archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 101
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
25 juli 1957 (avondzitting) 942 (Van Rij e.a.) Concertgebouworkest De motie-Luirink (no. 773) wordt verworpen met 31 tegen 6 stemmen. Nederlandse Opera 943 Gemeenteblad afd. 2 Vóór: de leden Jansz, Kuiters, Luirink, mevr. Westendorp-Lansink, mevr. Teeboom-van West en Weenink. Tegen: de leden Herfst, Rossen, Scheerens, mevr. Van der Sluis-Fintelman mevr. Wijsmuller-Meijer, De Bruijne, Schippers, Baruch, Sajet, mevr. Vorrink: Bergmeijer, mevr. Mozer-Ebbinge, mej. Luns, Le Cavelier, Boetje, Elkerbout mevr. Friedmann-van der Heide, Meewezen, Vermeulen, Van Rij, Van Sandick, Van der Hoeven, Van den Bergh, Van ’t Hull, In ’t Veld, Ram, mej. Koppen- schaar, Damoiseaux, Elsenburg, Burger, Wiggermann en De Roos. Aan deze stemming is niet deelgenomen door de leden Steinmetz, V Wijck, Den Uyl en Seegers. axe De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad, De mitsdien het besluit, vermeld op bladz. 1102 van afd. 1 van het Gemeente- ad. De VOORZITTER, wethouder DE ROOS, verzoekt de leden van de Raad zich bij de behandeling van de resterende voorstellen enige beperking op te leggen, dit in verband met het afhandelen van de Agenda. 49° Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 12 juli 1957 tot het verlenen van een subsidie voor het seizoen 1957/58 van ten hoogste f 1.200.000 aan de Stichting „Nederlandse Opera, gevestigd te Amsterdam” (Gemeenteblad afd. 1, no. 726, bladz. 1090). Mej. LUNS betoogt, dat de Nederlandse Opera steeds het meeste van de zorgen van Amsterdam vraagt, hetgeen volgens haar niet te verwonderen is omdat de apparatuur van een dergelijk kunstbedrijf dusdanig uitgebreid en kostbaar is — orkest, koor, ballet en solisten — dat overal, in de gehele wereld dergelijke instellingen het zorgenkind zijn en meestal een meervoud aan sub- sidie behoeven van datgene, wat Nederland hiervoor uittrekt. Het is volgens spreekster een feit, dat dergelijke bedragen alleen dan verantwoord zijn, wan- neer de prestaties van klasse zijn. Mocht iemand hieraan twijfelen, dan heeft de Nederlandse Opera, die in het Holland Festival — een manifestatie, die men volgens spreekster bijzonder geslaagd mag noemen — een preponderante rol heeft gespeeld met drie voortreffelijke voorstellingen, laten zien, dat Neder- land inderdaad in het bezit is van een instelling van internationaal formaat. Bij veel miskenning in de eigen Nederlandse pers heeft de buitenlandse pers in bijzonder waarderende besprekingen hierover geen enkele twijfel laten be- staan. Voorstellingen als Otello”, „The Rake’s Progress” en „Don Pasquale” hebben getoond, waartoe de Nederlandse Opera in staat is, al is het dan met medewerking van gasten van wereldklasse, doch waarbij het eigen ensemble volstrekt niet detoneert. Wanneer men zich er meer bewust van zal maken, dat de kloof tussen dergelijke manifestaties en de. gewone routine-voorstellingen steeds meer verkleind dient te worden, is men volgens spreekster op de goede weg, al blijven nog vele wensen bestaan. De aanstelling van een nieuwe algefnene muziekleider eerste dirigent kan men slechts toejuichen, aldus spreekster al blijft het bijzonder jammer, dat men er nog steeds maar niet in kan slagen, hiernaast cen jonge Nederlandse kracht als dirigent te engageren. Spreekster meent, dat hierop alle aandacht van bestuur en directie gericht moet blijven wil men ooit komen tot een werkelijk Nederlands ensemble. Volgens spreekster zullen velen met bijzondere voldoening kennis genomen hebben van de benoe- schil, maar zelfs als men dit in aanmerking neemt, zijn volgens spreker de be- dragen, die hij naast elkaar heeft gezet, van dien aard, dat zij tot nadenken stemmen. Spreker meent, dat men tot de conclusie moet komen, dat er van enige zuinigheid in het beleid geen sprake is. Naar aanleiding van de opmerking van de Voorzitter, dat men de toegangs- prijzen niet in die mate kan verhogen, als de Nederlandse Orkeststichting heeft gedaan, vraagt spreker zich af, of men een Opera heeft voor de eer van Amster- dam of omdat bij het Nederlandse publiek belangstelling voor de Opera bestaat. Spreker meent, dat dit laatste het geval is en dat de uitgave van f 1.200.000 voor Amsterdam niet verantwoord is, als men dit bedrag alleen uitgeeft voor de eer van Amsterdam. Als er bij het Nederlandse publiek belangstelling voor de Opera bestaat, mag men volgens spreker verwachten, dat het bereid is, hogere prijzen voor de Opera te betalen. Als het publiek weigert, naar de Opera te gaan, zodra de prijzen worden verhoogd, betekent dit, dat de uitgave van f 1.200.000 een uitgave is voor een behoefte, die niet bestaat. De heer JANSZ vraagt zich af, waarom, als de heer Le Cavelier de arbeiders zo’n warm hart toedraagt en voor hen strijdt, omdat zij zoveel belasting moeten betalen, de V.V.D.-fractie niet voorstemde, toen de communistische fractie in de vorige zitting voorstelde, onmiddellijk een debat te openen over de huurverhoging van 25%. Spreker gelooft daarom niet, dat de heer Le Cavelier de arbeiders zo’n warm hart toedraagt, als hij doet voorkomen. Volgens spreker blijkt uit dit debat, dat men op alle mogelijke wijzen de bestedings- beperking wil doorvoeren. Spreker zegt te wachten op het voorstel, de presentie- en commissiegelden te verlagen. De VOORZITTER, wethouder DE ROOS, betoogt naar aanleiding van de opmerking van de heer Luirink, dat, als er zich inderdaad iets bijzonders voordoet, een ieder bereid is, iets meer te betalen. Spreker herinnert hierbij aan de voorstellingen van Porgy and Bess, welke voorstellingen bijna iedereen heeft bezocht, en aan belangrijke voetbalwedstrijden, waarvoor men wel f 5 uitlegt voor een toegangskaartje. Naar aanleiding van het voorstel van de heer Luirink, de entreeprijzen niet te verhogen, wijst spreker er op, dat het niet mogelijk is, de prijzen op het huidige peil te handhaven, zonder het gemeentelijke subsidie te verhogen. De prijzen wenst men voorzichtig te verhogen. Spreker moet aanvaarding van het voorstel van de heer Luirink dan ook ontraden. Burgemeester en Wethouders wisten, hoe het met de tekorten stond, maar zij hebben volgens spreker aangetoond, dat er in het beleid een lijn is aan te wijzen. Spreker beaamt, dat de vergelijking, die de heer Van Rij heeft gemaakt, wel enige waarde heeft, doch hij is van mening, dat zij niet kan dienen om aan te tonen, dat men aan de ene kant zuiniger is dan aan de andere kant, of dat hier minder -wordt uitgegeven dan elders. Sprekers sluit zich aan bij de opvatting van de heer Van Rij inzake de verhoging van de entreeprijzen. Als men na verhoging inderdaad geen operavoorstelling meer bezoekt, bestaat er geen reële behoefte aan deze voorstellingen. Spreker antwoordt mej. Luns, dat het voorstel inzake het Ballet der Lage Landen behoort tot een aantal voordrachten, die nog niet zijn behandeld door het College van Burgemeester en Wethouders.
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/