Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 24 juni 1909 tekenden twee mannen, Peter Bors (timmerman uit Schoten) en Wilhelmus Johannes Bouke (timmerman uit Haarlem), een leningovereenkomst bij notaris Pierre François de Bordes in Haarlem. Namens de Nederlandse Hypotheekbank (gevestigd in Veendam) ondertekende Jacob Hendrik Jongeneel, een kandidaat-notaris. Hij handelde namens de directie: Meester Niks laas Frans Wilkens (uit Veendam) en Dokter Dirk Bos (lid van de Tweede Kamer, uit Winschoten).
De afspraken in de overeenkomst waren:
- De twee mannen leenden ƒ1600,- (zestienhonderd gulden) van de bank.
- Ze moesten het geleende bedrag in 10 jaar terugbetalen, vanaf 1 mei 1909 tot 30 april 1919.
- Jaarlijks moesten ze ƒ50,- aflossen, in twee gelijkwaardige termijnen (op de rente-betaaldagen).
- Ze betaalden 4,5% rente per jaar over het openstaande bedrag, ook in twee termijnen: de eerste keer op 1 mei 1910, daarna elke zes maanden.
- Op 1 november 1909 moesten ze al ƒ26,40 aan rente en ƒ25,- aan aflossing betalen.
- Als ze niet betaalden, mocht de bank zonder waarschuwing hun onderpand (bijvoorbeeld een huis of grond) openbaar verkopen om de schuld te innnen.
- Alle kosten (zoals notaris- en invorderingskosten) en eventuele belastingen op de lening waren voor rekening van Bors en Bouke.
- Elk jaar moesten ze op 1 november bij de bank in Veendam een bewijs van betaling (kwitantie) van hun laatste pacht overleggen.
De akte werd ondertekend in het huis van de notaris in Haarlem, met Karel J. Hannis van Rijssel en Feije Meijer (beide kantoorbedienden uit Haarlem) als getuigen. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 25 juni 1909, en de bank betaalde ƒ1,20 aan registratiekosten. De eerste officiële kopie van de akte werd op 6 september 1909 afgegeven aan de Nederlandse Hypotheekbank.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332771 / 167
Johan Christoffel Peinders Volmer, een administrateur uit
Amsterdam, kwam op
6 maart 1919 om 10:30 uur naar het veilinghuis in het
Wandelbosch Groenendaal in
Heemstede. Hij was daar als vertegenwoordiger van drie personen:
De verkoop vond plaats onder toezicht van
notaris Cornelis Jan Boerlage uit
Heemstede, met
Offendrik ten Oever en
Karel Wessel van Gorkom (beide kandidaat-notaris uit
Heemstede) als getuigen.
Er werden bomen geveild. De kopers en hun aankopen waren:
De totale opbrengst van de veiling was
ƒ5170. Het proces-verbaal (verslag) werd opgemaakt en ondertekend door de verkoper, de getuigen en de notaris. De kopers tekenden niet en gaven geen reden op.
Het document werd geregistreerd in
Haarlem op
13 maart 1919. De registratiekosten bedroegen
ƒ27,55.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748848 / 104
Op
10 mei 1911 ging
Karel van Balen, een bakker uit
Haarlem, naar notaris
Jan Arnold Wilkens om een verkoopovereenkomst te tekenen. Hij verkocht een woon-winkelhuis (nummer 20) en een woonhuis (nummer 18) onder één dak, met erven en tuinen, aan de
Maerten van Heemskerkstraat in
Haarlem. Het geheel was 2 are groot (bekend bij het kadaster als sectie A, nummers 2551 en 2552).
De koper was
Jelke van der Horst, inspecteur bij een levensverzekeringsbank, ook uit
Haarlem. Het bedrag was 7500 gulden, contant betaald.
Van Balen ontving dit geld en gaf
Van der Horst alle rechten op het pand.
De afspraken waren:
- Het pand was vanaf dat moment voor risico en rekening van Van der Horst.
- Het werd geleverd in de huidige staat, vrij van hypotheken, met alle bijbehorende zaken zoals erfdienstbaarheden (rechten/plichten verbonden aan het pand).
- Verborgen of zichtbare gebreken, lasten en verplichtingen waren voor rekening van de koper.
- Van Balen hoefde alleen te garanderen dat het pand vrij was van schulden (vrijwaring voor "uitwinning").
- Hij garandeerde niet dat de opgegeven grootte (2 are) klopte.
Van Balen had het pand gekocht op
5 april 1899 via notaris
Willem Karel Loeff in
Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332708 / 323
Op 10 september 1662 werd door de erfgenamen van Stevin Ratelijntje (overleden in 1661) een testamentair geschil met Cathalyntje afgerond. Hiervoor betaalden ze een bedrag van ƒ4,8 voor het opmaken van een boedelinventaris, die uiteindelijk ƒ3,12 kostte. De notaris A. rondde de inventaris af, die bestond uit 60 bladzijden met een totale kostenpost van 3 stuivers. De rechterlijke uitspraak over het sluiten van de inventaris bedroeg ƒ0,12, met extra kosten van ƒ17,12 voor Henrick en Lijsbet van Sberg, de weduwe van Jan Ganckber.
Op 28 oktober 1661 verschenen voor notaris Grietie Braen (weduwe van Stevin Nicolaes van Ryck) en anderen, waaronder Hendrickie Jans (weduwe van Jan Cornelisz Baker), Jan Jansz Minne, Hendrick Lucasz Minne, Barent Lucasz Minne, en Hendrick Geens (getrouwd met Sara Minne). Ook Johannes Junius (getrouwd met Aertgen Lucas), Hans Mulder (als vertegenwoordiger van zijn zoon Requier Mulder en dochter Jannetie Mulders), en anderen kwamen bijeen als erfgenamen van Tryntgen Lourens, overleden in Haarlem.
Zij verklaarden dat Hans Mulder een volmacht had, opgemaakt op 1 september 1661 bij notaris Nicolaes van Bosvelt, om namens hen op te treden. Ze gaven Pieter de Jongh de opdracht om voor de schepenen van Haarlem een leningsovereenkomst (van 1000 pond met rente) over te dragen aan Maria Cruythoff, een bejaarde vrouw. Deze lening was oorspronkelijk afgesloten met Jan Thomasz van Brengel en was gedekt door twee huizen met erven in Croft. Cornelis van Campen had hier ook een rol in als mede-gevolmachtigde. De erfgenamen bevestigden dat de hoofdsom met rente volledig was betaald en dat ze Pieter de Jongh vrijwaarden van verdere claims.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 282
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510517 / 42
In
1683 werd de wet van de stad
Brugge vernieuwd door een groep belangrijke heren, onder leiding van:
- Philippe Anthone de Rubenpré, graaf van Vertain en Vertignioeul, baron van Heversberg en Aubigny, en burggraaf van Montenacq en Helfaut. Hij was heer over verschillende gebieden, zoals Averoult, Inghem, en Tilckes, en diende als jager en kolonel voor de koning.
- Pieter de Briaerde, heer van Beauvoorde, Haellewyn, en Zwijnde, en erfelijk lid van de Zuidwatering van Veurnambacht.
- Ignace Francois de Bernemecourt de Saluces, burggraaf van Lathieulloij en heer van Gunecourt en Westackere, commissaris namens de Spaanse koning.
Deze vernieuwing vond plaats op
31 augustus 1683, met de burgemeester en schepenen van
Brugge als getuigen, waaronder:
Op
25 oktober 1683 overleden
Michiel Marisael,
Jacques Neijts, en
Thomas Roelof.
Jan Cornelis Roelof nam de plaats van
Thomas Roelof in. Andere aanwezigen waren:
Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 261
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 70
Op
9 december 1764 verklaarden de volgende personen in
Haarlem voor een notaris en getuigen dat zij de zaken rondom de erfenis van hun overleden vader,
Sae Servaes Montenack, wilden afhandelen:
Zij benoemden
Francoijs Montenacq als
executeur (degene die de erfenis afhandelt) en gaven hem volledige bevoegdheid om:
- alle zaken rondom de erfenis te regelen, zowel in Nederland als in het buitenland;
- goederen en handelswaar te verkopen;
- openstaande schulden en geldzaken te innnen;
- rekeningen te controleren, goed te keuren of af te keuren;
- geschillen op te lossen, ook via de rechtbank als dat nodig is;
- contracten en akten te ondertekenen;
- voor de rechtbank op te treden, zowel als eiser als verdediger;
- een of meer vervangers aan te stellen als dat nodig is.
Kortom,
Francoijs Montenacq mocht alles doen wat nodig was om de erfenis zo goed mogelijk af te handelen, net als de erfgenamen zelf hadden kunnen doen. Alle betrokkenen waren het hiermee eens.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 69
Gerrit van de Op Huijden, notaris in
Haarlem, schreef op
1 maart 1693 een verklaring op voor
Pieter Gerlings. Hierin verklaarde
Martina Montemaco, weduwe van
François Montenacq, dat zij namens haar schoonzoon
Arnold Trip een verzoek had ingediend bij de rechtbank van
Tetrode.
Martina wilde dat er voogden werden aangesteld voor de twee kinderen van haar overleden dochter
Adriana Montenacq. Haar dochter was getrouwd met
Arnold Trip en woonde in
Tetrode, waar zij was overleden. Op
2 april 1693 stelde de rechtbank
Hendrick de Laat (een zwager van
Arnold Trip) en
Servaes Montenacq (een schepen en zoon van
Martina) aan als voogden. Eén van de twee kinderen was inmiddels ook al overleden.
Arnold Trip had, met toestemming van
Martina, alle goederen en bezittingen van zijn overleden vrouw aan
Servaes Montenacq gegeven. Deze had de spullen grotendeels verkocht en het geld als kapitaal belegd. Dit was gebeurd op verzoek van
Arnold Trip zelf, die geen belang had bij rente of winst, omdat hij alleen dacht aan het welzijn van zijn minderjarige kind.
Arnold Trip verklaarde dat er bij het beheer van de goederen geen misbruik of andere schadelijke dingen waren gebeurd. Het beheer mocht daarom gewoon doorgaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975090 / 54
- Op 8 november 1676 werd de wet van de stad Brugge vernieuwd door hoge heren, waaronder:
- De burgemeesters en schepenen van Brugge in 1676-1677 waren onder anderen:
- Andere belangrijke functionarissen:
- Op 4 december 1676 werd de ontvanger-generaal van West-Vlaanderen, Staelens, gevangengezet in Brugge. Hij werd beschuldigd van afpersing en andere misdaden. Zijn proces begon direct.
- Op 13 december 1676 maakte keizer Leopoldus zijn intocht in Passau (Beieren), gevolgd door zijn bruiloft op 14 december 1676 met Magdalena Eleonora Theresia (zijn derde vrouw). De ceremonie werd geleid door de bisschop van Passau, met hoogwaardigheidsbekleders zoals de Hongaarse kanselier. Er werd een Te Deum gezongen met wensen voor drie zonen (toekomstige koningen) en een regeringsperiode van drie keer zeven jaar.
- Op 26 december 1676 stortte een oven in de abdij van Oudenburg in tijdens de voorbereidingen om klokken voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk te gieten. Het werk moest stoppen door de schade. Daarnaast heerste er extreme kou met veel sneeuw, die al drie weken lag – iets wat niet eerder in jaren was voorgekomen.
- Tussen 25 en 26 december 1676 (tussen tweede en derde kerstdag) gebeurde er in Antwerpen een ongeluk (details ontbreken in de tekst).
Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 201
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 238
De schepenen van de stad ontvingen op
22 januari een klacht van
Pieterse van Haar. Zij beschuldigde:
van het stelen van een lading schoenen die aan haar toebehoorde. De schoenen waren volgens
Van Haar in beslag genomen tijdens een eerdere overeenkomst.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 237
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 235
- Op onbekende datum, ongeveer 1,5 maand voor dit verhaal, lagen Anthonij Arien, Palveli (beide uit Jaffanapatnam en lid van de politieke raad daar), Belgior de Rosaijro, Christan Parrua (een christen uit Tutucorijn), Barquier Singena (stuurman uit Badagas, geboren in Madraspatnam), en Posenar (ook uit Badagas) met hun schip in de haven van Madraspatnam.
- Ze laadden goederen in voor Lodewijk Christiaensen, een burger uit Jaffanapatnam, en voeren daarna naar Tegenepatnam.
- Vanuit Tegenepatnam wilden ze met het schip van Lodewijk Christiaensen naar Jaffanapatnam varen.
- Bij aankomst in Jaffanapatnam zagen ze dat het schip van Lodewijk Christiaensen verongelukt was bij het uitvaren van de rivier.
- Lodewijk Christiaensen kwam aan boord met James Beth, Fernando Dias Maruwa, Balhasar Anthoniez Parrawa (ook een christen uit Tutucorijn en werknemer van Jaffanapatnam), en zijn schrijver.
- Ze hadden bij zich: een kist, beddengoed, een zeil en de Nederlandse vlag van hun verloren schip.
- De drie eerste getuigen (Anthonij Arien, Palveli, en Belgior de Rosaijro) verklaarden samen dat dit ongeveer een half uur voor 5:46 's nachts gebeurde.
Deze verklaring werd afgelegd voor de gecommitteerden (onderzoekers) op verzoek van François Montanier, de fiscale officier voor de verdedigingsvloot. Omdat Montanier afwezig was, werd Joan de Ridder (fiscaal van het lokale commando) ingeschakeld. Een tolk vertaalde de verklaringen uit het Maleis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1169
- Een half uur nadat ze aan boord waren, kwam een Frans schip voor anker. Dit schip stuurde een kleine boot met 10 tot 12 gewapende mannen (met vuurwapens en zwaarden) naar hun schip.
- Toen de boot naderde, adviseerden drie getuigen de burger Lodewijk Christiaansen om naar het land te vluchten. Ze waren bang dat zijn aanwezigheid de Franse bemanning nog bozer zou maken en dat hij gedood of meegenomen zou kunnen worden. Lodewijk volgde dit advies op en ging naar het land.
- Kort daarna kwamen de Franse mannen met getrokken degens aan boord en begonnen ze enkele getuigen en andere bemanningsleden te slaan. Hierdoor sprongen er 5 of 6 mensen van boord.
- De kapitein (barquier) verontschuldigde zich en zei dat ze een Engelse en Franse pas hadden. Hij beweerde dat ze dienaren van de Engelsen waren en liet deze passen ook zien.
- Ondertussen zochten enkele Franse mannen op het schip en vonden de Nederlandse vlag. Ze vervingen deze door de Engelse vlag, die ze ondersteboven hesen.
- De bemanning beschuldigde hen ervan te liegen en zei dat ze eigenlijk Nederlandse dienaren waren.
- Vervolgens werd het schip met een wacht bemand en naar Porto Novo gebracht.
- Onderweg haalden ze de kapitein van zijn eigen schip en brachten hem over naar het Franse schip.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1170
Toen een Nederlandse koopman aan boord werd gebracht van een Frans schip bij Porto Novo, hadden de achtergebleven Fransen intussen kisten en koffers opengebroken. Zij hadden alles meegenomen wat zij waardevol vonden, zonder precies te weten wat het was. De Franse kapitein was namelijk 2 dagen op Porto Novo aan land geweest.
De koopman werd daarna weer teruggebracht naar zijn eigen schip, waar hij volgens een briefje dat hij bij zich had alle Nederlandse goederen moest afgeven. Vervolgens vroeg de kapitein naar een slaaf en een slavin die volgens hem nog aan boord moesten zijn. De getuigen (andere Nederlanders) wezen toen een meisje aan, dat zij dachten de zus van de koopman te zijn. De Franse kapitein nam zowel de koopman als het meisje mee, maar liet het meisje later weer achter op Porto Novo. De koopman bleef in gevangenschap bij de Fransen.
De getuigen beëindigden hiermee hun verklaring en beloofden dat dit het eerlijke en waarheidsgetrouwe verhaal was van wat zij zelf hadden gezien en gehoord. Zij waren bereid dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.
Deze verklaring werd opgesteld in Fort Jaffanapatnam op 29 september 1672, in aanwezigheid van:
- Maerten Huijsman, de hoogste koopman en tweede man van het commando,
- Daniel Goes, een koopman die speciaal voor deze zaak was aangesteld.
De verklaring werd ondertekend door de getuigen, een tolk, en J. V. Wouw, de secretaris.
Op een later moment verschenen dezelfde getuigen opnieuw voor Huijsman en Goes om hun eerdere verklaring te bevestigen, met het nummer 547.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1171
Op 30 november 1672 in fort Jaffanapatnam bevestigden een aantal mensen hun eerdere verklaringen zonder enige wijziging. Dit gebeurde in aanwezigheid van:
De volgende personen tekenden of bevestigden met hun handtekening of merk:
De verklaring werd ook bevestigd door Marten Huijsman en Daniel Goes, en ondertekend door J. van Wouw, de secretaris.
Op 1 december 1672 verschenen dezelfde getuigen voor de eerder genoemde functionarissen. Zij bevestigden opnieuw hun verklaring van 29 november 1672 en de daaropvolgende bevestiging van 30 november 1672, zonder enige verandering. De vier christenen (Belgior de Rosaijro, Fernando Dias, Anthonij Arien en Balthasar Anthonijsz) bevestigden dit door twee vingers van hun rechterhand op te steken en de woorden "Zo waarlijk, helpt mij God Almachtig" uit te spreken. De twee niet-christenen (Lingena en Possana) deden dit op hun eigen manier, door hun handen en hoofden naar de hemel te heffen.
Dit gebeurde in het fort Jaffanapatnam, in aanwezigheid van:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1172
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1173
Montenacq vroeg beleefd aan
Uule (een hoge functionaris) of hij een baan kon krijgen in de
Nederlandse bezittingen in de West (het gebied dat Nederland toen in Zuid-Amerika had, zoals
Suriname).
Hij hoopte dat
Uule hem hiermee wilde helpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.01.28.02 / 109 / 0028
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936989 / 183
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936900 / 193
Lourens Baert, een notaris in
Raerlem (nu:
Haarlem), schreef op
19 november 1668 een akte op.
Daarin stond dat de volgende personen een afspraak maakten:
Pieter Olykan sprak ook namens
Johannes van Duren. Zij waren allemaal familie (kinderen en kleinkinderen) van
Alida Dan NemansAlida was eerst getrouwd met
Jacob Olykom en later met
Nicolaes van Loo. Zij woonde in een huis genaamd
’t Hoeffijser en overleed in
Haarlem.
De familie had eerder al afgesproken hoe ze de erfenis van
Alida zouden verdelen. Ze hadden toen een aantal schulden die nog niet waren betaald (kleine bedragen en leningen) onverdeeld gelaten. Nu wilden ze de verdeling afmaken.
Ze besloten om de openstaande schulden als volgt te verdelen:
Een van die schulden was een bedrag van
9 gulden dat nog ontvangen moest worden van iemand genaamd
Jan ten Toren.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 530
- Er zijn verschillende rekeningen van François Montenac (ook wel Servaes Montenaek genoemd) uit de jaren 1661 en 1662:
- Rekening nr. 13 (22 juli 1661): gaat over diverse goederen die François Montenac samen met Daniel en Matthijs Lestelenon heeft gekocht en verkocht. De uiteindelijke schuld van François Montenac is 4.391 gulden, 1 stuiver en 12 penningen.
- Rekening nr. 14 (10 juli 1667): hierin staat dat François Montenac een schuld heeft van 29.273 gulden, 18 stuivers en 4 penningen. De debetzijde (wat hij schuldig is) bedraagt 40.966 gulden en 4 stuivers, de creditzijde (wat hij krijgt) is 11.692 gulden, 5 stuivers en 12 penningen.
- Rekening met letter S: een kopie van een rekening van Harmens Klevoorn uit Stockholm over de verkoop van 6 vaten Rijnse wijn. Het debit (schuld) is 20.305 dalers in koperen munt en 19 öre. Het credit (tegoed) is 6.019 dalers in koperen munt.
- Rekening nr. B (1662): een kopie van een lopende rekening van Harmens Klevoorn voor kosten gemaakt op de 6 vaten Rijnse wijn. Zowel debit als credit bedragen 2.305 dalers in koperen munt en 19 öre.
- Rekening met letter C (1662): gaat over de verkoop van de 6 vaten Rijnse wijn.
- Rekening met letter D (1662): over dezelfde 6 vaten Rijnse wijn. Het saldo (eindbedrag) is 1.795 gulden en 8 stuivers.
- Rekening met letter E (1661-1662): gaat over 16 vaten Rijnse wijn die François Montenac samen met Servaes Montenac heeft gekocht van Daniel en Matthijs Lestelenon. Zowel debit als credit bedragen 9.689 gulden en 18 stuivers.
- Deze rekeningen zijn opgemaakt en overhandigd op 30 november 1668 in Haarlem, in aanwezigheid van de getuigen Hendricus Hasewindius en Sijmon van Ede.
- Op dezelfde dag (30 november 1668) int Jan Pietersz Drooghvoet, woonachtig in Haarlem, bij notaris Lourens Baert zijn testament in. Hij trekt hiermee alle eerdere testamenten en andere uiterste wilbeschikkingen in, inclusief het testament dat hij op 27 maart 1667 heeft laten opmaken. Deze eerdere documenten verklaren hij nu voor ongeldig, alsof ze nooit zijn gemaakt.
- Dit gebeurt ook in Haarlem, in aanwezigheid van dezelfde getuigen: Hendricus Hasewindius en Sijmon van Ede.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 529
Op
3 november 1668 begaf
Lourens Baert, een beëdigd notaris werkzaam voor het
Hof van Holland en woonachtig in
Haarlem, zich samen met getuigen naar het huis van
Abram Denise, een koopman in
Haarlem.
Namens
Franchoijs Montenack, een koopman uit
Amsterdam, overhandigde
Lourens Baert aan
Abram Denise verschillende rekeningen die betrokken waren bij de erfenis van
Montenacks schoonvader,
Servaes Montenacq. De rekeningen betroffen de volgende zaken:
- Een rekening uit 1653 over een bal Turkse garens, waarbij Servaes Montenacq nog £ 1073 en 18 shilling tegoed had van Daniel Lesterenon de Jonge.
- Een rekening uit 1654 over Rijnse wijn, waarbij Servaes Montenacq £ 174, 5 shilling en 8 pence tegoed had van Daniel Lesterenon.
- Een rekening uit 12 december 1656 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq naar het eiland Christoffel (nu: Sint-Christoffel) waren verzonden. Hierbij was hem 399 pond, 0 shilling en 8 pence verschuldigd.
- Een rekening uit 1656 over goederen die namens Servaes Montenacq aan Cornelis Commer waren geleverd, met een openstaand bedrag van ƒ 2802 en 14 stuivers.
- Een rekening uit 10 oktober 1658 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq naar de West-Indië waren verzonden met Juan Carlos van de Waijer. Hierbij was ƒ 653, 14 stuivers en 12 penningen tegoed.
- Een rekening uit 27 juni 1659 over 15 stukken kamelot (een soort weefsel) die voor rekening van Servaes Montenacq waren verkocht aan Reijnier Beuwman, met een openstaand bedrag van ƒ 578 en 14 stuivers.
- Een rekening uit 1 juli 1660 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq waren verkocht aan Daniel Kelder, met een saldo van ƒ 2811 en 5 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 528
De tekst bevestigt dat alles in goede trouw gebeurt en onder een strafbare belofte (een soort officieel contract). Dit is volgens de regels vastgelegd en met kennis van de waarheid. Het document is ondertekend door de notaris Wittens in Toircond.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 281
Vorige paginaVolgende pagina