Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Gerrit van Tutu Corijn heeft vrijwillig een verklaring afgelegd in het Kasteel de Goede Hoop. De getuigen hierbij waren:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0804 Johannes Pitrus vertelt dat metselaar Andries en twee andere metselaars van plan waren om om 11 uur 's nachts een venster open te breken. Ze wilden naar binnen klimmen en zijn mevrouw vermoorden. Op een nacht zijn ze op de binnenplaats gekomen maar toen ze lawaai hoorden in het huis, zijn ze teruggegaan.
Het plan was dat ze op de binnenplaats een teken zouden geven via een gat in het afdak, als de tijd rijp was om in te breken. Op de afgelopen zondag kwam Andries naar het dak waar hij twee emmers water moest halen. Toen Andries vroeg waarom hij van buiten was teruggekomen en niet met de andere metselaar had gesproken, antwoordde hij dat hij alleen met Havin Slora naar buiten was gestuurd. Nadat hij zijn emmers had gevuld, deed Andries er een poeder in. Toen hij de emmers wilde leegmaken, werd dit door Andries verhinderd. Daarna is hij met het water naar huis gegaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0812 In het Kasteel de Goede Hoop werd op 4 februari 1713 een verklaring afgelegd. Leander, een jonge jongen, vertelde dat hij een dag eerder van Andries een poeder had gekregen die hij in de koffie had gedaan. Andries had hem gevolgd tot aan het huis van mevrouw Bergsted. De verklaring werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0813 Op 22 december 1712 werd Jan Michelsz van Delft, een kok van het schip Huis der Boede, ontdekt. Toen hem werd gevraagd waarom hij daar was, vertelde hij dat hij in Batavia aan land was gegaan, vlak voor het vertrek van zijn schip. De dag daarna had hij met een Chinese boot zijn schip nog proberen in te halen tot voorbij Onrust, maar dat lukte niet. Hij verstopte zich om te ontsnappen aan de gebruikelijke straf van de kettingboei. Hij wilde weer aan boord komen bij Kaap de Goede Hoop, waar het schip op 20 november 1712 als bevoorradingsschip naartoe was vertrokken. Bij aankomst daar zou met de leiding van het schip overlegd worden wat er moest gebeuren. Dit verslag is door secretaris J. Mars ondertekend en door secretaris Sibault goedgekeurd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0825 De beschuldigde verklaart van zijn baas een aantal blauwe pakketjes gekregen te hebben. Deze moest hij aan Trijntje geven samen met wat poedertjes en haartjes. Hij zegt niet te weten wat erin zat. Ook doodsbeenderen en kapok moest hij aan Trijntje geven. Ze moest dit aan haar werkgeefster toedienen in haar eten. Hij verklaart ook niet te weten wat er in het bier zat dat hij naar Trijn bracht in haar kraam. Later heeft hij dit aan Carel te drinken gegeven, in opdracht van zijn baas. Het bier was verdund. Er wordt hem gevraagd of hij op een avond in het donker een hand heeft begraven, in opdracht van zijn baas. Ook wordt gevraagd of hij die hand aan Trijntje heeft gegeven met de opdracht deze bij het hoofdeinde van haar werkgeefsters bed te begraven. Trijntje moest dan de middeltjes aan haar werkgeefster geven via eten en drinken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0800 Een vrouw (de aangeefster) verklaart dat een slaaf Flora haar lastig viel op een ongepaste manier. Toen ze dit aan haar moeder vertelde, verbood deze Mensink de toegang tot het huis. Mensink ontkende dit en beledigde haar moeder, dreigend dat ze geen half jaar meer zou leven. De moeder liet via dominee Leboucq Mensink verbieden nog in het huis te komen. Mensink schreef op 7 november 1707 een brief waarin hij spijt betuigde en zei dat hij dronken was geweest. De aangeefster vroeg daarna aan de heer d'Ableing om officieel van Mensink gescheiden te worden. D'Ableing adviseerde te wachten op de komst van de gouverneur. In januari 1708 kocht haar moeder een huis. Mensink stuurde op 10 januari 1708 een brief om hen te feliciteren met het nieuwe jaar en het huis. Hij vroeg om vergeving, verwijzend naar Isabella en Urbanus. In februari 1708 overleed de moeder van de aangeefster. Mensink betuigde zijn medeleven, zowel mondeling als schriftelijk. Drie dagen na het overlijden verdween een jonge Cupido, die later met een Engelsman zou zijn meegegaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0719 Willem Tensink bedreigde zijn vrouw en zei dat niemand haar kon helpen. Hij zou haar laten afranselen door een zwarte jongen tenzij ze zou vertrekken. Hij sloeg haar daarna met een zweep. Bij de Kaad zette hij een degen op haar borst omdat ze niet alleen naar de brouwerij wilde gaan uit angst voor onheil.
De vrouw vluchtte naar haar moeder en verklaarde dat ze pas weer met hem samen zou leven als hij beter gedrag zou vertonen. Ze ontdekte dat Tensink vaak contact had met het slavinnetje van haar moeder, waardoor hij alles wist wat er in haar moeders huis gebeurde. Hij keek niet meer naar zijn vrouw om.
Op een avond vermoedde de vrouw dat Tensink op zolder was. Ze liet het slavinnetje Willemijntje met een kaars naar boven gaan, waar ze hem vonden verstopt onder twee manden in een Japanse jas. Toen de vrouw hem wilde benaderen, werd ze weggeduwd. Ze vluchtte naar beneden naar haar moeders kamer, waarop Tensink via de voordeur ontsnapte.
Willemijntje bekende daarna dat ze al een tijd een seksuele relatie met Tensink had. Ze beloofde hem de volgende dag te laten komen zodat hij gepakt kon worden, maar dit gebeurde niet.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0717 Trijntje had iemand gewaarschuwd dat Mensink vaak rond het huis liep of zijn jongens stuurde om te vragen waarom ze niet bij hem kwam. Trijntje had geantwoord dat Mensink zelf maar moest komen, wat hij die avond ook deed. Hij vroeg haar waarom ze niet meer langskwam en of dat kwam door haar jonge heer (haar broer). Ze antwoordde dat het zijn eigen schuld was omdat hij zo lang weg was gebleven. Ook vertelde ze dat haar mevrouw haar nu op zolder opsloot om te slapen.
Mensink vroeg om de sleutel van de zolder, maar die had Trijntje niet omdat haar mevrouw die zelf bewaarde. Ze stelde voor dat hij zich in de voorkamer zou laten opsluiten zodat ze elkaar konden ontmoeten. Die avond namen ze afscheid met omhelzingen en kussen. De volgende dag waarschuwde hij dat hij tussen 10 en 11 uur zou komen, als ze het huis afsloot. Hij kwam binnen op pantoffels, in een Japanse rok en met een rode doek om zijn hoofd, en ging naar de grote kamer. Omdat de ramen nog open waren en het licht nog aan was, werd Mensink boos. Hij vluchtte kort daarna weg door de voordeur met één pantoffel aan, waarna de meid hem de andere pantoffel door het raam toegooide.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0725 Mensink stelde voor om de slavin Susanna te verkopen. Toen zijn vrouw hem daarop aansprak, herinnerde ze hem eraan dat zijn vader de slavin voor zijn dochtertje had gekocht. Het kind woonde toen bij oud-burgerraad Henning Husing. Mensink wilde daar niet naar luisteren. Ondanks alle beloften en eden kon Mensink zijn goddeloze leven niet opgeven. Zijn vrouw merkte zijn wangedrag steeds meer op. Op een dag ging hij bij haar zitten en maakte een document dat hij met zijn bloed ondertekende bij de brouwerij op 29 oktober 1702. Later, toen ze bij zijn moeder waren, vroeg Mensink spottend aan zijn moeder of er ook overspelplegers in haar familie waren. Zijn moeder antwoordde dat een man wel genoeg had aan één of twee vrouwen, en dat hij er een derde bij kon nemen. Ze vervolgde dat als het waar was dat de slavin Susanna was verkocht, ze haar schoondochter zou blijven plagen tot ze zou vertrekken. Op een zondag, toen zijn vrouw net van het Avondmaal kwam, gooide Mensink alles wat binnen handbereik was naar haar hoofd. Dit deed hij alleen door het opstoken van zijn moeder. Toen de vader van zijn vrouw was overleden en nog boven aarde stond, behandelde Mensink haar direct onredelijk en sleepte haar aan haar haren over de grond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0716 Een vrouw getuigt dat ze wakker werd en ontdekte dat haar man Mensink naast haar in bed lag met hun slavin Susanne. Toen ze deze Susanne bij haar haar vastgreep, ontsnapte de slavin maar liet haar hoofddoek achter. Mensink gaf zijn vrouw geen antwoord toen ze hem hierover aansprak. De volgende ochtend deed Mensink alsof hij gek was geworden door stoelen in een driehoek te zetten en op de grond te gaan zitten kwijlen. Zijn vrouw kreeg medelijden en probeerde hem te troosten. Toen bekende hij dat hij sinds de dood van zijn vorige vrouw een relatie had met Susanne. Hij beloofde zijn vrouw onder ede dat hij nooit meer iets met slavinnen zou beginnen. Later reden ze samen van de brouwerij naar de Kaap. Daar vroeg hij zijn vrouw om een paar dagen bij zijn moeder te blijven. Nadat zijn moeder hem saffraan en specerijen had gegeven, vertrok hij weer onder het voorwendsel dat hij iets was vergeten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0714 Een vrouw werd ondervraagd over een kind dat hard had geschreeuwd. Het kind lag naakt op een trap. Een vrouw (mogelijk haar werkgeefster) heeft het kind gekleed en saffraan gegeven. De ondervraagde vrouw heeft vervolgens het saffraanflesje weggegooid in een kleine fles die in een kastje stond. Het kastje werd geopend met hulp van een ijzer dat door gevangene Gerrit was gegeven.
De vrouw heeft daarna haar werkgeefster op verschillende manieren schade toegebracht:
Mentsink was blij als zij kwaad deed, maar ontevreden als ze het niet deed. Gevangene Gerrit had haar ook een doekje met mensenhaar gebracht, dat ze in kool had gestoofd en door haar werkgeefster had laten eten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0674 De dienstmeid vertelde dat ze het kind aan haar werkgever had laten zien. Toen haar gevraagd werd wat haar werkgeefster over het kind zei, antwoordde ze dat volgens haar werkgeefster het een 'half slag kind' was. Menssink reageerde daarop dat haar werkgeefster loog zolang ze geen getuigen had. Bij zijn vertrek gaf Menssink haar 4 schellingen en beloofde de volgende dag een fles bier te sturen.
De volgende dag bracht de derde verdachte Gerrit een fles bier en wat kapok, met de opdracht dit in het eten van haar werkgeefster te doen. Ze deed de kapok in spinazie en gebak, wat haar werkgeefster vervolgens at. Nadat ze de fles bier had opgedronken, ontwikkelde ze een grote haat tegen haar werkgeefster en het kind. Ongeveer 3 weken na haar verlof kleedde ze het kind uit, gooide het naakt op de grond en liet het in de tocht bij de deur liggen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0673 De dienstmeid werd wakker door lawaai op zolder. Ze zag dat Menssink via het raam wegklom. Dit was de laatste keer dat Menssink bij haar op zolder kwam. Menssink had haar twee bundeltjes met blauw linnen gegeven, gevuld met poeder en haar. Ze moest dit aan haar mevrouw geven. Haar mevrouw haalde deze bundeltjes de volgende ochtend uit haar mouwen en toonde ze aan het gerecht.
De dienstmeid raakte zwanger van Menssink. Na 9 maanden kreeg ze een jongetje, een halfbloedkind. Drie dagen na de bevalling kwam Menssink rond middernacht naar het raam van haar kamer. Ze stak een kaars aan en opende het raam voor hem.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0672 De gevangene vertelt dat een vrouw in de gevangenis (tronk) werd gezet door haar mevrouw. Terwijl ze vast zat bracht Gerrit haar tabak en peperkoek. Gerrit vertelde haar dat zijn baas had gezegd dat zelfs als haar mevrouw haar zou verkopen, hij haar weer zou kopen. Toen Gerrit voor de derde keer met haar wilde spreken in de gevangenis, werd dit tegengehouden door beul Coopman. De gevangene werd vrijgelaten na de belofte dat ze haar mevrouw zou waarschuwen wanneer Menssink weer langs zou komen. Ze ging daarna weer op zolder slapen. Ongeveer 2 weken later kwam Menssink via een ladder door het raam naar binnen op de zolder. Menssink wilde weer naar buiten gaan via een kelder, maar deze begon te kraken, net als de ketting die de gevangene droeg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0671
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0669 De getuige vertelt dat ze een bundeltje werk heeft gekregen met wit en geel poeder erop. Er werd haar verteld dit aan het voeteneind van het bed van haar mevrouw te leggen als deze sliep. Ze zegt dat dit eerder ook al was gebeurd. Ze volgde hierin de orders van Mentsink. Mentsink kwam daarop rond 1 uur 's nachts door een raam naar binnen dat zij had opengemaakt. Hij klom eerst op een stoel en kwam toen op de vloer. Dit gebeurde ongeveer een jaar lang in die kamer bij het bed van de mevrouw. Wanneer Mentsink 's nachts wilde langskomen, werd zij gewaarschuwd door zijn knechten Gerrit en Isacq. Later werd haar mevrouw boos op haar en een andere slavin Flora omdat ze 's nachts te veel lawaai maakten. Ze moesten toen ergens anders slapen:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0668 De verdachte bekent dat toen de knecht haar kwam halen omdat zijn baas haar riep, ze heeft gezegd dat ze niet kon komen. Ze zegt dat ze dit antwoord gaf omdat ze niet wilde dat broeder Menssink wist dat Fredrik haar eerder had betrapt bij het zijpoortje van Menssink's terrein. Kort na het vertrek van de jongen kwam Menssink zelf bij haar raam. Hij zei dat hij over de muur zou klimmen omdat zij niet naar buiten kon komen. Ze stemde hiermee in en beloofde naar hem toe te komen zodra haar mevrouw in slaap was. Die avond rond 11 uur hebben ze elkaar ontmoet en gemeenschap gehad. Dit gebeurde meerdere keren op dezelfde plek. Menssink stelde een keer voor om bij haar in huis te slapen, maar ze zei dat dit niet kon omdat ze in dezelfde kamer en voor het bed van haar mevrouw sliep.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0667 De slaaf van Voorn, Medssink (ook wel de 4e verdachte Jsacq genoemd) riep een vrouwelijke verdachte om naar het huis van zijn baas te komen. Ze ging daar naartoe, waar Menssink tegen haar zei dat hij bij haar zou blijven zonder dat haar mevrouw of Fredrik het zou weten. Ze stemde hiermee in, waarna Menssink gemeenschap met haar had. Daarna gaf hij haar 4 dubbeltjes en een glas bier, waarna ze terugging naar het huis van haar mevrouw.
Later werd ze meerdere keren door de jongens van Menssink (Jsacq en Gerrit) geroepen om bij hun baas te komen. Als ze de gelegenheid had, ging ze daar naartoe. Deze ontmoetingen duurden ongeveer 2 maanden. Omdat ze niet altijd weg kon uit haar werk bij haar mevrouw, kwam de jongen van Menssink op een avond naar het raam van de grote kamer van haar mevrouws woning.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0666 De rechters denken dat de verdachte schuldig is aan misdaden, omdat er veel aanwijzingen tegen hem zijn. Om er helemaal zeker van te zijn dat ze een eerlijk vonnis kunnen uitspreken, willen ze eerst nog een bekentenis van de verdachte horen. Ze vinden dat deze misdadiger, die ze ook een bandiet noemen, strenger verhoord moet worden. De aanklager vraagt daarom in een tussenvonnis om toestemming voor een scherper verhoor van de verdachte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0662 van der Putten beveelt om de volledige martelingen uit te voeren volgens plaatselijk gebruik. De rechterlijke uitspraak wordt bekrachtigd door Dibault Marets op 22 december 1712.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0663 Trijntje van Madagascar, ongeveer 25 jaar oud, en Carel van Bengalen, 16 jaar oud, waren slaven van mevrouw Elisabeth Cingelbach. Gerrit van Tutucorijn, tussen 46 en 50 jaar oud, en Isaac van Malulipatnam, ongeveer 30 jaar oud, waren slaven van de weduwe Rutgert en bierbrouwer Willem Menssink. Ze hebben vrijwillig aan de rechtbank bekend dat Trijntje ongeveer 4 jaar geleden door haar mevrouw was gekocht. 2 dagen nadat ze bij haar mevrouw was komen wonen, stond ze 's avonds tussen 10 en 11 uur op de hoek van de straat. Daar sprak bierbrouwer Willem Menssink haar aan en vroeg of ze bij hem wilde komen. Ze antwoordde dat ze al een relatie had met de jonge Frederik. Menssink ging toen weg zonder nog iets te zeggen. De volgende avond om 9 uur kwam hij naar het huis van haar mevrouw.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0665 Uit deze tekst blijkt dat de verdachte samen met Flampi hoofdverantwoordelijk was voor een ernstig misdrijf waar meerdere slaafgemaakten bij betrokken waren. De verdachte probeerde de beschuldigingen tegen hem te ontkennen zodra hij merkte dat ze belastend waren. Dit deed hij door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0661 Er is een rechtszaak geweest over wapens en kogels. Santrij heeft provisie en goederen opgeslagen tot de dag van de vlucht. Hij heeft tegen Paris en Poasse gezegd dat hij ze naar het Kafferland zou brengen. Hiervoor had hij de bergen verkend. Santrij heeft samen met Lampi en anderen de provisie naar Constantia vervoerd. Santrij was ook betrokken bij het regelen van buskruit. Hij heeft geholpen met het maken van kogels van lood. Alle provisie en munitie werden in een huisje bewaard. Santrij liet zijn medeplichtigen binnen en deed daarna de deur van buitenaf dicht. De deur werd ook met een hangslot vastgemaakt. In het huisje werden de volgende wapens gevonden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0660 De beschuldigde vrouw werd tweemaal door de dienstmeid binnen gelaten. Ze verstopte zich in de grote kamer onder de bedstee. Later gaf haar mevrouw opdracht om op zolder te slapen. Mentsink kwam na waarschuwing van zijn knechten via het venster naar haar op zolder, waar ze gemeenschap hadden. Toen zij hem vroeg hoe hij boven was gekomen, zei hij dat zijn slaven Isaac en Gerrit een ladder tegen de muur hadden gezet. Deze relatie duurde enige tijd. Ze had haar mevrouw beloofd haar te waarschuwen als Mentsink weer zou komen, maar in plaats daarvan probeerde ze 's nachts weg te lopen op aandringen van Mentsink. Ze pakte wat spullen in en gooide deze over de muur.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0670 De gevangene vertelde dat zijn juffrouw 5 tot 6 dagen ziek was geweest met buikpijn. Gerrit had zich toen omgedraaid en gooide het bier weg omdat hij het niet vertrouwde. Op zaterdag 12 november werd de gevangene door Gerrit bij de waterpomp geroepen. Ze gingen samen naar het huis van Wenscink, waar Bernt hem een glas bier gaf. Na het drinken van dat bier gaf hij bloed over.
Later kwam de gevangene bij het huis van Menssink. De moeder van Menssink zei dat ze het raam voor het huis van zijn juffrouw open moest laten. Dan zouden drie metselaars, die bij haar bier aan het drinken waren, naar binnen kunnen gaan. Toen de gevangene later aan de weduwe Menssink vertelde dat zijn juffrouw erg ziek was, werd ze blij en gaf hem een glas bier. Na het drinken van dit bier kreeg hij over zijn hele lichaam en in zijn hoofd veel pijn en krampen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10997 / 0680 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/