Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
-
Op 9 november 1852 meldden Willem Hendrik Hogesteyn (29 jaar, bediende, wonend in de Kerkstraat 214 in Amsterdam, zoon van de overledene) en Fransiscus ter Meulen (29 jaar, bediende, wonend in de Zeedijk M 26 in Amsterdam, schoonzoon van de overledene) dat Aleidis Bakker (57 jaar, geboren in Utrecht, echtgenote van Dirk Hogesteyn) was overleden op 9 november 1852 om 12:00 uur in haar huis aan het Blijpandaad 30 in Amsterdam.
-
Op 10 november 1852 werd een uittreksel uit het scheepsjournaal van de Nederlandse bark Anjer ingeschreven. Volgens een brief van het Ministerie van Marine (gedateerd 19 oktober 1852 in 's-Hage) was Johannes Franciscus Klohenburg (28 jaar, matroos, geboren in Amsterdam) overleden op 3 mei 1852 om 10:00 uur aan boord van het schip, tijdens een reis van Java naar Amsterdam, op coördinaten 39°28’ noorderbreedte en 23°04’ westerlengte (ten opzichte van Greenwich).
-
Op 19 november 1852 meldden Jarel Hendrik Koch (44 jaar, aannemer, wonend in de Boomdwarsstraat 10 in Amsterdam) en Antonius Franciscus Wilhelm (35 jaar, ambtenaar, wonend in de Leliedwarsstraat 167 in Amsterdam) dat Philippus Wilhelmus Gosker (leeftijd onduidelijk) en Aartje Bijvank (leeftijd onbekend, geboren in Eenhoorn) waren overleden op 19 november 1852 om 17:00 uur in hun huis aan de Elandstraat 26 in Amsterdam. Aartje Bijvank was levenloos aangetroffen.
-
Op 10 november 1852 werd een uittreksel uit het scheepsjournaal van de Nederlandse bark Hemel (onder leiding van kapitein H.L.A. Kayser) ingeschreven. Volgens een brief van het Ministerie van Marine (gedateerd 19 oktober 1852 in 's-Hage) was Jens Andersen (39 jaar, bootsman, geboren in Karlshamn (Zweden)) overleden op 13 januari 1852 om 11:00 uur aan boord, tijdens een reis van Java naar Amsterdam, in de Straat Soenda.
-
Op 10 november 1852 meldden Martinus Antonius Cijlders (47 jaar, sjouwer, wonend in het sterfhuis, echtgenoot van de overledene) en Lodewijk Lodewijks (39 jaar, sjouwer, wonend aan de Goudsbloemgracht 629 in Amsterdam, bekende van de overledene) dat Elisabeth Watro (54 jaar, geboren in Leiden, echtgenote van Martinus Antonius Cijlders) was overleden op 8 november 1852 om 21:00 uur in haar huis aan de Palmdwarsstraat 99 in Amsterdam. Martinus Antonius Cijlders kon niet schrijven.
-
Op 10 november 1852 werd een uittreksel uit het scheepsjournaal van de Nederlandse bark Hemel (onder leiding van kapitein H.L.A. Kayser) ingeschreven. Volgens een brief van het Ministerie van Marine (gedateerd 19 oktober 1852 in 's-Hage) was Jan Pieter Casper Houtman (27 jaar, matroos, geboren in Amsterdam) overleden op 10 januari 1852 om 08:00 uur aan boord, tijdens een reis van Java naar Amsterdam, in de Straat Soenda.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2341099 / 167
-
Op 11 juli 1800 om 10 uur 's ochtends werd in Amsterdam de overlijdensakte opgemaakt van:
Engele Cohen Jacobs, 69 jaar oud, geboren in Amersfoort.
Woonde en overleed op Roeters Eiland nummer 2.
Weduwe van Moses Moresco, zonder kinderen.
Erfgenamen: Zechiel Cohen Jacobs (60 jaar, onderwijzer, broer) en Benjamin Moresco (55 jaar, zwager).
-
Op 11 juli 1800 om 10 uur 's ochtends werd in Amsterdam de overlijdensakte opgemaakt van:
Pieter Lavorne, 75 jaar oud.
Woonde en overleed in de Egelantiersstraat nummer 4.
Weduwnaar van Anthonia Holijarhoek, met kinderen.
Erfgenamen: Petrus Donk (62 jaar, kennis) en Dirk Donk (30 jaar, kennis, touwslagershulp).
-
Op 11 juli 1800 om 10 uur 's ochtends werd in Amsterdam de overlijdensakte opgemaakt van:
Jan Hendrik Drewes, 33 jaar oud.
Woonde en overleed aan de Bloemgracht nummer 20.
Gehuwd met Fenneke Kruimers, zonder kinderen.
Erfgenamen: Tobias Jannink (62 jaar, oom, commissionair) en Arnoldus Lukken (41 jaar, zwager, kantoorbediende).
-
Op 11 juli 1800 om 10 uur 's ochtends werd in Amsterdam de overlijdensakte opgemaakt van:
Carolina Hessels, 28 jaar oud.
Woonde en overleed aan de Hoogte Kadijk nummer 116.
Gehuwd met Hendrik de Goijer, met kinderen.
Erfgenamen: Hendrik de Goijer (28 jaar, echtgenoot, schoenmaker) en Lourens Hessels (25 jaar, broer, kantoorbediende).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335762 / 46
In 1692 werd in Amsterdam een loterij gehouden voor de verkoop van schulden en leningen (zogeheten 'obligaties') uit verschillende steden, waaronder Sneek, Edam, Harlingen, Groningen en Enkhuizen. Enkele voorbeelden:
- Meijndert Egas uit Sneek had een schuld van 199 gulden en 1 stuiver.
- Jacob van Sanen uit Broeck in Waterland verschuldigde 250 gulden en 59 stuivers.
- Wenter Buckschap uit Pieuwaerden (nu: Purmerend) had een openstaand bedrag van 26 gulden en 52 stuivers.
- Dirck Dircksz uit Harlingen stond voor 9 gulden in het schuldboek.
- Jan Criesendorp uit Eeveniter (mogelijk Ewijk of Eefde) had een schuld van 64 gulden en 32 stuivers.
De totale opbrengst van Lot nummer 2 werd vervolgens via een blinde loting toegewezen aan twee verschillende rekeningen (Compten): Lot nummer 7 ging naar de tweede rekening en Lot nummer 2 naar de eerste rekening. Dit gebeurde onder toezicht van Jonathan Hardenbroeck, Steven van den Marck, Adriaen Hillendoorn en Gerrit van Genni, met David des Pommare en Gerrit van der Groe als getuigen. De akte werd op 28 april 1692 ondertekend en verzegeld.
Op dezelfde dag werd een geschil voorgelegd aan de Commissarissen van de zaken in Amsterdam. Het betrof een conflict tussen:
De partijen hadden hun geschil eerder al aan de Commissarissen overgedragen, zoals bleek uit een uittreksel van 15 januari dat jaar. Ze hadden ook een officiële overeenkomst (compromis) getekend op 8 februari en 11 februari, opgesteld door notaris Francois Tiperandet. De Commissarissen hadden vervolgens beide partijen meerdere keren gehoord, zowel in onderhandelingen als in formele zittingen. Ze onderzochten alle stukken en documenten, maar negeerden stukken die niet verzegeld waren volgens de regels voor het kleine zegel. Na alles te hebben bekeken, bereidden ze een vonnis voor.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606948 / 311
Op 1 januari 1691 gingen Diego Pereira Flores (ook wel Isaak Levij Flores) en Joseph Levij Flores, allebei wonend in Amsterdam, naar notaris Dirck van der Groe. Zij verklaarden dat hun overleden zus, Lea Flores, getrouwd was met Salomon Levij Lminres (ook wel Maniel Lunen), een koopman uit Hamburg.
Volgens het huwelijkscontract (ketuba) dat Lea en Salomon hadden opgesteld, hoefde Salomon niets terug te betalen uit dit contract. De broers gaven aan dat ze hiermee akkoord gingen. Ze stemden er ook mee in dat Salomon alle uitkeringen uit het huwelijksgoed mocht geven aan hun broer Jacob Levij Flores, die eveneens in Hamburg woonde. Jacob had hun zus uitgehuwelijkt en het huwelijksgoed van hun zus ontvangen.
De broers verzaken ook officieel elk recht op de erfenis van hun zus ten gunste van Jacob. Ze lieten een akte opmaken door de notaris, in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Lonis van der Groe.
Op dezelfde datum, maar dan in het jaar 1 januari 1662 (waarschijnlijk een fout, moet 1691 zijn), verscheen Carel Goske, wonend in Amsterdam, bij notaris Dirck van der Groe. Hij verklaarde dat Jan Tentsel, een assistent van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Cochin (een plaats in India, toen Cataria genoemd), twee schuldbrieven had. Deze waren samen goed voor 800 dukaten (een oude muntsoort). De schuldbrieven waren opgesteld in Cochin op 6 augustus 1690.
Deze 800 dukaten moesten worden betaald uit de erfenis van Pieter de Wit, een voormalig notaris in Amsterdam. Adriaan van de Cruijs, diaken van de Waanse (Waalse) gemeente en executeur van het testament van Pieter de Wit, was verantwoordelijk voor de uitbetaling. Jan Tentsel was voor de helft erfgenaam van Pieter de Wit.
Carel Goske verklaarde dat hij een volmacht had van Jan Tentsel om de schuldbrieven te regelen. Hij stemde ermee in dat Adriaan van de Cruijs en de andere executeurs de schuldbrieven en de erfenis van Jan Tentsel konden overdragen aan Bartholomeus Targier, de gemachtigde van Jan Tentsel.
Carel Goske beloofde dat hij geen verdere claims zou indienen bij Adriaan van de Cruijs, de andere executeurs of de diaken van de Waanse gemeente voor deze schuld van 800 dukaten. Hij zou zich alleen richten tot Bartholomeus Targier of Jan Tentsel zelf.
Deze verklaring werd opgesteld in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Jacobus LePer.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606948 / 113
Cornelis Touw, een notaris, legde op
2 december 1637 in
Amsterdam een verklaring vast in aanwezigheid van getuigen
Claes Boeles en
Gerrit Schouten.
Aaltje Ellerts, weduwe van
Jan Oom Claesz, gaf
Douwe Indse, een schipper, de opdracht om namens haar 396 gulden te innnen. Dit bedrag was verschuldigd door de weduwe en erfgenamen van
Barent van Canckebeer uit
Bremen. De schuld betrof 12 ton zeep die in
14 oktober 1632 was verzonden: 6 ton door schipper
Harman Jansz en 6 ton door schipper
Heyndrick Hartman.
Douwe Indse mocht ook een kwitantie afgeven en, als de betaling uitbleef, naar de rechter stappen.
Op
1 december 1637 liet
Jan Jansz de Jongt (bijnaam:
cleerbesem) via de notaris aan
Jan Heijndricx Admiraelsz weten dat deze eerder juwelen van hem had gekregen om te verkopen. Omdat de verkoop niet lukte, had
Jan Heijndricx van
Jan Coesert 700 gulden geleend, met de juwelen als onderpand. Nu eiste
Jan Coesert het geld terug, inclusief rente. Omdat
Jan Heijndricx niet kon betalen, dreigde
Jan Coesert de juwelen te verkopen.
Jan Jansz de Jongt waarschuwde
Jan Heijndricx via de notaris om snel te betalen, anders zou de verkoop doorgaan en zou
Jan Heijndricx zelf de kosten en schade moeten dragen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510358 / 292
Op 29 maart 1692 kwamen Eva Soulaer, weduwe van Egbert van Hoorn, en Pieter Golkes, beide inwoners van Amsterdam, bij notaris Henrick Outgers. Ze verklaarden dat ze geld hadden ontvangen van Abraham de Lammerend en Jaques de la Fontaine, de voogden van de minderjarige kinderen van François de Lammerend.
Het geld kwam uit een bedrag van 4000 gulden (inclusief rente) dat François de Lammerend volgens een akte van 12 april 1688 had gekregen. Dit was bestemd voor de erfgenamen van Ijtje Hendricx, de overleden vrouw van Marius Magnusz Blond.
Eva Soulaer kreeg 1000 gulden, en Pieter Golkes kreeg 1600 gulden. Dit was hun deel van de 4000 gulden, zoals bepaald in de akte van 12 april 1688.
Omdat het geld deel uitmaakte van een fideicommis (een speciale erfregeling) uit de laatste wil van Ijtje Hendricx (31 augustus 1651), moesten Eva Soulaer en Pieter Golkes beloven dat het geld later zou toevallen aan de familie van Ijtje Hendricx.
Zij ontkenden niet alleen dat ze nog geld verschuldigd waren aan de voogden, maar ze vrijwaarden de voogden ook voor zichzelf en hun eigen erfgenamen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937185 / 159
In een officiële brief aan de minister van Financiën en de minister van Koloniën werd meegedeeld dat Willem Elize Arie Verschoor was overleden op 12 augustus 1864 in Schalongen (een plaats in Nederlands-Indië, het huidige Cilacap, Indonesië).
Verschoor was hofmeester (een soort bediende voor de officieren) aan boord van het Nederlandse fregat Joseph Willem. Hij was 37 jaar oud, geboren in Gouda, en had gewoond in Rotterdam. Zijn ouders waren Evers en Louisa Alster.
Deze informatie kwam uit een officieel, gecertificeerd uittreksel van het overlijdensregister van Schalongen. De brief was gedateerd op 9 september 1864 en verwees naar een regel uit 1849 over het bijhouden van registers voor geboorten, huwelijken en overlijdens.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 1544 / 0077
- Op 22 april 1692 ('s middags om 14:00 uur) kwam Grietie Marcus van der Wal, een ongehuwde vrouw uit Amsterdam, bij notaris Pieter Baes om haar testament op te stellen. Zij was gezond van lichaam en geest en wilde haar bezittingen verdelen.
- Zij maakte alle eerdere testamenten en afspraken over haar erfenis ongeldig.
- In haar nieuwe testament liet zij het volgende na:
- Aan Grietie van den Bergh (haar nicht): haar 2 beste jurken van samaer (een soort stof).
- Aan Grietie Snellaert (ook haar nicht): alle overige jurken van samaer die zij bezat, behalve de 2 beste.
- Aan Geertruyt Dingenans (haar nicht): haar beste rijrok (een soort bovenkleding) en de op één na beste rok van zijde.
- Aan Geertragt van den Bergh Goeke (haar nicht): al haar ondergoed en kledingstukken van rantien (fijn linnen), waaronder:
- 6 linnen onderrokken
- 2 onderrokken van neteldoek (grovere stof)
- 2 linnen onderrokken met parelkant.
- Aan Mettie Arentz, Tryntie Arents, Hendriessie Arensz en Waer Arentz (of diens vrouw, alle vier haar nichten):
- Alle overige wollen kleding die zij naliet, inclusief de wollen kleding en witte hemden die zij van haar oom Christoams Dingsbert had gekregen.
- Deze spullen moesten gelijk verdeeld worden in 4 delen, zonder dat iemand meer recht had op een groter aandeel.
- Aan haar ooms en tantes die op dat moment nog leefden: aan elk een gelijk bedrag (hoofd voor hoofd).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975164 / 402
Op
10 mei 1733 gingen
Anthonij van den Bogaard en
Sara Cardoes, een getrouwd stel uit
Bennebroek (maar op dat moment in
Haarlem), naar notaris
Salomon Krul.
Sara Cardoes werd bijgestaan door haar man en gaf toestemming voor de verkoop.
Zij verkochten en droegen over aan:
de executeurs van het testament van de overleden heer Ysbrand Goske (die earlier gouverneur was van
Kaap de Goede Hoop). Deze executeurs beheerden zijn nagelaten bezittingen voor de erfgenamen.
Het ging om
vier schuldbrieven (leningen), allemaal op naam van
Juda senior Henriques, uitgeschreven door het
Algemeen Kantor van de Verenigde Nederlanden in
Den Haag. De brieven waren gedateerd op
1 januari 1708 en goedgekeurd op
1 juni 1708:
- Een lening van 3000 gulden (folionummer 557, register C, folio 1187, register G, folio 129, nummer 3)
- Een lening van 3000 gulden (folionummer 557, register D, folio 1187, register H, folio 129, nummer 4)
- Een lening van 2000 gulden (register F, folio 130, nummer 27, folio 559, register C)
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974325 / 132
Jan Hendrik van de te Dam, secretaris van de stad
Haarlem, was de enige erfgenaam van zijn overleden vrouw,
Anna Maria Dierkens. Op
maart 1787 gaf hij de notaris
Philip Hendrik Kortbeek uit
's-Gravenhage de opdracht om namens hem twee stukken land te verkopen:
- Het eerste stuk land was een perceel grasland (hooiland) in Eykenduynen, in de West Campspolder (onder 's-Gravenhage).
- Het tweede stuk land was de helft van een perceel van 6 morgen (ongeveer 5 hectare), bestaande uit grasland en hoger gelegen land.
Kortbeek moest deze overdrachten officieel regelen bij de schepenen (rechters) van
's-Gravenhage of andere bevoegde instanties.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974467 / 59
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843136 / 276
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 5009 / 0778
Op 1 oktober 1882 werd een verzoek ingediend voor W. Eb. A. Wesselo, een tijdelijk aangestelde koloniale militair. Hij woonde toen op het adres Pie ter Vlamingstraat 92 in Amsterdam.
Bij het verzoek zaten een medisch certificaat en een afschrift van een verklaring voor W. Ho. N. Wesselo (mogelijk familie), gedateerd op 19 oktober 1891. Het verzoek werd op 4 oktober 1892 in 's-Gravenhage verder behandeld.
De Minister van Koloniën gaf opdracht om de documenten door te sturen naar de Officier van Gezondheid in Duxarnaat (een plaats in Nederlands-Indië). Deze officier moest eerst een medische keuring uitvoeren en de resultaten daarvan noteren. Daarna kon Wesselo verder worden verwerkt.
De afhandeling werd gedaan door de Rendaris (hoofd van de administratie), die ook chef was van het Bureau Militaire Zaken bij het Departement van Koloniën. Hij ondertekende met W. A. Gestr..
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4651 / 0740
E. Heuf, voormalig assistent-ambtenaar in
Den Haag (wonende aan de
Vlamingstraat), ontving op
14 februari 1590 een herinnering.
Deze ging over een uitnodiging uit
29 oktober 1589, waarin hij werd gevraagd:
Omdat niet bleek dat
Heuf hieraan gehoor had gegeven, herinnerde de secretaris van de
Minister van Holland hem hier op
9 februari 1590Secr. Euel met referentienummer
7131 MO Ava. 96 137.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4372 / 0634
Op
15 januari 1029 (waarschijnlijk een fout, bedoeld wordt
15 januari 1729) werd een verzoek geschreven vanaf
Voorburg.
De schrijver,
Niet. Bode, vraagt om een bewijs van diensttijd voor zijn stiefzoon
Paulus Stupani. Volgens het verzoek:
- Vertrok Paulus Stupani op 12 augustus 1023 (waarschijnlijk 12 augustus 1723) als sergeant (onderofficier) bij de infanterie naar Oost-Indië.
- Hij reisde met het schip Aurora, onder leiding van kapitein Hahn.
- De groep stond onder commando van luitenant van Wijngerden.
Bode hoopt dat de
Hoog Edele Gestrenge Heeren (hoge edelen) hem dit bewijs willen geven. Hij woont in
Voorburg, op het adres
Vlamingstraat,
wijk S nummer 113. Het verzoek is gericht aan
Dunaar F. D. Frantz, een belangrijke functionaris.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 654 / 0473
Op
12 juni 1850 kocht
C. Feltjes, die woonde in de
Vlamingstraat (tussen de
Nieuwstraat en de
Grote Markt) in
's-Gravenhage, de volgende spullen voor
Wel Edel Geboren Heren Hoek Radin Pale:
- 12 paar kussens van hatoine (een soort stof) voor 85 cent per paar, in totaal 6 paar.
- Garen voor 80 cent per "paes" (een oude maateenheid).
De totale kosten bedroegen 10 gulden, 80 cent, 90 (onduidelijk, mogelijk een rekenfout) en 5 cent, volgens het "gavosroort" (een soort rekening of bon).
C. Feltjes woonde in het 46ste huis van de 6de wijk, met huisnummer 197. De rekening was voldaan (betaald) en het geld was "gelevend" (geleverd of ontvangen) voor de dienst van de heren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 853 / 0291
Hoofd Ingenieur van het Stoomwezen schrijft op
11 augustus 1845 een brief over zijn aanstelling in
Indië.
Hij verwijst naar een besluit van de koning (
18 juli, nummer 57), maar vindt dat dit niet overeenkomt met eerdere afspraken die hij maakte in een brief aan
Kapitein ter Zee Welsberg (
11 juli).
De belangrijkste punten uit zijn brief:
- Volgens artikel 4 van het koninklijke besluit krijgt hij een beloning als zijn werk in Indië naar tevredenheid van het bestuur daar is afgerond.
- Maar in zijn eerdere brief stond dat het bestuur hem ook terug kon sturen naar Nederland als ze ontevreden waren over zijn werk of als ze hem niet meer nodig hadden.
- Hij verwijst naar een soortgelijke regeling uit 1610 en een latere toelichting uit 1841.
Hij wil duidelijk maken dat het koninklijke besluit niet klopt met wat hij eerder had afgesproken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1650 / 0485
Op
28 augustus 1845 schreef de overheid in
Den Haag een brief aan
St. Bennelt, die was benoemd tot hoofdingenieur van het
stoomwezen (stoomtechniek) in
Rotterdam.
De brief was een reactie op een eerdere brief van
Bennelt uit
11 augustus 1845, waarin hij bezwaar maakte tegen zijn benoeming bij
koninklijk besluit (een besluit van de koning) van
18 juli 1845. De overheid bevestigde in deze brief dat ze zijn bezwaar had ontvangen en gelezen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1650 / 0484
S. H. L. Portihe schreef op
26 juli 1845 een brief vanuit
Den Haag (adres:
Vlamingstraat op de hoek van de
Nieuwstraat).
Hij meldde dat de ondersteuning voor zijn huis was stopgezet. Portihe wachtte op verdere instructies of nieuws en sluit af met een beleefde groet aan de ontvanger, die hij aanspreekt met "Excellentie".
Hij vermeldde ook dat hij de plannen van de overheid (aangeduid als
"het Gour.") had gelezen en hoopte op een snelle, definitieve oplossing voor de kwestie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1650 / 0481
De schrijver wachtte respectvol op antwoord en verzocht om steun voor zijn huishouden. Op
26 juli 1645 stuurde hij een brief naar
Excellentie (een hoge functionaris) op het adres
Vlamingstraat (hoeken
Nieuwstraat) in
's-Gravenhage.
Hij vermeldde dat hij vrijheid had gekregen in de plannen van het
Gerechtshof van Vlaanderen, maar dat de definitieve afhandeling (de "zegeling") van de zaak langer duurde dan verwacht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1650 / 0482
Op
13 oktober 1729 verschenen voor de aangestelde leden van de rechtbank van
Kasteel Colombo (een groep uit de raad van justitie) de volgende personen:
Zij werden opgeroepen en ondervraagd door de koopman en officier van justitie
Joan de Mauregnault. Deze handelde namens
Stephanus Versluijs, een hoge ambtenaar die buitengewoon raad was voor
Indië en gouverneur van
Ceylon.
Versluijs had de opdracht gekregen van de regering van
Nederlands-Indië om een onderzoek uit te voeren. De drie mannen bevestigden onder ede dat ze de waarheid zouden vertellen over wat er vervolgens zou worden gevraagd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10116 / 0511
Een gevangene werd opgepakt, maar hij wist niet wie hem had meegenomen. Tijdens zijn gevangenschap:
- Kreeg hij gewichten aan zijn benen en werd voortdurend met stokken op zijn rug geslagen.
- Hij schreeuwde steeds dat hij nergens van wist en onschuldig was.
Een lid van de
Krijgsraad sprak hem aan terwijl hij hing en zei:
"Ventje, je bent een beul voor je eigen lichaam! Je bent met de duivel verbonden – waarom bekent je niet?" Daarna werd hij losgemaakt en in het
matrozenhuis (een gevangenis) opgesloten, met handboeien om.
Drie dagen later bracht men hem weer voor de
Krijgsraad. De voorzitter (de
Edelachtbare heer gouverneur, die afwezig was, maar vertegenwoordigd werd door
E. Bier) vroeg of hij wilde bekennen. De gevangene antwoordde:
- Hij wist van niets.
- Hij kon zichzelf niet beschuldigen van iets wat niet waar was.
- Men moest God meer vrezen dan mensen.
Hierop werd hij weer weggeleid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10116 / 0306
De man werd door de
kwartiermeester met zijn handen op zijn rug vastgebonden en vanaf een schip aan wal gebracht. Daarna werd hij voor de
Raadkamer (een soort rechtbank) geleid.
Daar zat
heer Vuijst, de voorzitter, die hem vroeg of hij zijn schuld wilde bekennen. De man zei dat hij dat niet kon doen, omdat een onschuldig persoon zichzelf niet zou beschuldigen. Ook vond hij het niet christelijk om anderen te beschuldigen terwijl hij zelf onder druk stond.
Heer Vuijst vroeg toen aan de leden van de
krijgsraad om de
fiscaal (een soort officier van justitie) te laten vragen om marteling op de pijnbank. De man hoorde de
fiscaal echter niets zeggen.
Vervolgens werd de man naar het paleis gebracht, waar de chirurgijn
Godski en de beul zijn benen in een knijptang (scheenschroef) zetten. Ondanks de pijn bleef hij volhouden dat hij onschuldig was.
Toen riep
heer Gouverneur (waarschijnlijk
heer Vuijst zelf):
"Ho, ho, dat helpt niet!". Daarna werden de knijptangen verwijderd en werden zijn armen weer op zijn rug gebonden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10116 / 0305
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10116 / 0038
Een groep mensen, waaronder chirurgen, boekhouders en militairen, weigerde mee te werken aan een verzoek van Paulus Looman (assistent van Joan Herrig Bouti, een gerechtsbode en fiscale ambtenaar). De volgende personen waren aanwezig:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10116 / 0039
Vorige paginaVolgende pagina