Blader door transcripties » Lokale Kronieken uit de Nederlanden 1500-1850
archieftoegang 1792_Brie_Klui_05, pagina 14



Gebruik tekstcoördinaten

Transcriptie

dus nagenoeg op 180.000 gulden zullen koomen te staan. Bleef het nu goet en gedaan werk, dan waaren deeze <114> extraordinaire kosten nog te vinden, maar 't is seer te duchten, dat deeze verlenging in der tijd al meede sal te leur gesteld worden. Men heeft al bij de eerste verlenging ondervonden, dat de vier speuijen, die te saamen werkten om deeze haven diep te houden niet genoegsaam tot dat werk bevonden waaren en dat door de verre aff-stand de kragt van het water gebrooken was, eer het aan de mond van de haaven quam. Hoe veel te minder zullen zij dan nog sestig roeden verder de stoffen kunnen weg voeren, die den mond der haaven belemmeren, dog dit is 't niet al. Het stoppen van den Hals en Scharrezee door het leggen van den Dam over het Stellegors in den jaare <115> 1751, de bedijking van Krajenisse, Krajestein, Everdina en andere polders en vooral het stoppen van het Suiderdiep door het verlengen van de haaven van Middelharnasch, hebben een considirabele afleiding voor het rivierwater gemaakt. Sedert is den Goereeschen droogen seer veel vernauwt en de vrije doortogt, die het water bevorens uit het Goereegat door den Hals na het Crammer en Brouwershaven had, is door deese affsnijding op-gestopt, soo wel als het voor Middelharnasch na Stad toe gedaan is door het stoppen van het Zuiderdiep. Door deeze twee oorsaaken word het tij direct afgeleidt van de Goereesche haaven aff tot aan den Stadschen hoek en word overgebtagt na de zijde van de Quac (die thans ook al vrij veel te wederstaan heeft) en de Hoornsche hoofden. En dit heeft voorts tot zijn gevolg gehad (gelijk bevoorens al eeniger maate hebbe getoont ), dat bij 't <116> leggen van den dam in 't jaar 1751 en bevoorens aan 't oude Goereesche paalenhooft nog meer dan 30 voeten water stond en in 't jaar 1762 was het daar reets soo droog, dat dekruinen van de paalen van het selve hooft maar ruim vier voeten boven de grond stonden. Jan de verlanding was in korten tijd soo important, dat die haaven niet alleen onbevaarbaar wierd, maar men heeft in dat selve jaar 1762 deselve reets moeten doorgraaven en van het oude paalenhooft af, daar bevorens de mond van de haaven was, een rijsberm van een en seventig roe-den moeten leggen. Die van Dirkslan hadden meede al sedert eenige tijd een gdroogte voor aan den mond van hunnen haaven bespeurt, in soo verre, dat op een request door hun aan haar Ed. Groot Mog. gepresenteert op den <117> 6. meij 1767 aan deselve is verleent om haare haavenhooft ter lengte van vijff en tagtig Voornse roeden te moogen verlengen.
Dog die van Dirksland hadde eene grooter verlenging gevraagt en omdat deselve deeze verleende 85 roeden niet genoegsaam oordeelden, hebben zij hunnen haaven voorals nog op den ouden voet gelaaten.
Ook is de aanslicking en aangroeij van de plaat Flacquee thans soo groot, dat dheer Krom, secretaris van Dirksland cum suis, op den 14. februarij deeses jaar bij request aan haar Ed. Groot Mog. hebben versogt om de plaat de Flacquee te moogen bedijken, dog egter is in dit gedaane versoek nog niet geconsenteert. Ook heeft men <118> sedert eenige jaaren ontdekt, dat er een aanmerkelijke droogte sig sette even boven de haven van Helvoetsluis, tusschen de plaat Flacque en de Hoornsche hoofden en streckende met desselfs punt na de Groote plaat en de Middelharnasche haaven. En naar maate, dat de deeze plaat en de gemelde Groote plaat Falcque aan de zijde van de Hoornsche hoofden aanwinnen daar dog de haaven van Middelharnasch agter blijft leggen, soo is het seer te duchten, dat wat moeite men ook aanwende eindelijk de haaven van Middelharnasch verlanden zal.
Wij stappen weder over na den Briell, daar wij de regeering onleedig vinden tot het beraamen van die heilsaame <119> schikkingen om het behoud van hun evenmensch te bevorderen en in 't leeven te bewaaren, arresteerende ten dien einde in navolging van veele andere steeden de volgende publicatie
Nadien balliuw, burgermrn. en regeerders der stad Brielle, mitsgaders leenmannen van den lande van Voorne van tijd tot tijd zijn gewaar geworden, dat verscheide menschen bij ongeluk in 't water gevallen en daar uit ge-haalt zijnde voor dood werden gehouden en als de zoodanige zijn behandelt, hoe seer de experientie meer dan eens geleert heeft, dat door het appliceeren van prompte en gepaste middelen het leeven van de soodanige hadde kunnen worden gesalveert. Dat ook veel persoonen, welke sig selven door kranksinnigheid off swakheidt van <120> geest van het leeven hebben tragten te berooven en wel speciaal de soodanige, welke sig hebben tragten te verhangen, wel ligtelijk hadde kunnen worden gered, wanneer dezelve door de geenen, welke zulks het eerste hadden ontdekt, direct waren afgesneden geworden.
Soo is 't, dat gem. balliuw, burgermrn. en regeerders der stad Brielle, mitsgaders leenmannen van den lande van Voorne voornoemt, niets meer in 't oog houdende dan het behoud van hunne evenmensch, en alles tragtende toe te brengen, wat mogelijk is, om daar in (onder Gods zeegen) te voorsien, na rijpe deliberatie hebben goedgevon-den en verstaan te statueeren, gelijk dezelve statueeren bij deezen, dat alle persoonen, hoe genaamt, verpligt zullen zijn om, zulks gewaarwordende, de in 't water gevallene persoonen, 't zij oud off jong, met alle mogelijke <121> spoed daar uit te trekken en te brengen ter hunner woonsteede, off indien het persoonen mogten zijn, welke off mogten zijn onbekend off welker woonplaats te verre van de plaats, alwaar zij in 't water gevonden worden, is geleegen, dezelve te brengen in een daar naast bij geleegene off daar toe aangeboden wordende huisen off andersints in een publijcq huis off herberg en aan soodanige ongeluckige subjecten alle mogelijke hulpmiddelen te appliceeren. Dat voorts alle tappers en herbergiers zullen moeten gedoogen, dat soodanige uit het water gehaalde persoonen, hoe seer men mogt sustineeren, dat dezelve reeds gestorven waaren, in hunne huisen worden gebragt en geobligeert zullen zijn, na hun vermoogen alle middelen aan te wenden, dewelke eenigsints van nuttigheid zouden kunnen worden geoordeelt te zijn, op een boete van 25 guldens, ten behoeve van den <122> Heiligengeestarmen der stad Brielle off soo sulks ten platten lande mogte plaats hebben, van de plaats off district, daar zulks mogte toevallen. Dat voorts alle herbergiers en tappers binnen deeze stad ter secretarij alhier, en die van het land van Voorne ter secretarij van het selve collegie, op eene gelijke pæne verpligt zullen zijn zig binnen den tijd van drie weeken na de publicatie deeses, te moeten voorsien van seekere bekendmaking off voorschrift, in den jaare 1767 door een genoodschap te Amsterdam in druk uitgegeeven.
Dat voorts met relatie tot persoonen, welke uit kranksinnigheid off swakheid van geest zigselven hebben getragt van het leeven te berooven en sig te verhangen (hoe seer dezelve tot dus verre alsoo is onaangeroerd zijn gelaten, <123> tot dat de schouwing over dezelve door die van de geregte wierd gedaan) het niet alleen aan een ijder sal vrij staan om, zulks gewaar wordende, den sodanige direct en aanstonds aff te snijden, maar dat selfs elk en een ijgelijk sal zijn verpligt, sulks uit oorsaake van aandoening als andersints niet kunnende in persoon ter executie brengen, daar van direct aan een ander op 't selfde oogenblik off soo dra mogelijk kennis te geeven, ten einde daar door te effectueeren, dat soodanige ongeluckige schepsels (soo mogelijk) nog mogten worden gered.
Dat ook ieder verpligt sal zijn om sonder tijdversuim met relatie tot beide de bovengemelde gevallen aanstonds daar van kennisse te geeven aan een geadmitteerde chirurgijn om te beproeven, off nog iets tot behoud van het leeven kan worden in 't werk gesteld.
<124> Dat voorts soodanige chijrurgijns gehouden zullen zijn sig direct te begeven naar het huis, alwaar sooda-nige ongeluckige menschen zijn, off zijn gebragt en alle imagnable middelen conform de bovengemelde bekend-making off voorschrift tot derselver behoud in 't werk te stellen op een boete van 50 guldens te appliceeren als boven.
Dat egter soo van 't een als ander terstont, na dat men begonnen heeft eenige middelen te appliceeren, daar van kennisse sal moeten worden gegeeven aan den heer balliuw off desselfs stedehouder, alwaar sulks mogte voorvallen.
Dat eindelijk om alle burgers en ingezetenen in deeze stad en opgezetenen ten platten lande tot het betragten van <125> menschenliefde soo veel mogelijk aan te moedigen en om voor te komen, dat de goede burgerij en ingezetenen door derselver goedwilligheid geen schade zoude mogen lijden, aan den behulpsame ingevalle den uit het water gehaalde off de persoon, die sig self had getragt te kort te doen, onbekent ofte onvermogend mogte zijn, de gedaane kosten niet alleen zullen worden gerestitueert maar daar en boven voor derselver aangewende moeite, wanneer zulks mogt worden gerequireert, in allen gevalle, 't zij de geappliceerde middelen van een gewenscht succes zijn geweest dan niet, in redelijkheid en na omstandigheidt van saaken, ter discretie van de magistraat der stad Brielle off van balliuw en leenmannen voorn. zullen worden beloont.
Aldus gedaan en gearresteert bij balliuw, burgermrn. en regeerders der stad Brielle, mitsgaders leenmannen van <126> den lande van Voorne op het Raadhuis der stad Brielle, den 18. maart 1769. En na voorgaande klokkengeslag gepubliceert den 25. daar aan volgende.
(lager stond) Ter ordonn. van balliuw, burgermrn. & regeerd. der stad Brielle
(was getekent) C.W. Hogerwaard.
Ter ordonn. van balliuw en leenm. van den Land van Voorn
(was getekent) C. Hoijer.
Deeze publicatie was verselt van eene bekentmaking, die herkomstig is van een Societeit sedert eenige tijd te Amsterdam ter redding van drenkelingen opgerecht van deze inhoud
<127> De bestierders der Maatschappij ter behoudenis van drenkelingen, onlangs in Amsterdam opgerecht, hunne menschlievende oogmerken aan alle ingezetenen der seeve provintien gaarne soo algemeen als mogelijk is wil-lende bekend maaken, hebben goetgevonden door deeze eene korte dog sakelijke schets derzelven te geeven, terwijl zulx reeds wijdloopiger geschied is in N. 86, N. 88 en N. 94 van het weekelijks blad genaamd de Philosooph in de maanden aug., sept. en october 1767 te Amsterdam uitgegeeven.

Bronvermelding

Lokale Kronieken uit de Nederlanden 1500-1850, archieftoegang 1792_Brie_Klui_05, Kluit, Jan. “Historische Jaerboeken Der Stad Briel, Deel 3, 1e Stuk, 1767-1770.” Brielle, 1770. 501, inventarisnummer 5. Streekarchief Voorne-Putten Rozenburg.,



Ga naar de volgende pagina (15)  Ga naar de vorige pagina (13) Nieuwe zoekopdracht

U bent nog niet ingelogd

Inloggen
Geen abonnee? Bekijk de abonnementen

Scan + Transcriptie


Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien

Kunstmatige intelligentie (AI)

De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning.
De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/