Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 10 augustus 1780 bevestigde Hendrik Jan Bos, rechter van het Landgericht in Oldenzaal, samen met zijn assistenten Jan Franke en Willem Mafeland, een schuldbekentenis. Jan Roelof Berlehem uit Losser en zijn vrouw Swenne Scholte erkenden dat ze 760 Carolusguldens (à 20 stuivers per muntstuk) schuldig waren aan Jan Beernink, ook uit Losser. Ze beloofden jaarlijks 3% rente te betalen en het volledige bedrag af te lossen. De eerste betalingsdatum was 7 augustus 1781, met de mogelijkheid om een half jaar van tevoren op te zeggen.
Als zekerheid voor de lening zetten ze hun bezittingen in, waaronder:
- Twee weefgetouwen
- Drie stukken land van het erve Lentsert in Losser:
- Een stuk bouwland op het Rat, grenst aan land van Sander Schouwink en een openbare weg (grootte: 1 mad land)
- Een tweede stuk bouwland op het Rat, grenst aan land van Lentsert en een openbare weg
- Een strook bouwland met wat wild grond op het Rat, grenst aan hun eigen land en land van Pa Horian
Bij niet-betalen mocht Beernink of zijn erfgenamen de schuld verhalen op deze zekerheden. Omdat Swenne Scholte niet kon schrijven, tekende Alexander Maguel namens haar. De akte werd ondertekend in Oldenzaal.
Op 24 augustus 1780 bevestigde Hendrik Jan Bos opnieuw, nu met assistenten Alexander Maguel en Willem Maseland, een verkoopakte. Van Blenke en zijn vrouw Janna Hoxstede verkochten hun huis, genaamd de Blenken woning in Oldenzaal, aan Gerrit Reinink en diens vrouw Jenne voor 200 Carolusguldens. Het geld was al betaald, volgens de verkopers. De verkoop gebeurde met toestemming van Geertruida Blenke (stiefmoeder van Van Blenke, bijgestaan door Gerrit Spanjer) en Jan Bleuke (halfbroer), die afzagen van hun rechten op het huis.
Omdat de verkopers niet konden schrijven, tekende Jan Weling namens hen. De akte werd in Oldenzaal opgemaakt en ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 3795435 / 13
Op
2 februari 1779 maakte
Hendrik Jan Bos, rechter van het landgericht in
Oldenzaal, een officiële verklaring op. Hij bevestigde dat
Janna Blouken, bijgestaan door haar gekozen vertegenwoordiger
Jan Wijffer, voor hem en zijn assistenten (
Berend Berghuis en
Jan Kloppers) was verschenen.
Janna Blouken verklaarde dat zij op
29 januari 1779 een deel van het huis en het bijbehorende land, genaamd
de Blenken in
Doorningen, had verkocht aan
Jan Wigbolt. Dit deel had zij geërfd van haar ouders. De verkoopprijs bedroeg 400 gulden, die zij had ontvangen. Zij gaf alle rechten op het huis en land aan
Jan Wigbolt en zijn erfgenamen, zonder iets voor zichzelf te houden.
Omdat
Janna Blouken niet kon schrijven, tekende
Alexander Maguel namens haar.
Hendrik Jan Bos ondertekende en verzegelde het document als bevestiging.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 4495907 / 17
Hendrik Jan Bos, rechter van het landgericht in
Oldenzaal, bevestigde op
30 november 1778 twee schuldverklaringen:
-
Hendrik ten Kotte en zijn vrouw Aleida (wonend in Hertme) erkenden dat ze Jan Wijffer uit Doornigen een lening van 250 Carolusgulden schuldig waren (à 20 stuivers per muntstuk). Ze beloofden jaarlijks 3 gulden rente per 100 te betalen. De lening kon na een half jaar opzegtermijn (eerste mogelijkheid: 30 november 1779) worden afgelost. Als onderpand gaven ze een stuk land in Doorniger Esch bij de dikke Boom, grenzend aan land van Wievink en Brinkhuis, groot 11 schepel (in twee percelen). Bij niet-betalen mocht Wijffer of zijn erfgenamen het land verkopen om schulden en rente te innemen. De verklaring werd ondertekend door Hendrik Jan Bos en namens het stel (dat niet kon schrijven) door Alexander Maguel.
-
Jan Blenke uit Doornigen erkende een schuld van 235 gulden (à 20 stuivers per muntstuk) aan Gerrit Reinink en de gemeente Doornigen. Hij beloofde 4 gulden rente per 100 per jaar te betalen. Als onderpand zette hij zijn aandeel in huis De Blenken Woninge (met bijbehorend land in de marke Doornigen). Ook hier gold een opzegtermijn van een half jaar (eerste mogelijkheid: 30 november 1779). Bij wanbetaling mochten schuldeisers het pand verkopen. De akte werd ondertekend door Hendrik Jan Bos en namens Blenke (die niet kon schrijven) door Meander Maguel.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 4495907 / 13
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 4494404 / 40
Op 20 juni 1730 werd in Oldenzaal een akte opgesteld door Anth. Borgerman, rechter, over de verkoop van land en hooiland. Claes Ter Daggel en zijn vrouw Geesje Ter Daggel verkochten dit aan Maria Jacoba Chalus voor 8 koop (een oude munteenheid). De verkopers bevestigden dat ze volledig waren betaald en droegen het land over aan Maria Jacoba Chalus en haar erfgenamen. De akte werd ondertekend door de rechter, Claes Ter Daggel en Geesje Ter Daggel.
Op 20 juni 1733 werd opnieuw een akte opgesteld in Oldenzaal door Anth. Borgerinck, nu namens de Ridderschap en Steden van Overijssel. Adolph Otto Joost van Twello, landdrost van Bentheim en heer van Haarveld en Ravenshorst, en zijn vrouw, samen met Anna Agnes de Rhede, vrouw van Haasveet en Navershorst, bevestigden dat ze op 23 februari 1729 een lening van 200 gulden hadden ontvangen van Michiel Hillebrands Mante. Deze lening moest tegen 4% rente worden terugbetaald op 23 februari 1734.
Als zekerheid voor deze lening zetten ze hun goederen in, waaronder:
- Het landgoed Smithamp in Lemselo, met de bijbehorende weverij en huisjes zoals het Loo en het Leusgat.
- Het landgoed Blencke, met alle rechten en afhankelijke gronden.
Deze goederen dienden als onderpand, zodat Michiel Hillebrands Mante zich kon verhalen op het kapitaal, rente en eventuele schade. De akte werd ondertekend door de rechter en de betrokkenen.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 6527838 / 6
Op 8 oktober 1728 bevestigde H.M. Borgerinck en Jan Tomas de Graeff, namens de Ridderschap en de Staten van Overijssel, een verklaring over een gebeurtenis in Oldenzaal. Op 21 oktober 1728 werd een laatste wil opgesteld in het huis van Wolter Wegman in Dulder (bij Oldenzaal).
Egbert Hoeckhuis, ziek en bedlegerig maar met een heldere geest, maakte mondeling zijn testament bekend aan Anthoni Borgerinck (als rechter) en de schepenen Gerrit Ten Spricke en Egbert Haeshen. Omdat Egbert Hoeckhuis niet kon schrijven en geen zegel had, tekenden de aanwezigen voor hem. De notaris H. Hulsher verzegelde het document.
Egbert Hoeckhuis bepaalde het volgende in zijn testament:
- Zijn erfgenamen zijn:
- Speciale legaten (geld of goederen voor bepaalde personen):
- Alle rente die nog niet was betaald, moest bij zijn overlijden toegekend worden aan de gemeenschappelijke erfenis.
- Alle overige bezittingen die niet specifiek waren genoemd, gingen naar de erfgenamen.
Egbert Hoeckhuis verklaarde dat dit zijn officiële testament was, ook als niet alle formaliteiten waren nageleefd. Het document werd ondertekend door de schepenen en Anthoni Borgerinck, met een handtekening (een kruisje) van Egbert Haeshen namens Egbert Hoeckhuis.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 6527791 / 15
Op 14 mei 1792 maakte de rechter Ant. Bos van het landgericht in Oldenzaal, samen met twee getuigen (J. P. Stork en Abr. Maguel), een officiële verklaring op.
De weduwe Geese (weduwe van Jan Raat Gerink uit Rossum), bijgestaan door haar juridisch vertegenwoordiger Dr. H. R. G. Pagenstecher, bevestigde dat zij een lening van 1400 gulden had ontvangen van Jann (weduwe van Hendrik Scholte Linde).
De afspraken waren:
- Jaarlijkse rente: 2 gulden en 1 stuiver per 100 gulden.
- Zowel de lener als de uitlener mochten de lening op elk moment beëindigen, mits ze dit een half jaar van tevoren aankondigden.
Als zekerheid voor de lening stelde Geese (met toestemming van haar vertegenwoordiger) haar boerderij Blankenfoort (ook wel Blenke genoemd) in Rossum als onderpand. Deze boerderij had ze gekocht van Dr. J. J. Hulsken en Jan Hendrik Nijenhuis, met medewerking van Hendrik Luttenberg. Het pand omvatte land, gebouwen, bomen en alle rechten die daarbij hoorden.
Als Geese niet zou betalen, mochten Jann of haar erfgenamen hun geld (inclusief rente en kosten) terugvorderen via de boerderij. Geese deed afstand van alle mogelijke bezwaren, zoals de bewering dat het geld niet volledig was uitbetaald.
Omdat Geese niet kon schrijven en geen zegel had, tekenden J. P. Stork en haar vertegenwoordiger Pagenstecher namens haar. De rechter Ant. Bos bevestigde dat deze verklaring overeenkwam met het origineel.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 2733464 / 42
De schrijver van de klacht (de suppliant) vindt het nodig om de Staten-Generaal (aangeduid als Dw Hoog Mogende) te vertellen over het gedrag van de gouverneur van Suriname sinds zijn vertrek uit de kolonie. Hij doet dit namens zichzelf en zijn opdrachtgevers. Volgens hem dreigt de gouverneur met ernstige gevolgen als de kolonisten klachten indienen bij de overheid in Nederland. De klachten gaan over zijn eigen behandeling en die van anderen.
De gouverneur heeft:
- Kolonisten bedreigd: wie klachten indiende, zou als oproerkraaier uit Suriname verbannen worden.
- Mensen met hoge functies en andere belangrijke inwoners vervolgd, soms zonder proces of verklaring.
- Via de overleden fiscale officier (zijn schoonzoon) strafzaken gestart tegen kritische inwoners, waaronder rechtszaken, gevangennemingen en verbanningen.
- Zelf als rechter opgetreden in zaken waar hij eigenlijk uitgesloten had moeten worden, omdat hij zelf betrokken partij was.
De reden? Deze mensen (en de schrijver) hadden klachten ingediend bij de
Staten-Generaal. De gouverneur beschuldigde hen van
opstand en
leugenachtigheid.
Zijn wraak ging zo ver dat hij volgens de voormalige raad van politie en justitie, Guldensteeden, vier belangrijke ondertekenaars van de volmacht (waardoor de schrijver optrad) heimelijk wilde laten vermoorden met een rode das (wurging) of vergif (den beker).
Door deze behandeling:
- Moest een rijke inwoner van Suriname (met 557 slaven en grote plantages) de kolonie verlaten in het slechtste seizoen. Hij stierf onderweg, zijn familie en bezittingen achterlatend.
- Legde de voormalige raad van politie en justitie, Guldensteeden, zijn functie neer uit angst en vertrok met zijn gezin naar Nederland. Onderweg werden sommigen door de Fransen gevangengenomen en stierven in Franse gevangenissen.
- Raakte de hele kolonie in opstand door het onrecht.
De schrijver waarschuwt voor twee grote gevaren:
- Kolonisten durven geen klachten meer in te dienen bij de Staten-Generaal of bij Prins Willem V van Oranje-Nassau (de stadhouder). Hierdoor kan de gouverneur zijn macht misbruiken zonder controle.
- De meer dan 30.000 tot slaaf gemaakten in Suriname zien dat zelfs belangrijke blanken (zoals raden) straffeloos kunnen worden vervolgd. Hierdoor verliezen ze respect voor alle blanken en zullen ze niet meer luisteren. Dit kan leiden tot opstanden, omdat angst en straffe discipline dan niet meer werken. Er zijn al tekenen van verzet bij de tot slaaf gemaakten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.06 / 808 / 0007
T. F. Wessels, rechter van het Landgericht (een soort rechtbank) in
Oldenzaal, bevestigde op
2 februari 1798 een officiële verkoopovereenkomst. Hierbij waren aanwezig:
Willem Stopel en
Venne Berghuis verklaarden dat zij 200 gulden hadden ontvangen van
Jan Blenke voor een stuk land, genaamd
het Nijeland in
Dulder. Dit land was:
- Een derde deel van een hooiland (grasland om hooi van te maken).
- Grenzen: aan de ene kant aan het hooiland en weidegrond van Blenke, aan de andere kant aan het Broek (moerassig gebied).
- Het land lag in de Marke Dulder (een gemeenschappelijk beheerd gebied).
De verkopers gaven alle rechten op het land definitief aan
Jan Blenke, inclusief alle voor- en nadelen. Ze beloofden ook dat de verkoop altijd geldig zou blijven, volgens de regels van erfkooprecht (de toenmalige regels voor grondverkopen).
Omdat
Venne Berghuis niet kon schrijven en beide verkopers geen zegel hadden, tekende
Alex. Maguel namens hen. De akte werd ondertekend door:
De rechter bevestigde dat dit een exacte kopie was van het origineel.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 2835883 / 27
De tekst beschrijft twee historische afspraken over grond en schulden in de regio Twente.
14 mei 1700:
- Een man (de Comparant) vraagt toestemming om kleine stukjes grond af te splitsen van een groter stuk gemeenschappelijke grond (gem. Erve) in Deurningen (bij Almelo). De stukjes liggen op verschillende plekken, zoals agterstenkamp, Blik, Jan Wibbels Brice ne Kamp, en Ejjck.
- Hij wil deze stukjes overdragen (transporteren) aan de lokale rechter, als compensatie voor het verbeteren van zijn leenplicht (een soort belasting of verplichting aan de heer des lands).
- De afspraak wordt goedgekeurd door Adolph Philip Zeijger, Graaf van Regteren Almelo, in aanwezigheid van G. H. Hein (advocaat) en Jan ten Cate Jansz.
- Het document wordt ondertekend en verzegeld in de Lheenkamer (leenkamer) van Almelo.
26 juli 1761:
- Jan Blercke en zijn vrouw Geertruyt, samen met Lambert Blenke en Jan Spanjer (als voogden voor twee minderjarige kinderen), erkennen een schuld van 75 gulden aan Dirk Blom, een koopman uit Oldenzaal.
- De schuld moet binnen 3 maanden worden betaald, met 3% rente per jaar. Als ze te laat betalen, stijgt de rente naar 4%.
- Als onderpand geven ze hun aandeel in een huis genaamd de Blonke in Doomingen (vermoedelijk Deurningen).
- Als ze niet betalen, mag Dirk Blom (of zijn erfgenamen) het huis verkopen om de schuld te voldoen.
- Het document wordt opgesteld door Hendrik Jan Bos, een rechter uit Oldenzaal, in aanwezigheid van Frerik Bloemen en Hendrik Bloemen (als getuigen).
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 5101856 / 3
C. D. van Coeverden tot Rande en zijn vrouw
Jurriana Cunnera Roderica van Leunip gaven op
11 september 1758 in
Deventer een officiële volmacht aan
Jan Heijdenrijk van Coeverden tot Weckdam. Hiermee mocht hij namens hen de verkoop afhandelen van een derde deel van twee boerderijen:
Erve Veltman en
De Kattenpoel (ook wel
Katersteede genoemd), gelegen in het gebied
Oldenzaal, onder het bestuur van
Rossum.
De kopers hadden het bedrag al volledig betaald, en
Jan Heijdenrijk mocht alles regelen wat nodig was voor deze overdracht. De akte werd ondertekend door
He. Borgerink, een secretaris van de stad, en bevestigd als een echte kopie van het origineel.
Op
6 oktober 1700 verkochten in
Oldenzaal de volgende personen gezamenlijk een stuk bouwland van ongeveer 5 schepel (een oude maat voor zaaigoed) op
Kalterkamp:
De kopers waren
Berend in olde Rosen en zijn vrouw
Ale Blenke. Zij betaalden de afgesproken prijs in "penningen" (geld) en kregen het land officieel in bezit. De verkopers beloofden dat zij geen rechten meer op het land hadden en dat de verkoop geldig was. De akte werd ondertekend door
Hendrik Jan Bos, de plaatselijke rechter, en door alle betrokkenen, soms met een handtekening of een merk (een soort stempel of kruisje als teken van instemming).
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 5799869 / 19
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 5799869 / 17
De tekst beschrijft een conflict tussen Hendrik Kemper, een Lutherse predikant in Paramaribo, en een zekere Fredut Bopp (ook wel Monsieur Bopp genoemd), die samen met een vrouw (door Kemper een "hoer" genoemd) betrokken is bij laster, bedrog en financiële fraude. Hier volgt een samenvatting:
Kemper beschuldigt Bopp ervan dat hij:
- Lasterlijke leugens (lengens) over Kemper heeft verspreid bij een vrouw om haar tegen hem op te zetten. Zij zou Kemper daarna beledigd hebben, onder andere door hem uit te schelden voor "canaille", "schurk" en "schelm".
- Zelf Kemper en de vrouw openlijk heeft beledigd, waarbij de vrouw zijn voorbeeld volgde.
- Een "insinuatie" (een juridische aankondiging) met lasterlijke beschuldigingen naar Kemper heeft gestuurd, waarop deze heeft gereageerd.
Kemper vraagt om hulp bij het verzamelen van bewijzen tegen Bopp:
- Hij wil weten wat Bopp heeft uitgespookt op Sint Eustatius en Saint-Martin (ook Martinique genoemd), waar Bopp mogelijk onder een andere naam heeft geleefd. Kemper vermoedt dat Bopp daar is gevlucht of gearresteerd.
- Hij vraagt om officiële verklaringen (declaratoiren) en handtekeningen van Bopp om zijn schuld te bewijzen.
- Een zekere Kapitein Stanje heeft ook een zaak tegen Bopp, omdat Bopp als schrijver op zijn schip zou hebben gestolen uit het pakhuis. Kemper twijfelt echter of Stanje betrouwbaar is.
Kemper meldt verder:
- Dat Bopp en de vrouw op 10 mei 1773 's avonds om 21:00 uur uit Paramaribo zijn gevlucht naar Sint Eustatius, net voordat ze gearresteerd zouden worden.
- Dat Bopp de gouverneur en raadsleden van Paramaribo openlijk voor "canaille" en "schurken" heeft uitgemaakt. Hierdoor besloten de autoriteiten om hem te arresteren en uit de kolonie te verbannen.
- Dat Kemper juridische stappen heeft ondernomen tegen zowel Bopp als de vrouw. Hij heeft processen gewonnen, maar zij weigeren de schadevergoeding (2600 Nederlandse gulden) en proceskosten te betalen.
- Dat de fiscale autoriteiten in Paramaribo Bopp en de vrouw crimineel zullen vervolgen en hun vlucht bekend zullen maken om hen publiekelijk te schande te zetten.
- Dat Bopp mogelijk de slaven van de vrouw als onderpand heeft gebruikt om geld te lenen, waarna hij haar in de steek heeft gelaten.
Kemper hoopt dat Bopp gestraft kan worden en dat hij zelf genoegdoening krijgt. Hij sluit af met de mededeling dat hij en zijn dochter in goede gezondheid verkeren. De brief is gedateerd op 21 mei 1773 in Paramaribo en ondertekend door Hendrik Kemper. Een korte notitie achterop vermeldt dat de brief is beantwoord op 22 juli 1773 en later is doorgestuurd op 23 oktober 1777.
In een latere toevoeging (na 10 mei 1773) meldt Kemper dat Bopp en de vrouw (met wie Bopp kort voor haar bevalling is getrouwd) op 10 mei 1773 zijn gevlucht met het schip Benjamin Morgan naar Sint Eustatius. Kemper benadrukt dat Bopp en de vrouw hem en anderen op grove wijze hebben belasterd en bedrogen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11524 / 0335
In
1763 ontstond er een conflict tussen een ambtenaar en het bestuur van een Nederlandse kolonie. Hier volgt een samenvatting van de gebeurtenissen:
-
De ambtenaar had eerder twee documenten (aangeduid als Sa en S) verstuurd, maar kreeg geen antwoord. Daarom liet hij op 29 november een bekendmaking (aangeduid als U) in de kerk voorlezen en de volgende dag ophangen. Hij vond dat alleen hij het recht had om bepaalde officiële akten en documenten af te geven, volgens zijn instructies, en wilde zijn recht verdedigen.
-
De gouverneur liet daarop de bediende die de bekendmaking had opgehangen, via een bode (de Brote) oproepen om de publicatie ongedaan te maken. De bediende weigerde dit, omdat hij eerst toestemming van de ambtenaar nodig had. De bediende haalde de publicatie weg en ging naar de ambtenaar om verslag uit te brengen.
-
Later die dag, ondanks dat het zondag was, werd er een spoedvergadering gehouden. Een bode, Boorté, kwam namens de gouverneur en de raad vragen of de ambtenaar de volgende ochtend naar de vergadering wilde komen. De ambtenaar weigerde, maar bood aan om naar de bestuurders toe te komen als ze hem in privé wilden spreken.
-
De volgende ochtend kwam de bode opnieuw met het verzoek om direct voor de gouverneur en raad te verschijnen. De ambtenaar weigerde opnieuw. Toen de bode voor de derde keer kwam, vroeg hij om het origineel van de bekendmaking van de dag ervoor. De ambtenaar weigerde ook dit en zei dat de bestuurders een kopie konden laten maken als ze dat wilden.
-
Later bleek dat de bekendmaking van het waaghuis was verwijderd. 's Avonds kreeg de ambtenaar een resolutie (aangeduid als W) van de gouverneur en raad. Volgens deze resolutie kwam zijn antwoord van zondag niet overeen met wat hij eerder had gezegd.
-
De ambtenaar was verbaasd, want volgens hem had de bode een verkeerde boodschap overgebracht. De bode had namens de gouverneur en raad gevraagd of hij wilde komen, in plaats van te zeggen dat hij moest komen. Direct na het vertrek van de bode ging de ambtenaar naar de heren Isaäc Groebe, William Aerssen en Jaques Boileau, die hem kwamen bezoeken.
-
De ambtenaar vond de beslissing van de gouverneur en raad onredelijk. Volgens hem was de gouverneur zelf verantwoordelijk voor de onrust, door een verklaring van een "schelm" (iemand met slechte bedoelingen) te gebruiken om hem aan te vallen.
-
De ambtenaar ontkende dat hij opzettelijk onrust en verwarring in de kolonie wilde veroorzaken of de regering in diskrediet wilde brengen. Hij vond dat de bestuurders zelf schuldig waren aan verkeerde behandeling, niet alleen in zijn geval, maar ook in andere situaties.
-
Volgens de resolutie mocht de ambtenaar geen bekendmakingen meer doen of laten ophangen zonder toestemming van de gouverneur. De ambtenaar vond dit onterecht, omdat hij volgens zijn instructies wel het recht had om bepaalde zaken bekend te maken, zolang het niet in strijd was met de wetten van de Republiek of het lokale bestuur.
-
De ambtenaar vond dat de gouverneur, door deze maatregel, te veel macht kreeg. Als inwoners voor elke bekendmaking toestemming van de gouverneur nodig hadden, kon de gouverneur misbruik maken van zijn positie. Bijvoorbeeld door te voorkomen dat iemand die geen vrienden in het bestuur had, zijn bezittingen kon verkopen door de bekendmaking tegen te houden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11524 / 0348
Evertse schrijft over een conflict met de gouverneur en de Raad van
Curaçao over de beëdiging van zijn eerste klerk. Hier een samenvatting van de belangrijkste punten:
-
De gouverneur weigerde Evertse zijn eerste klerk, Evertz, te beëdigen omdat die te jong (minderjarig) zou zijn. Evertse ontkent dit en zegt dat de gouverneur eerder wel bereid leek om Joseph Roda als eerste klerk te beëdigen, maar uiteindelijk ook weigerde om dezelfde reden.
-
Evertse voegt er twee formulieren bij (onder letters O en S), waaruit blijkt dat hij de gouverneur wel had gevraagd om zijn klerk te beëdigen, maar dat deze weigerde vanwege Beaujon (een andere klerk).
-
Op 18 juni diende Evertse een verzoek in bij de Raad (bijgevoegd als letter E), maar kreeg pas op 30 juni een afspraak. Hij deed dit om twee redenen:
-
Hij hoorde van Juffrouw Johanna Salomons, weduwe van Nicolaas Reyliger, dat de gouverneur (die toen als fiscaal – een soort openbaar aanklager – optrad) vragen had gesteld aan Beaujon en hem verboden had deze verder te vertellen. Het antwoord zou de gouverneur in een slecht daglicht zetten.
-
Hij wilde kopieën van verschillende officiële stukken, zoals het bevel waarbij de Raad de gouverneur (als fiscaal) toestemming gaf om vragen te stellen. Ook wilde hij de beslissing zien waarbij zijn klerk in gijzeling (een soort voorlopige hechtenis) werd genomen.
-
De gouverneur had als fiscaal een aanklacht tegen Evertse ingediend, gebaseerd op een verklaring van Frederik George Bopp. Evertse vindt deze verklaring onrechtmatig en wil weten waarom hij als particulier voor de Raad moet verschijnen.
-
Evertse vermoedt dat de Raad bewijs achterhoudt om zijn verdediging tegen te werken. Hij wijst erop dat Juffrouw Heyliger in het bijzijn van anderen heeft gezegd dat ze niet weet wat ze heeft beëdigd – maar hij kan geen verklaringen van haar krijgen.
-
Op 26 juni kwam iemand een volmacht (een officieel document om iemand anders namens je te laten handelen) ophalen voor een zaak in Holland. Deze volmacht was getekend door Anthonie Beaujon, de eerste klerk. Dit verbaasde Evertse, omdat:
-
De Raad en gouverneur hem niet toelieten om in de Raad te zitten, maar wel toelieten dat zijn taken werden overgenomen.
-
De gouverneur onofficieel (tacit) zijn bevoegdheden als eerste klerk overnam, terwijl Evertse daar nooit toestemming voor heeft gegeven.
-
Evertse protesteerde dezelfde dag nog tegen zowel de gouverneur als Beaujon, omdat zij zijn functie overnamen zonder zijn toestemming.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11524 / 0346
- Na een tijdje werd de verklaring van Murphey bekend, die slecht was voor een bepaalde duffrouw (dame). Murphey dreigde hierop met een rechtszaak tegen de schrijver van deze samenvatting, omdat die verklaring volgens hem onwaar was en zelfs de gouverneur erbij betrok. De gouverneur zou Murphey hebben gedreigd met gevangenzetting als hij de verklaring niet zou ondertekenen.
- De schrijver beschuldigt de gouverneur ervan dat deze, samen met Cornelis Swaan (een klerk van de gouverneur) en een zekere Marphy, op slinkse wijze een kopie van de verklaring probeerde af te pakken van de duffrouw (die later Mevrouw den Tooren blijkt te zijn).
- De duffrouw weigerde de kopie af te geven en ging zelf naar de gouverneur. Deze hield de verklaring echter achter met als excuus dat hij hem later zou teruggeven. Toen de dame erom vroeg, kreeg ze slechts een niet-officiële kopie, die voor haar waardeloos was.
- De schrijver ziet dit als bewijs dat de gouverneur oneerlijk handelt. De duffrouw vraagt de schrijver om hulp en stelt een verklaring op, die ze onder ede wil bevestigen. Deze verklaring (in het Engels en Nederlands) zou de gouverneur in een slecht daglicht stellen.
- Op 26 mei, tijdens een rechtszitting, verschijnt Mevrouw den Tooren voor de raad. Ze weigert eerst vragen te beantwoorden, omdat ze vindt dat de raad partijdig is. Ze vraagt 48 uur bedenktijd, maar dat wordt geweigerd. Zonder verdere procedure wordt ze op bevel van de commandant gevangengezet, wat veel kritiek oproept, omdat ze uit een vooraanstaande familie komt en gezondheidsproblemen heeft.
- De schrijver en zijn cliënt (waarschijnlijk Mevrouw den Tooren) worden ook vastgehouden. Andere mensen die worden opgeroepen, antwoorden zonder bezwaar, maar hun getuigenissen helpen weinig.
- Op 29 mei vragen de gevangenen de schrijver (die als fiscale officier optreedt) om protest aan te tekenen tegen de gouverneur en de raad. Dit doet hij op 10 juni.
- Op 23 juni wordt een verdere aanklacht ingediend, waarbij de cliënt van de schrijver gedwongen wordt om zijn correspondentie openbaar te maken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11524 / 0344
Gouverneur en Raad stuurden op
9 mei een kopie van een officiële verklaring (protest) naar
Uw Edelgrootachtbaarheid, maar deze was per ongeluk niet vermeld in een eerdere brief van
11 mei. Op
13 mei werd de schrijver gevraagd om onder ede een verklaring af te leggen over wat er precies was gebeurd bij de overhandiging van dit protest. Deze verklaring (bijlage B) werd later toegevoegd.
De volgende dag,
14 mei, kwamen
Johannes Heiliger,
Pieter Rumnels (beide raadsleden),
Anthonij Beaujon (Eerste Klerk) en gerechtsbode
Gideon Godet naar het secretariaat om papieren op te halen die eerder via een volmacht en protest van
9 mei waren gevraagd. Wat er precies gebeurde, staat beschreven in verklaringen van twee klerken (bijlage C) en van de klerken zelf (bijlage E).
Op
24 mei ontving de schrijver een uittreksel van een nieuwe resolutie (bijlage E), waarna hij opnieuw protest aantekende, samen met het notulenboek, tijdens een volle raadsvergadering op
4 juni (bijlage F).
Zonder medeweten van de schrijver werden op
26 mei (een maandag) plotseling dagvaardingen uitgedeeld voor een rechtszitting die dezelfde dag nog zou beginnen. Dit was in strijd met een eerdere belofte van de
gouverneur dat dagvaardingen minimaal 8 dagen van tevoren bekendgemaakt zouden worden. Normaal gesproken werden dagvaardingen, arrestbevelen en andere juridische stukken via het secretariaat afgehandeld, maar nu waren ze rechtstreeks door
Anthonij Beaujon uitgegeven. Hierdoor gingen ongeveer 120 stukken (ter waarde van 8 gulden) verloren.
Door deze chaos:
- Werd het register van dagvaardingen niet bijgehouden. Zo waren er in januari al 305 dagvaardingen uitgegeven die niet goed waren geregistreerd.
- Konden de gerechtsbodes en hun vervangers niet meer bijhouden welke dagvaardingen zij hadden bezorgd, waardoor kopieën niet ondertekend waren. Dit was nadeelig voor burgers die een geldige dagvaarding nodig hadden.
De schrijver had hierdoor geen zicht meer op:
- Verzuimzaken (wanneer iemand niet op een eerste dagvaarding reageert).
- Rechtbankvonnissen.
- Resoluties en besluiten van de raad.
- Benemingen en andere officiële handelingen.
Hierdoor verloor hij de helft van de inkomsten die bij zijn ambt hoorden.
De schrijver kon weinig doen tegen deze willekeurige en dictatoriale werkwijze, vooral omdat sommige raadsleden, zoals
Pieter Rumnels en
Groewveldt Salomons, openlijk zeiden dat de
WIC (West-Indische Compagnie) er toch niets om gaf hoe de zaken in de kolonie werden behandeld, zolang de inkomsten maar binnenkwamen. De gouverneur toonde zijn dictatoriale gedrag en zou, als er iets misging, de schuld op zijn raadsleden afschuiven, terwijl hij zelf de problemen veroorzaakte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11524 / 0340
Op 16 januari 1775 werd in Paramaribo een officiële waardering gemaakt van plantage Pietersburg, gelegen aan de Cottica-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart), tussen plantages Mijnhoop en CrassCreecq. Deze waardering werd uitgevoerd op verzoek van N. Guisan, die toen beheerder was van de plantage namens de eigenaar, I. Camijn (een voormalig burgemeester van Vianen). De basis voor deze waardering was een opdracht van de eigenaar uit 26 juli 1704.
De inventaris en taxatie werden opgesteld door de toenmalige directeur C. Pache en uitgevoerd door de beëdigde taxateurs I. Barlon en P. Voegelaar. De totale waarde van de grond volgens de officiële kaart bedroeg 6180 gulden en 266 akkers.
De bewerkte gronden waren als volgt verdeeld:
Deze taxatie werd later, op 28 maart 1775, bevestigd door J.L. Veelmant, een beëdigde griffier, die verklaarde dat het document overeenkwam met het origineel dat door P. Stolting (als vertegenwoordiger van de kerkeraad) was getoond. De taxateurs Christiaen Nagel en J. Barloh waren hierbij aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 702 / 0439
In
Paramaribo werd een inventaris en taxatie gemaakt van een huis en erf aan de waterkant, tussen de
Lutherse kerk en het erf van mevrouw
de Weede Buttner. Het pand was op dat moment in gebruik door
Hendrik Kemper en zou toekomen aan de kerkenraad van de
Lutherse Gemeente in
Paramaribo. De taxatie werd uitgevoerd op verzoek van
Philip Stolting, die namens de kerkenraad als ouderling was aangesteld. De waardering werd gedaan door de beëdigde taxateurs
Christiaan Nagel en
Johannes Barlon.
Het erf had de volgende afmetingen:
- Aan de voorkant: 6,46 meter breed
- Aan de achterkant: 7,2 meter breed
- Diepte: 333 voet (ongeveer 95 meter)
Op het erf stond een
woonhuis met de volgende kenmerken:
- Lengte: 44 voet (ongeveer 12,5 meter)
- Breedte (inclusief galerij): 32 voet (ongeveer 9 meter)
- Gebouwd van rond hout, met een dak van kopieplanken, omslagen en bolletjessingels
- Indeling: een voorhuis, slaapkamer en galerij met een keuken en een voorraadkamer (bottelarij)
- Vloer: 1½ duim dikke kopieplanken in het voorhuis, beide kamers en de voorraadkamer
- Wanden, deuren en ramen van echt hout
- Zolder van Hollandse delen met twee extra kamers, en een dakraam aan de straatkant
- Fundering: verhoogde, stevige stenen voet die doorliep onder het hele huis
- Voor en achter het huis: twee stenen stoepen
Daarnaast stonden er nog vier andere gebouwen op het erf:
- Een wateropslag (lengte: 15 voet / ~4,3 m, breedte: 10 voet / ~2,8 m) van vierkant bijlhout, met een dak van kopieplanken en bolletjessingels, op een stenen voet.
- Een keuken en magaziijn (lengte: 46 voet / ~13 m, breedte: 20 voet / ~5,7 m) van diverse soorten vierkant hout, met een dak van kopieplanken. De keuken had een stenen vloer en een bakoven; het magaziijn was niet bevloerd. Het gebouw stond op een stenen voet en had een galerij aan de voorkant.
- Een slaafs huis en veestal (lengte: 32 voet / ~9 m) van vierkant hout met een dak van planken en singels, op een stenen voet.
- Een toiletgebouwtje van vierkant hout met een dak van kopieplanken en singels, op een stenen voet.
Verder waren er op het erf:
- Een duivenhok op palen
- Een houten put van kopieplanken
- Een moestuin met een Hollandse lattenafrastering
De totale waarde van het hele complex werd geschat op
15.500 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 702 / 0437
Op
28 mei 1777 verscheen
Johannes Adolph van Claveren, een beëdigde ambtenaar van de secretarie van de kolonie
Suriname en de omliggende rivieren en districten, voor een verklaring. Bij hem waren twee getuigen:
Hendrik Mauritz Wolff, een inwoner van
Suriname, en een andere beëdigde ambtenaar.
Van Claveren verklaarde het volgende:
- Hij had de dag ervoor gehoord dat er, namens de heren Commissarissen (of gecommitteerden) van het Hof van Justitie, een verzoek was gedaan om documenten uit te geven. Deze documenten betroffen een rechtszaak tussen Van Claveren en de erfgenamen van Hendrik Kemper (aangetekend onder nummer 39 in november 1774).
- Hij had hier expliciet bezwaar tegen gemaakt, zowel tegen de uitgifte van de stukken als tegen de pogingen van de tegenpartij om de zaak te versnellen. Volgens hem was dit in strijd met zijn recht op revisie (herziening van de zaak).
- Hij benadrukte dat alle originele stukken die in eerste instantie waren ingediend en waarvoor revisie was aangevraagd, bij de secretarie moesten blijven. De beëdigde kopieën die naar het vaderland (Nederland) werden gestuurd, waren hiervoor voldoende.
- Ondanks zijn eerdere mondelinge protest (die hij diezelfde dag nog schriftelijk zou bevestigen), was hij verrast dat de heren gecommitteerden het verzoek zonder zijn verhoor hadden goedgekeurd. De stukken waren al uitgegeven aan de tegenpartij.
- Omdat hij dit niet zomaar kon laten gebeuren, voelde hij zich verplicht om zijn rechten te verdedigen. Hij bevestigde opnieuw zijn recht op revisie en behield zich het voordeel voor van verdere juridische stappen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 487 / 0489
Hendrik Kemper liet via
Johan Andon Schmidt op
23 mei 1775 in
Paramaribo een officiële verklaring opstellen bij een secretaris of beëdigd klerk. Hierin stond het volgende:
- Kemper had gehoord dat Johan Andon Schmidt (de "geïnsinueerde") tegen verschillende mensen had gezegd dat hij een rechtszaak wilde beginnen tegen Kemper. Ook zou Schmidt samen met zijn advocaat, meester P.E.M. de Man, Kemper willen laten arresteren wanneer deze naar Nederland zou vertrekken.
- Kemper wilde eind die maand met schipper Eldert Kraay naar Nederland vertrekken. Hij vond het niet acceptabel om op het laatste moment met een rechtszaak of arrestatie te worden tegengehouden.
- Daarom eiste Kemper via de secretaris of klerk dat Schmidt duidelijk maakte:
- welke rechtszaak hij precies tegen Kemper wilde voeren (of dit nu privézaken betrof, of zaken namens de nalatenschap van de overleden Dirk Bruns, waar Kemper executeur van was).
- dat Schmidt, als hij echt een zaak had, deze niet op het laatste moment mocht indienen, maar binnen een redelijke termijn.
De verklaring kostte 2 gulden en werd op
22 april 1745 (waarschijnlijk een typefout en bedoeld als
1775) opgesteld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 484 / 0285
De tekst beschrijft een conflict tussen twee personen, waarbij de ene (de Insinuante) een verzoek indient bij de andere (de Geïnsinueerde, Frederik Bopp).
- De Geïnsinueerde had weinig geld en kon zichzelf en de Insinuante niet onderhouden. Als ze zouden trouwen, zou al zijn bezit opgaan aan hun levensonderhoud. Daarom waarschuwde hij haar als een vader zijn kind: ze moesten wachten met trouwen tot ze meer geld hadden.
- Bij een gesprek bij een zekere S. H. Herhoed probeerde de Geïnsinueerde Frederik Bopp opnieuw af te raden om te trouwen. Hij wees op de zeker nare gevolgen die dit zou hebben.
- De Geïnsinueerde bevestigt dit verhaal en ontkent andere beschuldigingen die tegen hem zijn gemaakt. Hij zegt dat hij eigenlijk een rechtszaak voor laster (Injuice) wil beginnen, maar dat hij door zijn "dwaze en beklagenswaardige liefde" hiervan is afgehouden.
- Hij zou hiermee stoppen, als de Insinuante niet in haar 5e punt van haar verzoek om teruggave van documenten, brieven en papieren had gevraagd. Deze zou hij volgens haar nog in zijn bezit hebben, omdat hij eerder haar zaken en financiële administratie had beheerd. Ze eist ook dat hij een bedrag (een saldo) aan haar betaalt.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 482 / 0343
De tekst gaat over een geschil tussen twee personen, waarbij de ene persoon (de
Geïnsinueerde, een leraar) de ander (de
Insinuante, een voormalige dienstmeid) probeert te overtuigen niet te trouwen met een zekere
Fredrik Bopp.
- De Geïnsinueerde had de Insinuante oorspronkelijk in Nederland als dienstmeid aangenomen, ondanks haar slechte gedrag. Hij nam haar mee naar de kolonie (waarschijnlijk Suriname) na herhaalde beloftes van haar en op verzoek van haar moeder.
- In de kolonie gedroeg de Insinuante zich volgens de Geïnsinueerde goed. Ze trouwde met een man (die inmiddels overleden is) en kreeg een kind bij hem.
- Nu de Insinuante van plan is om met Fredrik Bopp te trouwen, waarschuwt de Geïnsinueerde haar hier sterk tegen. Hij doet dit zowel mondeling als via een brief.
- Zijn argumenten zijn:
- Ze zal door dit huwelijk onvermijdelijk in armoede belanden.
- De erfenis van haar overleden man is klein door schulden en lopende rechtszaken met onzekere uitkomsten.
- Het gedrag van Fredrik Bopp is recentelijk twijfelachtig.
De
Geïnsinueerde vindt dat zijn waarschuwingen passen bij iemand die zich als een bezorgde vriend en als leraar van de gemeenschap opstelt.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 482 / 0341
Hendrik Kemper reageerde op
13 december op een beschuldiging die
Margaretha Keyser, de weduwe van
Arebrd Hendrik Meyer, tegen hem had ingediend.
Kemper was geschokt en boos over de beschuldigingen, die volgens hem vol lagen met leugens en laster. Hij vond het ongelooflijk dat iemand zo ondankbaar kon zijn, vooral als die persoon zelf geen goede bedoelingen had. Hij zei dat dit vaak gebeurde bij mensen die geen goed hart hadden.
Ondanks de beschuldigingen bleef
Kemper standvastig. Hij vertrouwde op zijn goede geweten en beloofde zich te verdedigen tegen de laster. Hij zou niet al zijn tijd besteden aan het weerleggen van elke leugen, want hij had belangrijkere zaken te doen. Wel was hij ervan overtuigd dat de waarheid altijd boven zou komen, hoe verborgen die ook leek.
Daarom zou hij zich alleen richten op de feiten en niet ingaan op alle verzinsels die tegen hem waren bedacht om hem in een kwaad daglicht te stellen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 482 / 0339
Op
23 januari 1775 verscheen
Johan Ernst Hafftenberger, een tijdelijk beëdigd ambtenaar en secretaris van de kolonie
Suriname en de omliggende gebieden, voor een notaris. Bij hem was
Petrus Theodorus Preeber, een arts van het ziekenhuis van de
Edele Sociëteit in
Paramaribo, die als getuige optrad.
Hafftenberger gaf
Hendrik Kemper, een gepensioneerd predikant van de lutherse gemeente in
Paramaribo (die toen in
Amsterdam woonde), een officiële volmacht. Deze volmacht hield het volgende in:
- Kemper moest namens Hafftenberger van E. H. Haae (ook arts, in Amsterdam) de betaling eisen van een wisselbrief. Deze brief was op 19 december 1774 in Suriname getekend door P.C. Haack, in opdracht van Hafftenberger. Het bedrag was 200 gulden in "koopmansgeld", plus rente en kosten voor protest (een officiële weigering van betaling). Deze wissel was al op 4 augustus 1775 geprotesteerd (officieel geweigerd).
- Kemper moest een ontvangstbewijs afgeven als het geld was betaald.
- Als de betaling werd geweigerd, mocht Kemper juridische stappen ondernemen, zoals een dagvaarding. Hij mocht ook protesten indienen en alles doen wat nodig was om het geld te innemen.
- Daarnaast kreeg Kemper de algemene opdracht om alle zaken en belangen van Hafftenberger in het vaderland (Nederland) te behartigen en af te handelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 568 / 0081
Vorige paginaVolgende pagina