Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Michael Ertzinger, een koopman woonachtig in het kanton Schaffhausen in Heitheim, logeerde in Rotterdam bij mevrouw de weduwe Arnoldus Simonis op de hoek van de Wagenbrug, wijk H, nummer 540. Hij schreef 25 januari 1627 een verzoek aan de Minister van Marine en Koloniën.

Hierin legde hij uit dat zijn oudoom Leonard Ertzinger in 1738 als soldaat met het schip Rotvliet vanuit Rotterdam naar Oost-Indië was vertrokken. Leonard overleed in 1779 in Fouracarta als commandant.

De verzoeker en zijn broer Georg Ertzinger waren de enige erfgenamen van hun overleden oudoom. Omdat zij niet wisten hoe ze over deze erfenis konden beschikken, vroeg Michael Ertzinger beleefd aan de minister om de nodige informatie en hulp te willen verlenen bij het ontvangen van de nalatenschap.

De solliciteur H. van Munster begeleidde dit verzoek.

Bekijk transcriptie 


Michael Ertzinger, een koopman wonende in Sleitheim in het kanton Schaffhausen, verbleef op dat moment in de stad op de hoek van de Wagenbrug. Hij diende 24 januari 1827 een verzoekschrift in. Hij vroeg of het de autoriteiten wilde behagen om hem de benodigde informatie en hulp te geven om de nalatenschap te ontvangen van zijn oom Leonard Ertzinger. Deze oom was in 1779 in Touracarta overleden. St. H. van Munster trad op als zijn advocaat.

Bekijk transcriptie 


Piequaij had apart gezegd dat hij vol angst was en dat het beste was dat hij wegging. Hij zei dat de anderen hun best moesten doen om de commandant tevreden te stellen. Hij zou de rivier oversteken en naar het andere eiland gaan. Hij was daarna vertrokken en later was er op de rivier hevig geschoten. Hij wist verder niets van wat er daarna tussen beide partijen was voorgevallen en ook niet wat de oorzaak van de vijandelijkheden was geweest. Zijn opvolger Jan Tin was wel bij het voorval aanwezig geweest en kon daar verslag van doen.

De afgevaardigden hadden hem namens de heer directeur-generaal gevraagd waarom hij zou hebben gezegd dat hij de Hollanders wilde verlaten om de Engelsen te dienen. Hij ontkende dit volledig en zei dat het onwaar was. Het was wel waar dat hij onlangs met de dienaar van de heer Klock Bardon had zitten eten en had gezegd dat hij niet had gedacht dat die dienaar dit zou doorvertellen. Hij zei: "Kijk, Bardon is het enige kleine cadeautje dat ik heb, jullie singem geeft mij niets. Ik ben hier koning voor niemendal. Als ik maar van ieder Engelse koopman één grote kano kon krijgen, dan was ik tevreden en zou ik door de tijd ook wat krijgen. Ik geloof dat als ik de Engelsen zou dienen, zij mij wel wat zouden geven, want kijk naar die en die negers die de Engelsen dienen, die worden hele cabociers (hoofden) en ik blijf niets. Maar dat is niemendal, ik moet me tevreden houden."

Hij zei verder dat hij geen contact met Engelsen had gehad en hen geen handel had gebracht. Hij wilde dit met een eed bevestigen. Hij had toen de heer directeur-generaal naar de Bovenkust ging van hem verschillende geschenken gekregen en had gezworen altijd...

Bekijk transcriptie 


Op vrijdag 20 mei 1774 waren 's morgens alle leden aanwezig, behalve commandant Zinner die ziek was. Op 17 mei was er, naast een brief uit Bimlipatnam van 16 mei, een gesloten pakket ontvangen. Diezelfde dag kwamen nog 3 andere brieven aan met de volgende inhoud:

Men besloot de fiscaal erbij te halen en de brieven opnieuw door te lezen. Er kwamen enkele punten naar voren die besproken moesten worden. Op voorstel van de heer directeur werden ook nog 3 andere brieven behandeld die de vorige dag met het particuliere schip de Hoop uit Nagapatnam waren aangekomen, namelijk:

Bekijk transcriptie 


14 juni 1779. De boot van het schip Holland die naar Batavia was gebracht, werd via een openbare veiling verkocht omdat deze onbruikbaar en niet te repareren was. De boot bracht 21 rijksdaalders en 24 stuivers op, oftewel 51 gulden en 12 stuivers. Er werd besloten dat de bedienden dit bedrag bij eerste gelegenheid aan Batavia moesten overmaken.

De bedienden schreven op 5 juni dat de suikersuikerrietpacht voor de plaats Tinger Tappas, volgens de orders van de Heren van 22 juli 1778 en het daarop gebaseerde schrijven van de Raad van 15 december, weer was overgedragen aan de Sumanapse regent, Pangerong Notto Coesomo. Ze stuurden ook een verslag mee van de commissarissen die daarbij aanwezig waren geweest. Verder berichtten ze dat het resterende zout was betaald uit de nalatenschap van de overleden kapitein van de Chinese gemeenschap in Soerabaja, Hang Boeijko. Hiermee was alles afgehandeld, behalve enkele kleine geschillen over schulden van de mantries (lokale bestuurders) aldaar.

Bekijk transcriptie 


Johannes Fastabent uit Cultou bleef aan de kaap.

Johannes Verstraaten uit Sillegem bleef aan de kaap.

Johannes Jacobus de Smik uit Poperingen bleef aan de kaap.

Jan Dirk Keijser uit Lingen bleef in het hospitaal.

Lodewijk Joseph Jacobs uit Bergen in Henegouwen bleef aan de kaap.

Maarten Dammer uit Caselhoer bleef aan de kaap.

Michiel van den Bogaart uit Leiden bleef aan de kaap.

Michiel Wijnte Foort uit Montebair bleef aan de kaap.

Pieter Martijn Isacij uit Lokeren bleef aan de kaap.

Pieter Lievince uit Brugge bleef aan de kaap.

Pieter van Lakeren uit Singem bleef aan de kaap.

Pieter de Hart bleef aan de kaap.

Pieter Nickels bleef aan de kaap.

Pieter Vernier uit Lier bleef aan de kaap.

Philippus Gernaaij uit Gent bleef aan de kaap.

Reijnier Goes bleef aan de kaap.

Lucas Rodrigo uit Dendermonde bleef aan de kaap.

Pieter Hendriksz uit Doesburg bleef aan de kaap.

Pieter Roos uit Steenbergen bleef aan de kaap.

Pieter Emmeleij uit Hornburgh bleef aan de kaap.

Pieter Hengstenburgh uit Limburg bleef aan de kaap.

Philip Huijsman uit Hamburg bleef aan de kaap.

Jan van den Heuvel uit Den Bosch, soldaat, bleef aan de kaap.

Pieter Livijn uit Duinkerken bleef aan de kaap.

Reijnier van Diest uit Arnhem bleef aan de kaap.

Bekijk transcriptie 


W. de Bruijn schreef op 16 april een brief aan de directeur der Burgerlijke Openbare Werken. Uit deze brief blijkt dat de commissie, die was benoemd bij besluit van 15 december 1871 nummer 21, bezig was met het maken van een volledig uitgewerkt voorstel voor de regeling van het irrigatiewerk op Java. De commissie wilde alleen een geleidelijke regeling van het waterbeheer. Het was de bedoeling dat de commissie samen een ontwerp zou maken van een wet of van een reglement over de watertoevoer. De brief was overgelegd bij het rapport van de directeur van 28 april nummer 3659. Het Advies van de Raad van Nederlandsch-Indië werd uitgebracht in de vergadering van 23 mei 1873.

Bekijk transcriptie 


In 1816 werd de nalatenschap van S. Palmer Keasburrij bij de weeskamer van Samarang gestort, en werd deze nu opgeëist.

Er werd geweigerd aan de weeskamer van Batavia om gelden naar Nederland over te maken voor het onderhoud van pupillen van de kamer.

De weeskamer van Batavia werd belast met de nalatenschap van He. H. L. Rooswinckel, die tijdens zijn leven posthouder te Tanora was geweest.

De weeskamer van Samarang werd herinnerd aan haar verplichting met betrekking tot de beklaagde administratie van de voogden in de nalatenschap van S. Ertsinger, waarbij S. H. Dozen ook executeur was.

De weeskamer van Batavia werd ernstig onderhouden over ongepaste handelwijzen en kreeg opdracht om informatie te geven aan Mr. van Pecctem met betrekking tot de nalatenschap van S. B. Lemmer.

Er werd betaald voor de aankoop van kleding voor een pupil van de weeskamer te Batavia, genaamd Egnot Dirk.

Er werd geweigerd aan H. Addison, de enig overgebleven executeur in de nalatenschap van B. C. Verploegh, om die nalatenschap over te dragen aan de weeskamer van Batavia.

Naar de raad van Justitie werd verwezen de controleur van de gemeenschap van ingezetenen, I. H. S. Zohl, die verzocht om executeur te zijn in de nalatenschap van zijn moeder, met uitsluiting van de weeskamer.

Er vond afschrijving plaats van hopeloze schulden bij het college van boedelmeesters te Batavia.

Niet toegepast werd een besluit van 12 juni 1816 op enkele inlandse leden van het college van boedelmeesters te Batavia, die daardoor hun traktement behielden.

Benoemd werden tot agenten van de weeskamer te Batavia:

Als zodanig ontslagen werd klerk C. L. Arnold.

Ter versterking van de kas van de weeskamer te Batavia werd, behalve de 158 volgens besluit van 1 juli, nog 1250 zilver uit de landkas genomen. Daarvoor werd bij de bank van Java 400 door overschrijving op die rekening geplaatst.

De weeskamer van Batavia stelde order om aan H. H. Vieling zijn aandeel in de nalatenschap van zijn broer H. H. Weeling terug te geven, en evenzo aan S. D. Pister, ook executeur in de nalatenschap van een Javaanse vrouw.

Aangaande een schuld aan de nalatenschap van een kapitein van de Chinezen,

Bekijk transcriptie 


3 juni 1777. Lionard Erdzinger, luitenant van het korps dragonders aan het keizerlijk hof te Sourakarta, was overleden. Daarom werd gevraagd om Charles Philip August Gabriel Joseph de Chasteau, die sous-luitenant was, te bevorderen tot luitenant. Ook werd gevraagd om de oudste kornet Pieter Swalm te bevorderen tot sous-luitenant. In plaats van Swalm zou dan vaandrig Carel Frederik van Boze, die in Semarang bij de infanterie diende, tot kornet benoemd kunnen worden, waarbij hij zijn huidige rang zou behouden.

In Surabaya waren tussen luitenant-commandant Diederik Christiaan Burgermeester en vaandrig Johan Hendrik Leijdekker persoonlijke ruzies zo ver gegaan dat Leijdekker Burgermeester in zijn woning, na enige woordenwisseling, een slag of stoot op de borst of arm had gegeven. Leijdekker had daarbij de woorden gezegd: "dat lieg gij als een schelm". Hierop had Burgermeester Leijdekker zijn rotting uit handen gerukt, hem daarmee een slag over de schouder gegeven en hem in arrest laten zetten. De gezaghebber Van der Niepoort had de gouverneur direct van dit voorval op de hoogte gebracht. De gouverneur wist dat dit soort zaken onaangenaam waren en veel hinder veroorzaakten.

Bekijk transcriptie 


Josyna Vercruyce, de weduwe van wijlen Fremyn Laurens die in zijn leven ijzer- en poorterkoopman was in Haarlem, lag 6 juni 1616 ziek op bed. Ze had nog wel haar verstand, geheugen en spraak. Ze verklaarde voor notaris dat ze in haar leven 5 kinderen had: Joos, Hester, Fremyn, Abraham en Gabriel.

Van deze kinderen was alleen Abraham getrouwd. Hij had bij zijn huwelijk 2.000 gulden ontvangen, plus nog 600 gulden voor kleding, juwelen en bruiloftskosten, in totaal dus 2.600 gulden. Gabriel, de jongste zoon, had nog helemaal niets gekregen.

Josyna wilde dat:

Dit testament werd opgemaakt in het woonhuis van Josyna in de Kerkstraat in Haarlem. Als getuigen waren aanwezig Cornelis Jansz Coelenbier, koperslager, en Nicolaes Evertsz uit Leeuwarden, buren van de testamentmaakster en poorters van Haarlem. Ook alle 5 kinderen waren aanwezig.

Bekijk transcriptie 


2 augustus 1617 verschenen voor de notaris in zijn huis in de Sint Jansstraat in Haarlem enkele personen. Als getuigen waren aanwezig Symon Coenstimmerman en Willem Symonsz Backer, poorters (burgers) van Haarlem. Het document werd ondertekend door Abraham Vervink, Symen Cornelissen en Willem Symonsz. De notaris was D. van Triere.

4 augustus 1617 verschenen voor de notaris (toegelaten door het Hof van Holland en wonend in Haarlem) de volgende personen:

Allen woonden in Haarlem. Zij verklaarden met elkaar overeengekomen te zijn dat Frederick Fredericxsz en Hester Fremyns in het huwelijk zouden treden. Het huwelijkscontract bevatte de volgende voorwaarden:

Verder werd afgesproken dat na overlijden van 1 van de echtgenoten, de langstlevende zonder afrekening met de erfgenamen de goederen mocht houden die hij of zij zelf in het huwelijk had ingebracht. De kinderen (als die er zouden zijn) of bij gebrek daaraan de naaste bloedverwanten van de eerst overledene, zouden alle goederen krijgen die de overledene had ingebracht.

Als er geen kinderen uit dit huwelijk zouden komen, zou de langstlevende van de overledene een weduwegift krijgen van 1.000 Carolusguldens. Als er wel kinderen zouden worden nagelaten en deze nog minderjarig zouden overlijden, zouden hun goederen overgaan op de andere kinderen tot de laatste toe. Als het laatste kind ook minderjarig zou overlijden, zouden de goederen gaan naar de bloedverwanten van wie ze afkomstig waren.

Bij scheiding van tafel en bed zou alle winst en verlies tijdens het huwelijk half en half worden gedeeld. Erfenissen en schenkingen werden niet als winst gerekend maar bleven bij degene van wie ze afkomstig waren. De aanwezige partijen verklaarden met deze voorwaarden tevreden te zijn.

Als getuigen waren aanwezig Willem Symonsz Backer en Abraham van Wansele, poorters van Haarlem. Het document wer

Bekijk transcriptie 


Gerrit, Pauwels, Clara en Maria, de wettige kinderen van Gerard van der Laen (rentmeester van de stad Haarlem) en wijlen Catharina Ooms, maakten hun testament. Ze waren gezond en bij hun volle verstand.

De kinderen bedachten dat het menselijk leven kwetsbaar is en wilden regelen wat er met hun bezittingen zou gebeuren na hun dood, om ruzie te voorkomen.

24 mei 1595 verschenen ze voor notaris Michiel Janssen van Woerden in Haarlem in het 19e regeringsjaar van keizer Rodolphus de 2e.

Ze bepaalden:

Het testament verklaarde alle eerdere testamenten, schenkingen of andere beschikkingen nietig.

Getuigen waren de heren Jan Bout en Lambert, beiden kleermaker.

Er stond ook een verklaring van 24 mei 1595 van Maximiliaan Langmer, tafelhouder van leeningen in Haarlem, over een rechtszaak tussen Fremyn Laurens en Reen Jacobsz over de koop van een huis in de Warmoesstraat. Gerart Hiolle en Johan Vrosue de Nyvelle hadden een weddenschap afgesloten over de uitkomst: Gerart zou 1 pond Vlaams aan Jan Vrosue betalen als Fremyn won, anders zou Jan 3 pond Vlaams aan Gerart betalen.

Op 26 mei 1595 gaf Aeffgen Huberts, kloosterzuster van het Barrevoerenderklooster in Haarlem, volmacht aan Henrick Janssen, procureur voor de vierschaar van de stad Haarlem, om haar zaken te behartigen, geld en goederen te innen en haar belangen te verdedigen.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Joost Fremiyn, Hester Freunyns (jonge ongehuwde vrouw, bijgestaan door Jacob Lourensz, schepen van Haarlem, als haar voogd), Fremyn Fremynsz, Abraham Fremynsz en Gabriel Fremynsz (jonge ongehuwde man van 23 jaar, bijgestaan door Gabriel Bloemaert, zijn zwager en voogd) verschenen. Zij woonden allen in Haarlem en waren kinderen en erfgenamen van wijlen Fremyn Laurensz (lakenkoopman) en Josijntgen Vercruijcen, die beiden in Haarlem waren overleden.

Zij verklaarden dat zij volledig met elkaar tot een verdeling waren gekomen van alle goederen die hun ouders hadden nagelaten. Ieder had zijn rechtmatige deel ontvangen. Zij hielden alleen de winkelschulden die in de registers onbetaald stonden nog gezamenlijk. Wat zij hiervan zouden kunnen innen, zouden zij gezamenlijk delen.

Zij verklaarden verder dat bij deze verdeling aan Hester Fremiyn was toegevallen: het huis met erf waar het uithangbord van de Stad van Rijselhing, waar hun ouders waren overleden, gelegen in de Warmoesstraat in Haarlem, met alle goederen die bij de winkel hoorden. Aan Joost Fremyn viel toe: het huis met erf in de Warmoesstraat genaamd het Brandijse.

Bekijk transcriptie 


7 november 1898 werd majoor Leger in het Nederlands-Indische leger gepensioneerd.

Advocaat en procureur Mr. H. P. A. van der Breggen uit Amsterdam stuurde namens de minister een volmacht die majoor Leger had verstrekt naar het departement van Koloniën.

Van der Breggen schreef 10 november 1898 aan de minister van Koloniën dat majoor Leger hem had gevraagd zijn financiële zaken te regelen. Hiervoor werd een officieel gelegaliseerde volmacht opgesteld.

Bekijk transcriptie 


Op 5 juni 1770 werd in Makassar een Chinees genaamd Jntje Jingan gearresteerd voor 12 pakken koperen muntstukken die de gevangene door de koper vervolgens weer hierheen waren gebracht. Hij werd door zijn vrienden vrijgekocht. Toen Goemawa daarna weer terugkwam, gaf de schrijver opdracht hem op te pakken, maar hij ontsnapte en liet al zijn handelswaar achter. Daarom verzocht de schrijver aan de gouverneur deze brief te beantwoorden, zodat hij een beslissing kon nemen en wist wat hij moest doen. De brief was geschreven op het land van Salemparang op 8 Joemadiel ahier 1183, wat volgens de Europese kalender overeenkomt met 9 oktober 1769. De vertaling was getekend door J. Brugman.

Bekijk transcriptie 


Jan aan de Jacsilla met de vrouwen: 6 gulden 46 stuivers 5 penningen. Regtentaal een emansand en Jan Han anackescheraen en Gureshnris D'anhuim tegen Maijtred bij 43 gulden 50 stuivers. Jan Maninan de artilanten: 16 gulden 48 stuivers 51 penningen. Jingan Camben de Haere, Beeden in: 48 gulden 50 stuivers. Ande Ranw radrgen: 8 gulden 3 stuivers 16 gulden 48 stuivers 71 penningen. Jansagan Lande geven: 6 gulden 9 stuivers 1 penning 3 penningen. Jo van Cailante: 6 gulden 45 stuivers 5 penningen 0. Abraban Comman: 6 gulden 4 stuivers 7 penningen 1 penning. Dumaelin Jand Comp: 6 gulden 91 stuivers 50 penningen. Aendr door: 2 gulden 6 stuivers 10 stuivers 10 penningen.

Bekijk transcriptie 


Misele Beittman werd opgeroepen om te verschijnen voor de functionaris onder de naam atiaeltdt fflocsip te gortanyeder, opdat hij op Boompjes kon worden gehoord over een zaak. Hiervoor werden 25 werkdagen gesteld zodat dit geregeld kon worden.

Bekijk transcriptie 


De doorhaling van een woord is goedgekeurd. Er werd een volmacht gegeven met verschillende rechten en taken, waaronder:

Dit alles met de macht van vervanging en onder belofte van goedkeuring en bekrachtiging. De akte werd in origineel uitgegeven.

De akte werd gedaan en gepasseerd te Soerakarta op de eerder genoemde dag en datum, in aanwezigheid van Adriaan Loppé, klerk, en Adriannus Bernardus Charles Dourdson Eduard Leonard Ertzinger, zonder beroep, beiden wonende te Soerakarta en bekend bij de notaris, als getuigen. De verschijner, de getuigen en de notaris tekenden de akte onmiddellijk na voorlezing.

De akte werd verleden met 1 doorhaling, zonder invoegingen of toevoegingen.

Bekijk transcriptie 


9 april 1827 meldde Michel Ertzinger, afkomstig uit Eletheim in het kanton Schaffhausen maar op dat moment verblijvend in 's-Gravenhage, het volgende. Zijn oom Leonard Ortzinger uit Schaffhausen was in het jaar 1707 met het schip Dofsliet vanuit de voormalige kamer van Rotterdam naar Oost-Indië vertrokken. Deze oom was later luitenant der dragonders geworden in dienst van de Edele Compagnie. Zijn Majesteit de Koning der Nederlanden Prins van Oranje Nassau Groothertog van Luxemburg enzovoort enzovoort.

Bekijk transcriptie 


25 januari 1827 werd door Michael Ertzinger uit Schafhausen in Heilheim, een verzoek ingediend bij Zijne Excellentie de Minister van Marine en Koloniën in 's-Gravenhage. Michael Ertzinger woonde aan het huis van mevrouw De den Hoek bij de Wagenbrueg.

Hij liet weten dat zijn oom Leonard Ertzinger als commandant was vertrokken op het schip Hoffliet naar de koloniën en daar was overleden. Michael Ertzinger verklaarde dat hij de enige erfgenaam was en dat er geen andere familie was die aanspraak kon maken op de nalatenschap.

Hij verzocht eerbiedig of Zijne Excellentie hem de nodige informatie en hulp wilde verlenen om de nalatenschap van zijn overleden oud-oom te kunnen ontvangen.

Het verzoek werd ingediend via solliciteur S'H van Munster.

Bekijk transcriptie 


Op 20 augustus 1640 werd het volgende besloten: de resident van Soerakarta kreeg te horen dat de regering kennis had genomen van de bezwaren van verschillende ondernemers tegen de opvolging van het reglement dat was aangenomen bij besluit van 4 november 1778. Deze bezwaren waren vooral gebaseerd op het feit dat deze ondernemers toestemming hadden gekregen om land te huren op basis van eerdere regeringsbesluiten en onder toen geldende bepalingen.

De regering wees hen erop dat bij die bepalingen ook artikel 1 paragraaf 53 van de resolutie van 2 april 1636 hoorde. Hierin stond dat de start van de huur in elk geval afhankelijk was van goedkeuring van de contracten door de regering. Deze goedkeuring kon daarom niet worden verleend, tenzij de belanghebbenden zich - net zoals in Wonosobo was gebeurd - onderwierpen aan het bovengenoemde reglement.

De resident werd er ook op gewezen dat het opvallend was dat de bezwaren bijna allemaal dezelfde bewoordingen hadden. Dit zou kunnen wijzen op onderling overleg. Hierover werd een rapport van de resident gevraagd.

Een afschrift werd gestuurd naar de Raad van Indië ter informatie, en een uittreksel werd verleend aan de directeur over de cultuur en de resident van Soerakarta.

Verder werden de volgende verzoeken behandeld van personen die land wilden huren in de residentie Soerakarta:

Over deze verzoeken waren adviezen ingewonnen bij de resident van Soerakarta (op 23 maart, 7 mei, 13 juni en 25 juni) en bij de directeur over de culturen (op 7 april, 26 mei, 29 mei, 30 juni en 10 juli). Zij adviseerden de verzoeken in te willigen omdat deze in overeenstemming waren met de bepalingen uit het voorlopige reglement

Bekijk transcriptie 


1 juli: De doorhaling en bijschrijving van 2 naar 3 en 90 cent werd goedgekeurd voor:

  1. Ogilvi en C. uit Batavia: 92,90 gulden
  2. Plynaer uit Samarang: 107,76 gulden
  3. G. C. Mossel, Aanbeecke, Brandsenburgen en Van Pel: 525,24,5 gulden

Er werd medegedeeld dat iemand, om geen opschorting in de betaling van zijn pensioen te ondervinden, aan het departement een verklaring moest insturen volgens bijgevoegd voorbeeld, waaruit blijkt dat door hem in Nederland een woonadres is gekozen. Na ontvangst van deze verklaring zou het pensioen betaalbaar worden gesteld.

J. van Hokhorst meldde namens een gepensioneerde van het Departement van Koloniën dat hij tot en met juni de bijdrage aan het Indisch militair weduwen- en wezenfonds heeft voldaan. Hij had de volgende particuliere schulden waarvoor korting op zijn pensioen was verleend:

Seissiis Adolphe Boad, gepensioneerd kapitein bij de Oost-Indische artillerie, meldde Zijne Excellentie de Minister van Koloniën dat hij de eer had zijn opwachting te maken. Hij deelde mee dat hem in Marseille in het hotel 700 francs waren ontstolen. Als gevolg daarvan had hij zich tot de consul der Nederlanden gewend, die hem met 100 francs had geholpen. Hij verzocht eerbiedig zijn pensioen over de maanden juli en augustus te laten uitbetalen te Brussel, na aftrek van de 100 gulden die de consul te Parijs hem had gegeven, zodat na aftrek van de korting over die 2 maanden nog 110 gulden zou resteren.

Bekijk transcriptie 


1714 werd over de militie en andere zaken het volgende beslist: de Samarangse fiscaal Jacob Spiegel werd benoemd tot resident in Paccalongang. De onderkoopman Abraham Casimir Comans, die dienst deed als administrateur in Sourabaija, werd opgevolgd door de mede-onderkoopman Jan Hendrik Domis. De onderkoopman Jacobus Nicolaas van Putkamer was inmiddels vertrokken om op een betrekking te wachten.

Bij de militie werd in plaats van de overleden kapitein-militair Hogewits tot commandant in Passourouang aangesteld de luitenant van de dragonders te Samarang Caspar Lodewijk Troponegro, maar zonder bevordering, omdat daar voortaan volgens besluit bij geheime resolutie van 11 maart 1762 het gezag door een luitenant moest worden uitgeoefend. Door deze regeling werd het korps dragonders in Samarang ook meteen op de vastgestelde sterkte gebracht, omdat in plaats van genoemde Troponegro tot kornet onder hetzelfde korps bevorderd werd de sergeant Marinus Robbert Althuijzen.

Tot luitenant der dragonders in Souracarta lieten zij ter vervanging van de overleden van Weinerman optreden Leonard Ertzinger, tot sous-luitenant Jan Ulrich Borgers, en tot kornet de oudste wachtmeester Sebastiaan Weber. Verder werd het salaris van de kapitein van de infanterij Jan Christoffel Klette verhoogd tot 100 gulden per maand, en tot luitenant werd in plaats van de hierheen overgekomen Croese bevorderd August Jan Caster.

Bekijk transcriptie 


Een contract werd gesloten voor de levering van boter in het Preanger-gebied.

Het werd geweigerd om het stallen van paarden en ossen voor 3.000 per jaar te verpachten.

Eigenhugen, kapitein ter zee Verhogen, werd een verhoging van zijn salaris geweigerd.

De gouverneur en resident Beugt werd gevraagd waarom op Sumatra's Westkust niet meer kopergeld werd aangemaakt.

Engel Suucker, koopman, werd een voorschot geweigerd.

Het schip uit Nederland bracht goederen voor de Handelsmaatschappij aan in Emden.

Een contract werd gesloten voor de levering van suiker.

Elias de Ruijter werd toegevoegd aan de inspecteur der culturen op Probolinggo.

Aan een ambtenaar moest naaktgeld worden verleend.

Aan Emens werd een woning in Indië verleend.

Een rapport werd opgesteld over een onderzoek aangaande een beschuldiging over staatsgevangenen.

Wijlen Everaart werd vervangen als waarnemend commissaris te Indramayo.

Ellingheuzen, gouverneur der Molukken, werd verlof naar Batavia verleend en van der Eb, hoofdadministrateur, werd belast met de waarneming van zijn taken.

Ertzinger, procureur, en weduwe Tichborn, ontslagen chirurgijn, werd vrijwel gratis vervoer naar Nederland verleend.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/