Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie 


Op 19 augustus 1699 verklaarden zes bemanningsleden voor notaris Simon van Sevenhoven in Amsterdam dat zij tussen maart en juli 1699 in Tétouan (Tienten) en Cádiz (Mallagom) hadden gelegen met het schip De Juffrouw Johanne Maria. De schipper was Jacob Bans uit Hoorn. Zij hadden het schip geladen met:

De bemanning had de pijpen wijn en brandewijn in de onderste twee lagen in zout begraven. De rest van de lading, inclusief vaten en korfrosijnen, was met koltjes (houten steunen) en streeven (dwarsbalken) stevig vastgezet. Het schip was van onder tot boven goed afgedicht met teer (gecalefat) en zeewaardig verklaard. Bovenop was het luik dichtgemaakt met zeildoek (presenning) en extra bescherming tegen zeewater. De schutpoort (een opening in het dek) was afgedekt met zeildoek.

Een bemanningslid, Pieter Elias, was overleden en begraven volgens de akte van de doodgraver (begraafplaatsbeheerder). Omdat de bemanning hoge kosten had gemaakt voor Pieter Elias en hij weinig bezittingen achterliet, gaven zij Pieter Kerkhoor (een bode uit Zeeland) volmacht om namens hen:

De verklaring werd ondertekend in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Wienzly Jansen, Carel Goske en Toningh (volledige naam: Carel Goske Tabias de Caningh). Notaris Simon van Sevenhoven bevestigde de akte.

Bekijk transcriptie 


Op 19 september 1671 verscheen Adriaen van de Velde voor notaris Nicolaes Hemminck in Amsterdam, samen met de getuigen Willem van Loon (oud-schepen en koopman) en Goske Braber (afkomstig uit Oldenburg).

Adriaen van de Velde verklaarde dat hij zijn vrouw Sosija Roeloffs volmacht had gegeven om in Oost-Indië namens hem op te treden. Zij mocht:

Sosija Roeloffs mocht alles doen wat nodig was om deze zaken af te handelen, alsof Adriaen van de Velde zelf aanwezig was. Ze mocht ook iemand anders machtigen om haar te vervangen. Adriaen beloofde dat hij deze volmacht zou respecteren en alle afspraken zou nakomen. Als hij dat niet deed, kon zijn hele vermogen als zekerheid dienen.

De akte werd opgesteld in Amsterdam, met als getuigen Dirck Blome, Evert Ackerlaecken en Nicolaes van de Joerre (allen burgers van Amsterdam).

Bekijk transcriptie 


Op 29 september 1700 gingen Pieter Goekens, Jan de Lammer(e) en Margareta de Lammer(e) (een ongehuwde, volwassen dochter) naar notaris Dirck van der Groe in Hulst. Ze verklaarden dat ze geld hadden ontvangen van Jacques de la Fontaine (zoon van Jan) en Joan Teengs, die de uitvoerders waren van het testament van Eva Sollaert, de weduwe van Egbert van Hoorn. De bedragen die ze kregen, waren: Dit geld was aan hen nagelaten volgens het testament van Eva Sollaert, dat was opgesteld op 11 december 1699. Ze bevestigden dat ze niets meer te vorderen hadden van de uitvoerders of de erfgenamen van Eva Sollaert, onder voorbehoud van de wettelijke regels. Margareta de Lammer(e) verklaarde daarnaast dat ze de helft van de kleding (van linnen, wol en andere stoffen) had gekregen die bij Egbert van Hoorn hoorden. Ze had deze kleding verdeeld met de erfgenamen van Egbert van Hoorn. Ze hield echter haar recht voor op de andere helft van de kleding (of de waarde daarvan), omdat ze volgens haar het volledige recht op deze kleding had gekregen.
Bekijk transcriptie 


Op 19 oktober 1713 kwamen een aantal kooplieden in Amsterdam bijeen bij notaris Dirck van der Groe, in aanwezigheid van getuigen Jan Fontainer en Casparus Raket. Deze kooplieden waren:

Zij waren allemaal betrokken bij de handel in 54 lasten Rijgs as (een soort as uit Riga), die in 1712 waren geladen op het schip De Hendragt, onder leiding van schipper Willem Claesz Blocker. De as was in beslag genomen door de Koninklijke Admiraliteit in Karlskrona (destijds Carels Croon), maar was later gekocht door de erfgenamen van Theodorus Christoffers. Hiervoor hadden Jacob en Mathys Christoffers al 1500 rijksdaalders betaald aan Blanckenhagen.

De kooplieden spraken met elkaar af:

Bekijk transcriptie 


Op 13 januari 1680 verscheen Dirck van der Groe, notaris, in aanwezigheid van de ondergetekende nachtburen en Jan Kuper, die in Schiedam woonde. Van der Groe verklaarde dat hij een blanco transport (een soort eigendomsbewijs) had ontvangen van Isbrant Goske, opgemaakt door notaris Gijsbert de Cretser in Schrospenhagen op 12 februari 1683. Dit document stond geregistreerd op folio 2129 verso en betrof een lening van 45.000 gulden. Hij verklaarde vervolgens dat hij deze lening, inclusief de bijbehorende rechten, had verkocht en overgedragen aan Jan Codde en Pieter Cornelisz. Molenaer. Zij waren de voogden (wettelijke vertegenwoordigers) van de kinderen van Claes Jacobsz Ketel. De lening bestond uit een obligatie (schuldbrief) van 6000 pond (groot) aan het Noorderkwartier van het gewest Holland en West-Friesland. Deze obligatie was uitgegeven op naam van Maertje van Winden en was gedateerd op 2 november 1674. De rente en aflossing moesten worden betaald bij Laurens Schagen, de ontvanger in Alkmaar. De obligatie was goedgekeurd door de Gecommitteerde Raden (een bestuurlijk orgaan) en was ingeschreven in het register. Van der Groe bevestigde dat hij de obligatie, inclusief alle rente en aflossingen, volledig had overgedragen aan de voogden. Hij verklaarde dat de voogden nu het volledige recht hadden om zowel het geleende bedrag als de rente te innen, zowel de reeds openstaande als toekomstige bedragen. Van der Groe gaf hiermee alle rechten op de obligatie uit handen en behield geen enkele claim meer.
Bekijk transcriptie 


Op 1 mei 1682 verscheen voor notaris Dirck van der Voort in Den Haag, in aanwezigheid van de buurtgetuigen Hendrick Reyersz Visscher en kapitein Pieter Fouteijn, de testamentair executeurs en Jacob de la Fontaine (namens Johan Zijnslager, die door de schepenen was benoemd als voogd over de kinderen van Maria Visscher, weduwe van kapitein Hendrick Goskens). De executeurs verklaarden dat Maria Visscher (de weduwe van Johan Zijnslager) hen een goede, eerlijke en correcte verantwoording had gegeven over het beheer van de goederen en bezittingen van de kinderen. Zij bevestigden alle posten en onderdelen van deze rekening en beloofden er nooit meer iets over te zullen zeggen of juridische stappen te zullen ondernemen. Daarnaast gaven de executeurs toe dat zij van Maria Visscher alle goederen en bezittingen hadden ontvangen die haar overleden man voor de kinderen had beheerd, plus de bijbehorende documenten. Dit bestond uit:
Bekijk transcriptie 


Op 28 november 1691 verklaarde George Barons, een Engelse koopman uit Amsterdam, voor notaris Henricus Outgers dat hij op 30 januari 1691 een klein vrachtschip (een "fluijtscheepje" genaamd t Wille Paert) had gekocht van J & Flouter, ook Engelse kooplieden. Hij rustte het schip uit en stelde Thomas White, een Engelsman, aan als schipper. Het schip voer van Amsterdam naar Dublin in Ierland, maar werd bij het Eiland Mul in Zeeland tegengehouden door een vloot (vloot). Kort daarna maakte een koninklijk Engels fregat het schip weer vrij. Barons benadrukte dat hij de enige eigenaar van het schip was en dat geen Fransman of ander buitenlander aandeel in het schip had. Hij was bereid dit onder ede te bevestigen. Getuigen waren Philippe des Marolles en Jacob Reijersz.

Op 29 november 1691 kwamen Abraham Lambre, Jacob de La Fontaine en Pieter Gofkes als voogden van de minderjarige kinderen van François de Lambre voor notaris Henricus Outgers. Zij gaven Cornelis Leenaerts, de houder van deze akte, volmacht om namens hen alle rechtszaken te voeren. Dit omvatte het indienen en intrekken van arrestbevelen, dagvaardingen, vonnissen aanvragen, in hoger beroep gaan en geldzaken afhandelen, inclusief het betalen en terugvorderen van bedragen. Leenaerts mocht ook een advocaat inschakelen of een schikking treffen via arbiters. Getuigen waren Jacob Faes en Jacob Reijersz.

Bekijk transcriptie 


Op 12 maart 1665 kwam Bavent Jansz, een inwoner van Amsterdam, bij notaris Johannes Oli. Hij stond op het punt om als bootsgezel te vertrekken op het schip De Vrede, onder leiding van kapitein Goskes, in dienst van het Collegie ter Admiraliteit van Amsterdam. Omdat hij gezond en helder van geest was, maar zich bewust van de onzekerheid van het leven, maakte hij zijn testament.

Bavent Jansz verklaarde:

Hij vroeg om dit testament na zijn dood precies zo uit te voeren, ook als er juridische formaliteiten ontbraken. Als getuigen waren aanwezig: Albert Miller (letterzetter, woonachtig in de Pieter Jacobs Dwarsstraat) en Jacob Maeckom (kammenmaker, woonachtig aan de Sint Antoniesbreestraat bij de Zuiderkerk). Zij bevestigden dat Bavent Jansz de persoon was die het testament opstelde.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 2 januari 1692 verscheen Dirck van der Groe, notaris, voor zichzelf en in aanwezigheid van de nabestaande getuige Carel Goske (wonend in dezelfde stad). Hij verklaarde schuldig te zijn aan Jan Fentsel, een assistent in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Batavia. Van der Groe moest Fentsel betalen: Deze schuldbrieven waren opgesteld door notaris Divuis van Es in Batavia op 6 augustus 1690. De betaling moest komen uit de erfenis van Pieter de Wit (een voormalig notaris), waar Fentsel voor de helft recht op had. Adriaen van de Cruys, diaken en executeur van de erfenis, was verantwoordelijk voor de uitbetaling. Van der Groe had ook een volmacht van Fentsel (opgemaakt door Van Es op 6 augustus 1690), waarmee hij namens Fentsel kon handelen. Verder verklaarde Van der Groe dat hij akkoord ging met de afhandeling door Van de Cruys en de andere executeurs. Zij mochten de volledige erfenis van Fentsel (inclusief de schuldbrieven en volmacht) overdragen aan Bartholomeus Targier, een gemachtigde van Fentsel. Van der Groe beloofde dat hij nooit bezwaar zou maken tegen deze regeling en ook nooit meer zou proberen de schuld van 800 dukaten op Fentsel te verhalen.
Bekijk transcriptie 


Op 23 maart 1666 verscheen Barent Lucasz van Haarlem voor notaris Pieter van Buijtene in bijzijn van getuigen. Hij was gezond en helder van geest en tekende een testament voordat hij als matroos zou vertrekken op het schip Het Wapen van Utrecht, onder leiding van kapitein Hendrick Goskes. Het schip voer in dienst van de Gecommitteerde Raden van de Admiraliteit in Amsterdam. In zijn testament bepaalde Barent Lucasz het volgende:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Johan Goske had op 15 juli 1725 in 's-Gravenhage tien leningbriefjes (obligaties) op naam staan, die hij via notaris de Burg aan Pieter Smit overdroeg. Op 4 juli 1725 verkocht Smit deze briefjes via notaris Michiel Lirraas aan de uitvoerders van het testament van Samuel Levi Zimines (ook bekend als Samuel Zimenes), voor rekening van Zimenes zelf. Deze obligaties waren oorspronkelijk door Zimenes' voormalige voogden op 2 juli 1738 aan hem overgedragen en op 2 september 1738 door de Hoge Raad van Holland bevestigd als zijn eigendom. Nu verklaart Zimenes dat de leningen, inclusief rente, volledig zijn afbetaald. Hij staat deze obligaties af voor een koop, specifiek ten behoeve van de vier minderjarige kinderen van Jacob Tereira de Mates en Rachel de Pinede: Judith, Hester, Rabicca en de Vier. De voogdij over deze kinderen ligt bij de Edel Achtbare Heeren Weesmeesters (weeskamer). De obligaties hebben een totale waarde van 1010 gulden en zijn allemaal uitgegeven door Holland en West-Friesland, met het Generaal Comptoir als beheerder. Ze dateren van 1 september 1743 en 29 augustus 1724, met de volgende details:
Bekijk transcriptie 


In de periode van 1669 tot 1678 zijn er in Amsterdam notariële akten verzameld die nu bewaard worden onder het nummer 1970. Deze documenten zijn opgesteld door verschillende notarissen die in die tijd in de stad werkten.

De akten bevatten onder andere:

Deze akten geven een beeld van het dagelijks leven, de handel en de rechtszaken in Amsterdam tijdens de 17e eeuw. Ze zijn belangrijk voor historici die onderzoek doen naar de economie, samenleving en cultuur van die tijd.

Bekijk transcriptie 


In 1663 overlijdt de moeder van Pieter Ooske (leeftijd onbekend) en Hendrick Goske (leeftijd onbekend). Voor haar kinderen wijst zij als voogden aan: De bezittingen van de overledene worden gevonden op de hoek van de Boomsloot en de Oude Schans in Amsterdam. Dit zijn onder andere:
Bekijk transcriptie 


Nicolaes Hemminck, een notaris, legde op 11 maart 1679 een verklaring vast over een geschil rond de erfenis van de overleden Dietloff Wolbrantsz. Hier de belangrijkste punten: De verklaring werd opgesteld in Amsterdam en was gebaseerd op een eerder testament uit 5 september 1679, opgemaakt door notaris Coop van Groen en Josr. van der Burgh.
Bekijk transcriptie 


Op 27 september 1671 verscheen Goske Braber voor notaris Nicolaes Hemminck in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Dirck Blom en Evert Burgert. Goske Braber verklaarde dat hij, nu hij uit Oldenburg vertrok, zijn vrouw Roelofs als zijn officiële vertegenwoordiger had aangesteld. Zij mocht namens hem:

Goske Braber beloofde dat hij deze volmacht serieus zou nemen en dat zijn vrouw hiermee alle bevoegdheden kreeg. Als hij zich niet aan deze afspraak hield, kon hij gestraft worden volgens de geldende wetten.

Op 29 september 1671 verscheen Adriaen van Noon, een koopman, samen met Willem van Loon (oud-schepen van Amsterdam) en Alijae van San bij notaris Nicolaes Hemminck. In aanwezigheid van de getuigen Christoffel van Ackerlaecken en Nicolaes van de Joerre verklaarde Adriaen van Noon dat hij Ertidius Slacher (een hoge functionaris van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Middelburg) als zijn officiële vertegenwoordiger had aangesteld. Ertidius Slacher mocht namens hem:

Adriaen van Noon beloofde dat deze volmacht geldig was en dat de overdracht zonder verdere claims zou gebeuren. Als hij zich hier niet aan hield, kon hij volgens de wet gestraft worden.

Bekijk transcriptie 


Op 3 februari 1858 werden in Amsterdam verschillende overlijdens akten opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht van de overledenen en hun gegevens:

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/