Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De getuige vertelt dat zij niet weet of de slavin Wester borstvoeding gaf aan de dochter van Hilletze Giebelaar. Ze zegt ook dat ze dit niet aan de slaaf April heeft verteld. De getuige heeft bovendien niet gezien dat haar meester bij de laurierboom zou zijn geweest. Ze benadrukt dat het een leugen is dat zij dit aan April zou hebben verteld. In plaats daarvan heeft zij het verhaal van April zelf gehoord nadat hun meester was teruggekeerd uit Kaap. Deze verklaring werd afgelegd bij het gerechtssecretariaat van het kasteel in Kaap de Goede Hoop.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1159 Clewin Candace van Kaap verscheen voor de rechters van het bestuur. Ze bevestigde haar eerdere verklaring na het voorlezen ervan. Ze gaf aan dat het de pure waarheid was in aanwezigheid van de getuigen Jochtem Hendrik Borgwede en Pieter Casper Booedersz. De verklaring werd ondertekend door S. Fiber, als ambtenaar.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1160 De slaaf Jonas van de Kaap verklaarde 10 augustus 1762 voor L. D. Faber als getuige de waarheid te hebben verteld in bijzijn van de slaven April en Januari. Het stuk is goedgekeurd door P. F. Piemmendorf en J. F. W. Bettiger. Op 21 juli 1762 verscheen de slaaf Februari voor de juridisch medewerker Lucas Gismundus Faber als getuige. Februari was eigendom van de burger Martenmelk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1115 Adriaan van Schoor, landdrost (bestuurder) van Stellenbosch en Orangestein, verklaarde dat hij nooit van zijn slaaf Januarij of van andere slaven heeft gehoord dat Hilletje Giebelaar, de stiefdochter van zijn meester, een miskraam zou hebben gehad. Hij verklaarde ook dat hij nooit samen met zijn medeslaaf Tona een gat heeft gegraven of dichtgemaakt waarin een kind begraven zou zijn. Hij vertelde wel dat hij ongeveer een maand geleden in opdracht van zijn meester samen met Tona en andere slaven een grote sloot, die vroeger een rivier was, heeft dichtgegooid. Hij noemde het verhaal van Januarij een verzinsel en een complete leugen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1116 De slaaf Jonas van de Kaap verscheen voor rechters van de raad van justitie. Ze lazen zijn eerdere verklaring aan hem voor. Hij bleef bij zijn verklaring en het latere verhoor daarover. Hij voegde alleen toe dat hij, toen hij met andere slaven en slavinnen van hun eigenaar uit het Kasteel ging, niet heeft gezegd of van anderen heeft gehoord wie er zou komen controleren of ze leugens hadden verteld in plaats van de waarheid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1114 Voor de rechtbank van Pieter Caspar Broedersz en Jacob Persinck aan Kaap de Goede Hoop werd een verklaring afgenomen door klerk L.P. Faber. Later werd deze verklaring voorgelezen aan Februarij van de Caab, die bevestigde dat alles correct was opgeschreven en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1117 De slaaf Februarij van de Caal heeft op 22 juli 1762 in het Kasteel de Goede Hoop zijn eerdere verklaring bevestigd. Hij heeft verklaard dat zijn getuigenis over de gebeurtenissen in Bengalen de volledige waarheid was. L.S. Faber, de griffier, en Sekrurier, als afgevaardigde, waren hierbij aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1118 De slaaf Februarij heeft op 10 augustus 1702 in het fort aan de Kaap de Goede Hoop verklaard dat na zijn eerdere getuigenis hij niets verkeerds heeft gezegd, noch van anderen heeft gehoord. Hij heeft niet gezegd wie de schuld zou krijgen van de leugens die voor de waarheid waren verteld. Hij zei ook niet dat 'de baas' het zou oplossen. Deze verklaring heeft hij gedaan in aanwezigheid van de slaven Januarij en April. De verklaring is officieel ondertekend door L. Sr Faber, Gerrt Clerce, Siemmen, P. Dorf en P.F.W. Bottigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1119 Op 3 augustus 1762 legde Baatjoe van Ternaten, slaaf van burger Marten Melk, een verklaring af voor Christiaan Ludolph Neethling, lid van de rechtbank. Dit deed hij op verzoek van landdrost Adriaan van Schoor van Stellenbosch en Drakenstein. Hij verklaarde dat op zijn meester's boerderij, genaamd Koelenhof, op een avond het volgende gebeurde:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1120 In dit fragment gaat het over een persoon die naar Coelenhof ging om zijn kleren te halen. Hij ging toen alleen de kombuis (scheepskeuken) in. Hij had een brief in zijn jaszak gevonden en die in zijn kist opgeborgen. Later heeft hij deze brief aan Jonas gegeven toen ze samen naar Kaapstad gingen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1141 Op een dag in april werd er door een slaaf genaamd April aan een andere slaaf genaamd Prinst gevraagd om te helpen bij het uitgraven van iets in een sloot. Toen Prinst vroeg wat er precies uitgegraven moest worden, antwoordde April dat hij dat vanzelf zou zien als ze het opgegraven hadden. Prinst ging echter niet met April mee naar de sloot en er werd die dag niets uitgegraven. Later op een avond vroeg April opnieuw aan Prinst om te helpen met graven in de sloot.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1139 Een slaaf genaamd Januarij was in het gebied Bengale aangekomen. De landdrost had hem bevolen aanwijzingen te doen over wat hij eerder had beweerd te hebben gezien vanaf een zolderraam. Hij zou hebben gezien dat zijn meesteres een kind van haar had overgedragen, wat vervolgens door de slaven Jonas en Februarij in een gat zou zijn gestopt en dichtgemaakt.
Januarij antwoordde hierop dat hij:
Hij verklaarde dat hij dit alles alleen had gezegd omdat April van Bengale hem hiertoe had aangezet en hem had voorgehouden wat hij moest zeggen en klagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1128 Op 26 juli 1762 hebben twee heemraden (lokale bestuurders) samen met de landdrost een bezoek gebracht aan het huis van burger Marten Melk op de boerderij genaamd Cerlenhoff. Daar werd de slaaf Januarij uit Bengalen ondervraagd. Later, op 10 augustus 1762, werd deze verklaring officieel vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop. Bij deze vastlegging waren aanwezig de slaven April en Januarij, en de ondertekening werd gedaan door Prinsz, L.S. Faber (beëdigd klerk), J.F. Piemmendorf en J.W. Bottiger.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1127 De slaaf Prinsz van Timor verscheen voor de rechtbank van justitie van het gouvernement. Hij legde een verklaring af in aanwezigheid van getuigen Jacob Tor Sinck en Frederik Wilhelm Allemann. Na het voorlezen van zijn verklaring bevestigde hij dat deze volledig klopte. Hij wilde alleen dat de datum werd aangepast van januari naar april van dat jaar. De secretaris C.L. Huthling heeft dit vastgelegd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1126 De slaaf Batjoe heeft verklaard dat hij eerder niet duidelijk kon spreken in het Nederlands. Hierdoor had hij ten onrechte gezegd dat de slaven Augustus en Cornelis en de slavin Maria betrokken waren bij de zaak. Hij bedoelde eigenlijk de slaaf Prins in plaats van Augustus en Cornelis. Hij wist niet zeker of Maria geslagen was toen April de gevangene had laten roepen, omdat Cijter op dat moment in bed lag in de kombuis. Toen Batjoe en Prins aan Maria vroegen wat zij wist, zei ze van niets te weten. Batjoe had wel gehoord dat April tegen de gevangene had gezegd dat hij moest gaan klagen. Daarna had Batjoe samen met de gevangene en Ponas wat brandewijn gedronken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1130 Op 13 april is de persoon niet naar Elsenburg gegaan maar naar Koelenhoff. Bij het slavenhuis heeft balig hem 's avonds geroepen. In de keuken van zijn meester's boerderij heeft hij april Coelenhof en Jonas ontmoet. Jonas vertelde hem dat als hij geen problemen wilde krijgen, hij die nacht naar Kaap moest gaan om bij de Fiscaal te klagen. Ook moest hij een brief die hij in zijn jaszak had gekregen van zijn meester afgeven. Jonas zou met hem meegaan naar de Fiscaal. Jonas is toen niet met hem vertrokken van Elsenburg, maar is naar zijn eigen plek gegaan op 16 april.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1140 Op 21 april liep Antonio weg van zijn eigenaar, samen met Jonias en Batjoe (de veewachter). Ze hadden een fles brandewijn bij zich en gingen richting Kaap. Bij de boerderij van burger Jan Plaat ging Batjoe terug. Antonio had een fles brandewijn aan Jonias gegeven, die hij lang in zijn kist verborgen had gehouden en nu in zijn zak had gestoken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1142 De slaaf Jonas van Madagasear moest meegaan omdat hij de weg naar het kasteel kende. April had hem gezegd om bij zijn verhaal te blijven, zelfs als hij daarvoor zou worden doodgeslagen. April beloofde voor alles verantwoordelijk te zijn. De slaven Batjoe en Prins wisten dat April hem hiertoe had aangezet. Batjoe had de gevangene opgeroepen namens April toen hij 's avonds in het slavenhuis kaart speelde. 's Nachts vertelde April aan de gevangene en Prins dat hij hen zou laten zien waar in de sloot was gegraven om iets op te graven. Ze gingen met z'n drieën naar de oude sloot waar April hen de plek aanwees, maar er werd niet gegraven. Later deed de gevangene een verklaring voor de rechters in Kaap over April.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1129 Er waren twee jongens die vroegen aan iemand of hij wilde helpen met graven. Ze vertelden dat ze spullen van het bedrijf wilden opgraven. Ze zeiden: "je zult wel zien wat voor spullen het zijn als we het opgegraven hebben". De persoon ging wel met ze mee naar de sloot, maar heeft niet gegraven omdat hij ging slapen. Later hoorde de persoon in de scheepskeuken dat Januari naar de officier van justitie moest gaan om een klacht in te dienen. April zou verantwoordelijk zijn voor wat er zou gebeuren, maar het was niet duidelijk waarover de klachten zouden gaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1125 De getuige verklaarde dat ze samen met Jonas en andere slaven nooit gevraagd had wie het gat had gegraven waarin een kind begraven was. Voor zover zij wist was zoiets op hun terrein of in de omgeving nooit gebeurd. Ze vertelde dat ze, terwijl ze 3 stukken van het landgoed verwijderd was, altijd had gezien dat Hilletje Giebelaar haar normale maandelijkse menstruatie had. Een paar weken geleden, toen ze aan het wassen was en in januari bij het water kwam, had ze Hilletje daar weggestuurd. De verklaring werd afgelegd in het Kasteel de Goede Hoop, in aanwezigheid van klerk Pieter Caspar Broeder.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1103 Jonas van de Caab deed op 22 juli 1762 in het Kasteel de Goede Hoop een verklaring in aanwezigheid van de slaaf Panuarij van Bengalen. Jonas bevestigde dat zijn eerdere verklaring volledig waar was en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald moest worden. De verklaring werd ondertekend door C.G. Veethling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1113 De slavin Lea van Caab, eigendom van de burger Glasten Melk, verklaarde op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, Adriaan van Schoor, het volgende:
De slaven jongen Januarij, ook eigendom van haar eigenaar, beschuldigde de slavin Susanna (die het jongste kind van haar eigenaar voedde) ervan tegen haar zus de slavin Pulinda te hebben gezegd, in aanwezigheid van de afgevaardigde en de slaven jongen April, dat Hilletje Giebelaar (de voordochter van hun eigenaar) een maand eerder een miskraam had gehad en dat het kind op het woonterrein van hun eigenaar was begraven.
Lea van Caab verklaarde dat dit een complete leugen was en dat Januarij dit kwaadaardig had verzonnen, aangezien zij nooit iets van deze gebeurtenis had gezien of gehoord.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1102 Een slaaf ontkent dat hij of andere slaven een graf had gemaakt voor een kind. Hij beweert dat het valse beschuldigingen zijn van de slaaf Januari, bedoeld om zijn eigenaar en diens dochter Willetje Giebelaar in problemen te brengen. Het document is opgesteld in het Kasteel de Goede Hoop in aanwezigheid van de klerken Pieter Caspar Broeders en Jacob Torsinck als getuigen, die samen met de aanklager het document hebben ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1112 Op 21 juli 1762 legde Christiaan Ludelph Neethling een verklaring af voor de rechtbank aan de Kaap de Goede Hoop. Hij deed dit in het bijzijn van de slaven April en Januari van Bengalen. Deze verklaring werd opnieuw bekeken op 10 augustus 1762. Het document werd ondertekend door L.S. Faber als klerk, en door P.F. Piemmendoff en I.F.W. Bottiger als getuigen. Ook werd het gemerkt door Clae van Tielinde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1101 De slaaf Jonas van de Kaap, eigendom van burger Marten Melk, verklaarde op 21 juli 1762 voor notaris Christiaan Ludolph Neethling en getuigen het volgende: Als opzichter op de grote plaats Elsenburg moest hij ongeveer een maand lang elke ochtend vroeg naar zijn meester's woonplaats Coelenhoff komen. Daar moest hij helpen bij het dempen van een sloot die was ontstaan door een oude rivier, omdat zijn meester de boomgaard wilde egaliseren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1111 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/