent dat hij zijn zusters en de zwarte bediende wilde vermoorden voordat hij zelfmoord zou plegen. Hij beweert tijdelijk niet bij zinnen te zijn geweest, maar dit wordt niet geloofd omdat hij tijdens verhoren juist heel slim antwoordt en alles goed kan herinneren. Bovendien blijkt uit een verklaring dat hij tijdens zijn verblijf bij zijn eigenaar Andries Grove nooit geestelijk in de war is geweest. Tijdens een later verhoor trekt hij zijn eerdere bekentenis in dat hij een geladen geweer twee keer had gericht op burger Andries Brink. Hij beweert nu dat hij Brink met het geweer wilde slaan. Dit wordt ongeloofwaardig geacht omdat Brink buiten voor het raam stond en dus niet geslagen kon worden. De ontkenning lijkt ongegrond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0747 Hoemar van Boegis, naar schatting 28 jaar oud, was een slaaf van de burger Andries Grove. Hij werd ondervraagd door de Raad van Justitie van het Kasteel de Goede Hoop over zijn werk bij Andries Brink, de schoonzoon van zijn meester, op diens boerderij bij Riebeeks Kasteel in januari.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0755 De verdachte probeerde te ontkennen maar verraadde zichzelf met zijn verklaring. Hij beweerde dat hij de kamer in ging om water te drinken en dat hij niet van plan was de slavin Malata te doden, maar haar wel op twee plekken verwondde.
Dat de verdachte kwade bedoelingen had blijkt uit:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0746 Andries Brinck zag iets verdachts, maar kon niet goed in de kamer kijken. Uiteindelijk raakte Brinck de verdachte met een stuk van een spar op zijn borst. De verdachte deed een paar stappen achteruit. Brinck sloeg toen diens geweer op de grond kapot, waarna de verdachte viel. Brinck sprong door het raam de kamer in, gevolgd door twee van zijn slaven. Met hun hulp bond hij de verdachte vast en leverde hem over aan justitie. Brinck zag toen dat de verdachte zichzelf met een schaar die onder hem lag in zijn buik had verwond. Dit alles staat in meer detail beschreven in het beëdigde verslag van burger Andries Brink. Hoewel de verdachte tijdens zijn verhoor veel bekent, probeert hij sommige zaken te verhullen en de waarheid te verbergen. Hij zegt bijvoorbeeld niet te weten wat hij van plan was te doen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0745
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0753 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/