archieftoegang 1.04.02, inventarisnummer 1663, pagina 82
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
152 153 Van Macassar onder dato 4=en Iulij A:o 1702 Van Macassar onder Dato 4=en Iulij A:o 1702 gesproken hebt, ende wyders hoe dien handel sig met VEen arou Lonij al heeft toegedragen. A: kom aen hier ben ik vaerdig toe, wat d' Ed„le Heer van Thije aen„ gaet of ik tegen dier meer van gesproken heb, dat zouw ik soo regt niet konnen seggen, maer wel dat sijn Ed„e mij op de eerste voor„ dragt ten antwoord paste, weest soo driftig niet aron Teko hebt eerst nog wat patientie, tot dat gy met aron Lony hier over zult gesproken, en een besluijt genomen hebben, en dan mag ik wellyden dat gij naer D„ besluijt in sin doet, en wat arou Lonj aen gaet die heb ik er niet alleen kennis van gegeven, maer hij heeft het mij selfs om soo te spreken van den begin af aen, al geordonneert dat ik maer wraek soude nemen, dog ik dienden er op neen sijn Hoogheyt soo schielyk niet, ik zal daer toe mijn slag zoeken waer te nemen, en moet eerst eens zien, of dain mabanij geen schult bekennen, en inleggen zal, dit nu alles bleef soo langh— slepende, tot dat wy bij arou Lonij met veel andere Coninxkinderen eens op Pating=gallo=ang versogt wierden, daer ik mij mede het vinden, en daii mabanij sig ook bevond, sonder dat 'er dien dagh ijts voorviel in tegendeel geliet ik mij vriendelijk tegens aron belousou, en at met hem uijt een en deselfde piering lustig en vrolyk sijnde, tot den avond toe wanneer het gesetschap scheijde, — en de aron Lony my die mede vertrecken wilde te ruggeroepende in Een saemheyt aldus aensprak vader sedert gij mij usaek bekent maekte, soo ben als altijd onrustig van geest geweest, en voelde ijder keer van schaemte een ontroering, wanneer ik vE maer sag en wat hoop kan ik dog hebben van dat mijne ordres door VE: wel zouden werden uijtgevoert/ die met bequaem sijt om VE schande te wreken, op welke toebijting ik zijn hoogheit bij hant tasting versogt dat hy het mij niet qualik beliefden te nemen, dat ik hem bij sijn woort vattende, versekerde dat dani mabani des anderen daegs doot soude wesen, of dat hij mij niet meer Levendig sien zoude, op dit woort scheyden wij van den anderen terwijler tegens den volgenden dag een haene gevegt besproken was om nogmaets ons wat te diverteren, dog ik absenteerde mij latende arou Lonij, soo drae dani mabanij aldaer verschenen was, mijnen grooten kamphaen vorderen, 't welk de beprokene Lens was, en soo veel tte zeggen was, als past nu op dat gij gauw bent want dam mabanij is hier, gelijk ik hem van daer komende, ook waernemen, en onder de voet stoten twei, en nu ontkent hij dit alles soo ik hoor enhout sig nergens van te weten, was dese ontkenning maer waerh„t waerom heeft hij mij dan naderhand nog twee briefjes die tot deser uur in wesen zyn, toegesonden, behelsende het eerste: vader soo Eijmant naer de doot van dain Mabany, en die gedoentens vraegt, soo antwoort 'er niet op, maer addresseert se aen my met te zeggen dat ik'er haer wel van onderrigten zouw, sijnde het andere van desen inhout, Vader het gene door aron kajare, en dain mapataa uijt mijnen name gesegt is sult gy wel verstaen hebben: — gi vertelt uy wonderen aron Teko, dog in het eerste briefje steekt geen bewijs, en het laetste is maer een Credentiaeltge— dat ik nog niet en weet waer toe het diende. — A dat Zal ik d' heer gouverneur seggen myn Vrouw Saena nu— tweemael te vergeefs van Radja goa gevordert, ende na de manslag mijn beklag daer over in stilte bij arou Lonij komende, gedaen hebbende soo waren dit syn hoogheijts woorden Vader arou beko wy zullen hier soo lang mede toeven, tot dat ik in chindrana sal wesen, aengekomen, van waer wij dan Saena sullen doen op Eijsschen,— om dat wy bij de derde weijgering aldaer de beste middelen, bij de hand hebben, die 'er nodig zijn om gelijker hand afkomende ons over die hoon ten sibel te thonen, hoe dat arou Lonn nu nader„ hant misnoegt op mij geraekt is, dat kan ik wel gissen, komende zulx nergens anders van daen, als om dat met den Eersten niet na boven ben getrocken, wanneer hij mij dedet roepen, schoon terwyl B
Bronvermelding
Nationaal Archief / Rijksarchief Zuid-Holland, archieftoegang 1.04.02, Inventaris van het archief van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), 1602-1795 (1811), inventarisnummer 1663, Heren Zeventien en kamer Amsterdam, INGEKOMEN STUKKEN UIT INDIË, Overgekomen brieven en papieren, Overgekomen brieven en papieren uit Indië aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam, Overgekomen brieven en papieren uit Indië aan de Heren XVII en de kamer Amsterdam, 1703. RRRRR. Dertiende boek: Batavia's ingekomen brievenboek, deel II: Makassar, Timor, Palembang, Japan, Malakka
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie (AI)
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning.
De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/
De transcriptie van het historische document is gemaakt met behulp van geautomatiseerde handschriftherkenning. Er kan hier ook geautomatiseerd een samenvatting van worden gemaakt in hedendaags Nederlands.
Om gebruik te maken van deze functionaliteit dient u een abonnement te hebben.