Op de zesde november 1811 om elf uur 's ochtends kwam
Gerrit Overmars, een melkverkoper uit de Noorderdwarsstraat 25 in Amsterdam, bij mij,
Gerrit ten Sande, de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Hij werd bijgestaan door twee getuigen:
Abram van der Heyden, 39 jaar oud en schildersknecht, en
Willem Jurgens, 46 jaar oud en pakhuismedewerker. Ze verklaarden dat de vrouw van Gerrit,
Neeltje Schinkel, zonder beroep, op de vijfde van deze maand om half één 's nachts een zoon genaamd Tomas had gekregen. Op basis van deze verklaring en op verzoek van Gerrit, heb ik dit officiële document opgesteld. Gerrit, de vader, en de twee getuigen hebben dit document na voorlezing ondertekend.
Op de vijfde november 1811 om half elf 's nachts heeft
Lambertus van Oosthuysen, die de functie van portier waarnam in het Aalmoezeniers Weeshuis van Amsterdam, een babyjongen van ongeveer 18 weken oud genaamd Cornelis Strikker overgedragen. Het kind werd gevonden op de Heeremarkt bij de Brouwersgracht met kleding en accessoires. Het kind is gedoopt als Cornelis Strikker. Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door
Hendrik Hakfort en
Lambertus van Oosthuysen, regent van het Aalmoezeniersweeshuis. Dit document is opgesteld op de vijfde november 1811 en ondertekend door
W. Hendrik Hakfort en
Lambertus van Oosthuysen.