Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1692 werd in Amsterdam een loterij gehouden voor de verkoop van schulden en leningen (zogeheten 'obligaties') uit verschillende steden, waaronder Sneek, Edam, Harlingen, Groningen en Enkhuizen. Enkele voorbeelden:

De totale opbrengst van Lot nummer 2 werd vervolgens via een blinde loting toegewezen aan twee verschillende rekeningen (Compten): Lot nummer 7 ging naar de tweede rekening en Lot nummer 2 naar de eerste rekening. Dit gebeurde onder toezicht van Jonathan Hardenbroeck, Steven van den Marck, Adriaen Hillendoorn en Gerrit van Genni, met David des Pommare en Gerrit van der Groe als getuigen. De akte werd op 28 april 1692 ondertekend en verzegeld.

Op dezelfde dag werd een geschil voorgelegd aan de Commissarissen van de zaken in Amsterdam. Het betrof een conflict tussen:

De partijen hadden hun geschil eerder al aan de Commissarissen overgedragen, zoals bleek uit een uittreksel van 15 januari dat jaar. Ze hadden ook een officiële overeenkomst (compromis) getekend op 8 februari en 11 februari, opgesteld door notaris Francois Tiperandet. De Commissarissen hadden vervolgens beide partijen meerdere keren gehoord, zowel in onderhandelingen als in formele zittingen. Ze onderzochten alle stukken en documenten, maar negeerden stukken die niet verzegeld waren volgens de regels voor het kleine zegel. Na alles te hebben bekeken, bereidden ze een vonnis voor.

Bekijk transcriptie 


Op 1 januari 1691 gingen Diego Pereira Flores (ook wel Isaak Levij Flores) en Joseph Levij Flores, allebei wonend in Amsterdam, naar notaris Dirck van der Groe. Zij verklaarden dat hun overleden zus, Lea Flores, getrouwd was met Salomon Levij Lminres (ook wel Maniel Lunen), een koopman uit Hamburg.

Volgens het huwelijkscontract (ketuba) dat Lea en Salomon hadden opgesteld, hoefde Salomon niets terug te betalen uit dit contract. De broers gaven aan dat ze hiermee akkoord gingen. Ze stemden er ook mee in dat Salomon alle uitkeringen uit het huwelijksgoed mocht geven aan hun broer Jacob Levij Flores, die eveneens in Hamburg woonde. Jacob had hun zus uitgehuwelijkt en het huwelijksgoed van hun zus ontvangen.

De broers verzaken ook officieel elk recht op de erfenis van hun zus ten gunste van Jacob. Ze lieten een akte opmaken door de notaris, in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Lonis van der Groe.

Op dezelfde datum, maar dan in het jaar 1 januari 1662 (waarschijnlijk een fout, moet 1691 zijn), verscheen Carel Goske, wonend in Amsterdam, bij notaris Dirck van der Groe. Hij verklaarde dat Jan Tentsel, een assistent van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Cochin (een plaats in India, toen Cataria genoemd), twee schuldbrieven had. Deze waren samen goed voor 800 dukaten (een oude muntsoort). De schuldbrieven waren opgesteld in Cochin op 6 augustus 1690.

Deze 800 dukaten moesten worden betaald uit de erfenis van Pieter de Wit, een voormalig notaris in Amsterdam. Adriaan van de Cruijs, diaken van de Waanse (Waalse) gemeente en executeur van het testament van Pieter de Wit, was verantwoordelijk voor de uitbetaling. Jan Tentsel was voor de helft erfgenaam van Pieter de Wit.

Carel Goske verklaarde dat hij een volmacht had van Jan Tentsel om de schuldbrieven te regelen. Hij stemde ermee in dat Adriaan van de Cruijs en de andere executeurs de schuldbrieven en de erfenis van Jan Tentsel konden overdragen aan Bartholomeus Targier, de gemachtigde van Jan Tentsel.

Carel Goske beloofde dat hij geen verdere claims zou indienen bij Adriaan van de Cruijs, de andere executeurs of de diaken van de Waanse gemeente voor deze schuld van 800 dukaten. Hij zou zich alleen richten tot Bartholomeus Targier of Jan Tentsel zelf.

Deze verklaring werd opgesteld in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Jacobus LePer.

Bekijk transcriptie 


Cornelis Touw, een notaris, legde op 2 december 1637 in Amsterdam een verklaring vast in aanwezigheid van getuigen Claes Boeles en Gerrit Schouten. Aaltje Ellerts, weduwe van Jan Oom Claesz, gaf Douwe Indse, een schipper, de opdracht om namens haar 396 gulden te innnen. Dit bedrag was verschuldigd door de weduwe en erfgenamen van Barent van Canckebeer uit Bremen. De schuld betrof 12 ton zeep die in 14 oktober 1632 was verzonden: 6 ton door schipper Harman Jansz en 6 ton door schipper Heyndrick Hartman. Douwe Indse mocht ook een kwitantie afgeven en, als de betaling uitbleef, naar de rechter stappen. Op 1 december 1637 liet Jan Jansz de Jongt (bijnaam: cleerbesem) via de notaris aan Jan Heijndricx Admiraelsz weten dat deze eerder juwelen van hem had gekregen om te verkopen. Omdat de verkoop niet lukte, had Jan Heijndricx van Jan Coesert 700 gulden geleend, met de juwelen als onderpand. Nu eiste Jan Coesert het geld terug, inclusief rente. Omdat Jan Heijndricx niet kon betalen, dreigde Jan Coesert de juwelen te verkopen. Jan Jansz de Jongt waarschuwde Jan Heijndricx via de notaris om snel te betalen, anders zou de verkoop doorgaan en zou Jan Heijndricx zelf de kosten en schade moeten dragen.
Bekijk transcriptie 


Op 29 maart 1692 kwamen Eva Soulaer, weduwe van Egbert van Hoorn, en Pieter Golkes, beide inwoners van Amsterdam, bij notaris Henrick Outgers. Ze verklaarden dat ze geld hadden ontvangen van Abraham de Lammerend en Jaques de la Fontaine, de voogden van de minderjarige kinderen van François de Lammerend.

Het geld kwam uit een bedrag van 4000 gulden (inclusief rente) dat François de Lammerend volgens een akte van 12 april 1688 had gekregen. Dit was bestemd voor de erfgenamen van Ijtje Hendricx, de overleden vrouw van Marius Magnusz Blond.

Eva Soulaer kreeg 1000 gulden, en Pieter Golkes kreeg 1600 gulden. Dit was hun deel van de 4000 gulden, zoals bepaald in de akte van 12 april 1688.

Omdat het geld deel uitmaakte van een fideicommis (een speciale erfregeling) uit de laatste wil van Ijtje Hendricx (31 augustus 1651), moesten Eva Soulaer en Pieter Golkes beloven dat het geld later zou toevallen aan de familie van Ijtje Hendricx.

Zij ontkenden niet alleen dat ze nog geld verschuldigd waren aan de voogden, maar ze vrijwaarden de voogden ook voor zichzelf en hun eigen erfgenamen.

Bekijk transcriptie 


In een officiële brief aan de minister van Financiën en de minister van Koloniën werd meegedeeld dat Willem Elize Arie Verschoor was overleden op 12 augustus 1864 in Schalongen (een plaats in Nederlands-Indië, het huidige Cilacap, Indonesië).

Verschoor was hofmeester (een soort bediende voor de officieren) aan boord van het Nederlandse fregat Joseph Willem. Hij was 37 jaar oud, geboren in Gouda, en had gewoond in Rotterdam. Zijn ouders waren Evers en Louisa Alster.

Deze informatie kwam uit een officieel, gecertificeerd uittreksel van het overlijdensregister van Schalongen. De brief was gedateerd op 9 september 1864 en verwees naar een regel uit 1849 over het bijhouden van registers voor geboorten, huwelijken en overlijdens.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 10 mei 1733 gingen Anthonij van den Bogaard en Sara Cardoes, een getrouwd stel uit Bennebroek (maar op dat moment in Haarlem), naar notaris Salomon Krul. Sara Cardoes werd bijgestaan door haar man en gaf toestemming voor de verkoop. Zij verkochten en droegen over aan: de executeurs van het testament van de overleden heer Ysbrand Goske (die earlier gouverneur was van Kaap de Goede Hoop). Deze executeurs beheerden zijn nagelaten bezittingen voor de erfgenamen. Het ging om vier schuldbrieven (leningen), allemaal op naam van Juda senior Henriques, uitgeschreven door het Algemeen Kantor van de Verenigde Nederlanden in Den Haag. De brieven waren gedateerd op 1 januari 1708 en goedgekeurd op 1 juni 1708:
Bekijk transcriptie 


Jan Hendrik van de te Dam, secretaris van de stad Haarlem, was de enige erfgenaam van zijn overleden vrouw, Anna Maria Dierkens. Op maart 1787 gaf hij de notaris Philip Hendrik Kortbeek uit 's-Gravenhage de opdracht om namens hem twee stukken land te verkopen: Kortbeek moest deze overdrachten officieel regelen bij de schepenen (rechters) van 's-Gravenhage of andere bevoegde instanties.
Bekijk transcriptie 


Op 7 maart 1727 verscheen Juffrouw Barbara de la Fontaine, een volwassen, ongehuwde vrouw uit Haarlem, bij notaris Aalste Bruijn. Ze kwam namens zichzelf en haar zus Juffrouw Maria de la Fontaine (getrouwd met Willem Cunel, een brouwer in Alkmaar), en ook namens hun twee broers Jan de la Fontaine en Jacob de la Fontaine, die in het buitenland woonden. De broers hadden eerder volmachten gegeven: - Jan de la Fontaine via een document op 12 maart 1716 bij Hugo van der Heer in Kaap de Goede Hoop. - Jacob de la Fontaine via een document op 28 april 1719 bij notaris Poulus van den Ende in Amsterdam. Barbara, Maria, Jan en Jacob waren kinderen van Barbara van der Burgh en hadden daarom recht op een bepaalde erfenis. Barbara de la Fontaine benoemde hiermee Sandela Lambere (wonend in Amsterdam) als hun officiële vertegenwoordiger. Zijn taak was om namens de zussen en broers een vordering in te dienen bij de erfenis van Pieter Goske, die in december 1726 in Amsterdam was overleden. De vordering moest worden gericht aan de weduwe of andere erfgenamen van Pieter Goske.
Bekijk transcriptie 


C. van Genderen Hoel, een weduwe, vroeg in augustus 1895 aan het Departement van Koloniën of haar pensioen uitbetaald kon worden bij de Ontvanger der Directe Belastingen in Zoeterwoude. Ze kreeg bericht dat dit zou gebeuren. Op 16 januari 1896 werd bevestigd dat haar pensioen niet in Zoeterwoude zou worden uitbetaald, maar bij de betaalmeester in Sprang (waar Zoeterwoude onder viel). De weduwe moest dus naar Sprang om haar geld te ontvangen. Het verzoek om het pensioen bij de Ontvanger der Directe Belastingen in haar woonplaats te laten uitbetalen, werd afgewezen. De uitbetaling bleef bij de betaalmeester in Sprang.
Bekijk transcriptie 


Op 1 oktober 1882 werd een verzoek ingediend voor W. Eb. A. Wesselo, een tijdelijk aangestelde koloniale militair. Hij woonde toen op het adres Pie ter Vlamingstraat 92 in Amsterdam.

Bij het verzoek zaten een medisch certificaat en een afschrift van een verklaring voor W. Ho. N. Wesselo (mogelijk familie), gedateerd op 19 oktober 1891. Het verzoek werd op 4 oktober 1892 in 's-Gravenhage verder behandeld.

De Minister van Koloniën gaf opdracht om de documenten door te sturen naar de Officier van Gezondheid in Duxarnaat (een plaats in Nederlands-Indië). Deze officier moest eerst een medische keuring uitvoeren en de resultaten daarvan noteren. Daarna kon Wesselo verder worden verwerkt.

De afhandeling werd gedaan door de Rendaris (hoofd van de administratie), die ook chef was van het Bureau Militaire Zaken bij het Departement van Koloniën. Hij ondertekende met W. A. Gestr..

Bekijk transcriptie 


E. Heuf, voormalig assistent-ambtenaar in Den Haag (wonende aan de Vlamingstraat), ontving op 14 februari 1590 een herinnering. Deze ging over een uitnodiging uit 29 oktober 1589, waarin hij werd gevraagd: Omdat niet bleek dat Heuf hieraan gehoor had gegeven, herinnerde de secretaris van de Minister van Holland hem hier op 9 februari 1590Secr. Euel met referentienummer 7131 MO Ava. 96 137.
Bekijk transcriptie 


Op 15 januari 1029 (waarschijnlijk een fout, bedoeld wordt 15 januari 1729) werd een verzoek geschreven vanaf Voorburg. De schrijver, Niet. Bode, vraagt om een bewijs van diensttijd voor zijn stiefzoon Paulus Stupani. Volgens het verzoek: Bode hoopt dat de Hoog Edele Gestrenge Heeren (hoge edelen) hem dit bewijs willen geven. Hij woont in Voorburg, op het adres Vlamingstraat, wijk S nummer 113. Het verzoek is gericht aan Dunaar F. D. Frantz, een belangrijke functionaris.
Bekijk transcriptie 


Op 12 juni 1850 kocht C. Feltjes, die woonde in de Vlamingstraat (tussen de Nieuwstraat en de Grote Markt) in 's-Gravenhage, de volgende spullen voor Wel Edel Geboren Heren Hoek Radin Pale: De totale kosten bedroegen 10 gulden, 80 cent, 90 (onduidelijk, mogelijk een rekenfout) en 5 cent, volgens het "gavosroort" (een soort rekening of bon). C. Feltjes woonde in het 46ste huis van de 6de wijk, met huisnummer 197. De rekening was voldaan (betaald) en het geld was "gelevend" (geleverd of ontvangen) voor de dienst van de heren.
Bekijk transcriptie 


Hoofd Ingenieur van het Stoomwezen schrijft op 11 augustus 1845 een brief over zijn aanstelling in Indië. Hij verwijst naar een besluit van de koning (18 juli, nummer 57), maar vindt dat dit niet overeenkomt met eerdere afspraken die hij maakte in een brief aan Kapitein ter Zee Welsberg (11 juli). De belangrijkste punten uit zijn brief: Hij wil duidelijk maken dat het koninklijke besluit niet klopt met wat hij eerder had afgesproken.
Bekijk transcriptie 


Op 28 augustus 1845 schreef de overheid in Den Haag een brief aan St. Bennelt, die was benoemd tot hoofdingenieur van het stoomwezen (stoomtechniek) in Rotterdam. De brief was een reactie op een eerdere brief van Bennelt uit 11 augustus 1845, waarin hij bezwaar maakte tegen zijn benoeming bij koninklijk besluit (een besluit van de koning) van 18 juli 1845. De overheid bevestigde in deze brief dat ze zijn bezwaar had ontvangen en gelezen.
Bekijk transcriptie 


S. H. L. Portihe schreef op 26 juli 1845 een brief vanuit Den Haag (adres: Vlamingstraat op de hoek van de Nieuwstraat). Hij meldde dat de ondersteuning voor zijn huis was stopgezet. Portihe wachtte op verdere instructies of nieuws en sluit af met een beleefde groet aan de ontvanger, die hij aanspreekt met "Excellentie". Hij vermeldde ook dat hij de plannen van de overheid (aangeduid als "het Gour.") had gelezen en hoopte op een snelle, definitieve oplossing voor de kwestie.
Bekijk transcriptie 


De schrijver wachtte respectvol op antwoord en verzocht om steun voor zijn huishouden. Op 26 juli 1645 stuurde hij een brief naar Excellentie (een hoge functionaris) op het adres Vlamingstraat (hoeken Nieuwstraat) in 's-Gravenhage. Hij vermeldde dat hij vrijheid had gekregen in de plannen van het Gerechtshof van Vlaanderen, maar dat de definitieve afhandeling (de "zegeling") van de zaak langer duurde dan verwacht.
Bekijk transcriptie 


Op 13 oktober 1729 verschenen voor de aangestelde leden van de rechtbank van Kasteel Colombo (een groep uit de raad van justitie) de volgende personen: Zij werden opgeroepen en ondervraagd door de koopman en officier van justitie Joan de Mauregnault. Deze handelde namens Stephanus Versluijs, een hoge ambtenaar die buitengewoon raad was voor Indië en gouverneur van Ceylon. Versluijs had de opdracht gekregen van de regering van Nederlands-Indië om een onderzoek uit te voeren. De drie mannen bevestigden onder ede dat ze de waarheid zouden vertellen over wat er vervolgens zou worden gevraagd.
Bekijk transcriptie 


Een gevangene werd opgepakt, maar hij wist niet wie hem had meegenomen. Tijdens zijn gevangenschap: Een lid van de Krijgsraad sprak hem aan terwijl hij hing en zei: "Ventje, je bent een beul voor je eigen lichaam! Je bent met de duivel verbonden – waarom bekent je niet?" Daarna werd hij losgemaakt en in het matrozenhuis (een gevangenis) opgesloten, met handboeien om. Drie dagen later bracht men hem weer voor de Krijgsraad. De voorzitter (de Edelachtbare heer gouverneur, die afwezig was, maar vertegenwoordigd werd door E. Bier) vroeg of hij wilde bekennen. De gevangene antwoordde: Hierop werd hij weer weggeleid.
Bekijk transcriptie 


De man werd door de kwartiermeester met zijn handen op zijn rug vastgebonden en vanaf een schip aan wal gebracht. Daarna werd hij voor de Raadkamer (een soort rechtbank) geleid. Daar zat heer Vuijst, de voorzitter, die hem vroeg of hij zijn schuld wilde bekennen. De man zei dat hij dat niet kon doen, omdat een onschuldig persoon zichzelf niet zou beschuldigen. Ook vond hij het niet christelijk om anderen te beschuldigen terwijl hij zelf onder druk stond. Heer Vuijst vroeg toen aan de leden van de krijgsraad om de fiscaal (een soort officier van justitie) te laten vragen om marteling op de pijnbank. De man hoorde de fiscaal echter niets zeggen. Vervolgens werd de man naar het paleis gebracht, waar de chirurgijn Godski en de beul zijn benen in een knijptang (scheenschroef) zetten. Ondanks de pijn bleef hij volhouden dat hij onschuldig was. Toen riep heer Gouverneur (waarschijnlijk heer Vuijst zelf): "Ho, ho, dat helpt niet!". Daarna werden de knijptangen verwijderd en werden zijn armen weer op zijn rug gebonden.
Bekijk transcriptie 


Op 16 september 1724 was er een vergadering in Batavia (het huidige Jakarta). Aanwezig waren: Joan de Mauregnault, een handelaar en openbaar aanklager (fiscaal), deed een verzoek. Hij was hiertoe aangesteld door Stephanus Versluijs, de gouverneur van Ceilon (het huidige Sri Lanka). Versluijs had deze opdracht gekregen van de regering van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Nederlands-Indië. De Mauregnault moest optreden in een rechtszaak tegen:
Bekijk transcriptie 


Een groep mensen, waaronder chirurgen, boekhouders en militairen, weigerde mee te werken aan een verzoek van Paulus Looman (assistent van Joan Herrig Bouti, een gerechtsbode en fiscale ambtenaar). De volgende personen waren aanwezig:

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/