Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De slavin Diana verklaarde dat de beschuldigde een vreemd gesprek had met zijn meester. Toen de beschuldigde niet wilde gaan slapen, zocht hij naar zijn grote keukenmes op de schoorsteenmantel. Hij zei dat hij het daar had verstopt en vroeg wie het had weggenomen. Toen hij dat mes niet kon vinden, pakte hij een ander mes dat op tafel lag en stopte dat in zijn broekzak.
Hij ging naar voren, waarop Diana via de keuken naar buiten ging om haar meester te waarschuwen. Ze zag de beschuldigde terugkomen en ging toen weer naar de keuken waar ze op een tafel ging zitten. Ze zag de beschuldigde meerdere keren heen en weer lopen tussen de galerij en het voorhuis. Hij kwam terug in de keuken, haalde het mes uit zijn zak en zei "nu is het tijd, er mag van komen wat er van wil". Hij liep met het mes op haar af, waarop zij met haar twee kinderen en de andere slavin Candasa uit de keuken vluchtten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 1374 De slavin Lijsbeth heeft eerder een valse bekentenis afgelegd waarin ze beweerde dat ze wit linnen van een matroos had gekocht. Bij een nieuwe ondervraging heeft ze dit ingetrokken. Ze bekende toen dat ze 4 stukken wit linnen en 6 stukken rood dubbelsteens goed had gekregen van de verdachte, met wie ze enige tijd een relatie had. De verdachte had tegen haar gezegd dat hij die goederen van matrozen had gekocht.
Lijsbeth en de verdachte hadden ook gesproken over diefstallen uit het houtmagazijn en de tuin van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. De verdachte reageerde hierop door te zeggen dat het zwarte volk dat gedaan moest hebben.
De aanklager vermoedt dat Lijsbeth niet eerlijk is geweest. Als er niets te verbergen was, had ze niet zoveel leugens hoeven te vertellen. Ze had direct kunnen zeggen dat ze het linnen van de verdachte had gekregen als zijn minnares. In plaats daarvan zweeg ze hierover totdat ze hoorde dat de verdachte het al had bekend. De aanklager denkt dat Lijsbeth waarschijnlijk op de hoogte was van alle diefstallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0532 Op zondag ontving Lijsbeth van de Caab, slavin van boekhouder Manthinus Heems, rond 10 uur bezoek van een onbekende matroos. Lijsbeth was op dat moment alleen thuis omdat haar meester en meesteres in de kerk waren bij het Kasteel de Goede Hoop. De matroos bood linnen te koop aan in stukken van 50 en 12 el. Ze sprak met hem af dat hij voor het einde van de kerkdienst zou terugkomen. Hij kwam pas 's middags terug en verkocht haar twee stukken linnen van 12 el voor 14 schelling per stuk. Hij beloofde ook linnen van 50 el te brengen, maar deed dit niet. De volgende dag zag haar meesteres de twee stukken linnen op een tafel in de keuken liggen. Toen ze vroeg wat voor linnen het was, vertelde Lijsbeth dat ze het van een matroos had gekocht die ook stukken van 50 el zou hebben.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0547 De vrouw verkocht later het linnen aan een andere slavin voor 2 muntstukken per stuk. Dit blijkt uit haar bekentenis (document A). De aanklager moest hier eerst genoegen mee nemen, maar hield haar toch nog vast om meer bewijs te kunnen verzamelen. Toen het nieuws over de gevangenneming van deze slavin zich in Kaap verspreidde, kwamen er meer details naar boven. Het linnen bleek hetzelfde soort te zijn als wat uit het houtmagazijn van de Compagnie was gestolen. Dit zorgde ervoor dat mensen naar de aanklager gingen om te melden dat zij soortgelijk linnen hadden gekocht van een soldaat genaamd Jan Christiaan Smit. De aanklager liet deze soldaat opsporen en ondervragen door commissarissen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0526 Het gaat over een voorval in het Kasteel de Goede Hoop op 9 februari 1739. De slaaf Hoemar kwam verward de kamer binnen en sloot de deur. De huisvrouw sprong uit angst met haar kleine zus door het raam naar de werf. Bij het voorval brak een geweer op de grond. De verteller sprong door het raam naar binnen en bond met hulp van 2 jongens de slaaf Hoemar vast. Op de grond lag een schaar, waarmee Hoemar zichzelf waarschijnlijk in zijn buik had verwond. Een slavin genaamd Malata was door Hoemar licht in haar hals verwond op 2 plaatsen. De verklaring werd afgelegd op het gerechtsgebouw in aanwezigheid van klerken Adriaan Van Schoor en Hendrik Emanuel Blanckenberg als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0752 Deze strafzaak gaat over soldaat Michiel Herda en enkele gestolen zakken met linnen. Herda heeft tijdens zijn nachtwachtdiensten in totaal 3 zakken met linnen uit het houthok gestolen en naar huis gebracht. Een slavin genaamd Lijsbeth, die voor boekhouder Marthinus Heems werkte, zou hebben gezegd dat het jammer was dat het geen 100 stuks waren maar slechts 99.
De ondervraging vond plaats in de gevangenis, in aanwezigheid van:
Herda heeft het gestolen linnen later in Kaap verkocht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0621 De huisslaven bespraken onderling de slechte kwaliteit van het linnen (stof) dat van een zeeman was gekocht voor 50 gulden. Ze vonden het niet geschikt voor gebruik. Een slavin genaamd Galathe kwam langs om te vragen naar te koop aangeboden linnen, nadat ze dit had gehoord van een andere slavin genaamd Jaconijntje. De slavin vertelde Galathe dat ze inderdaad twee stukken linnen wilde verkopen die ze van een matroos had gekocht omdat ze er niets aan had. Nadat Galathe één stuk had laten zien aan haar meesteres (mevrouw Heijning), kocht ze beide stukken voor 4 rijksdaalders. Dit gebeurde bij Kaap de Goede Hoop op 21 februari.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0548 Het blijkt uit de antwoorden op vraag 6 dat de derde verdachte wist van de diefstal. Toen soldaat Michiel Herda hem vroeg om samen linnengoed te stelen uit een houten hok waar Herda al eerder had gestolen, vertelde Herda hem dat bij zijn eerste diefstal een slavin genaamd Lijsbet van de Kaap, die bij boekhouder Marthinus Heems werkte en met wie Herda een relatie had, had gezegd: "99 stukken linnen is een arme diefstal, jammer dat het geen 100 stukken zijn."
Uit dit alles blijkt dat alle drie de verdachten schuldig zijn aan de genoemde misdaad. Nu moet worden bepaald welke straf ze volgens het recht en de gebruiken van het land verdienen.
Volgens de wetten is de straf voor enkelvoudige diefstal:
Deze straf kan echter veranderen in de doodstraf, afhankelijk van de persoon, plaats, tijd en manier waarop de diefstal is gepleegd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0605 De slaaf Leander uit Bengalen verklaarde dat er ruzies waren met buren, maar hij wist niet precies wat er aan de hand was. De huishoudster Elisabeth, die werkte voor boekhouder Martinus Heems, kwam vaak overdag en 's avonds in het huis. Soms bleef ze daar ook slapen. Leander wist niet of ze spullen meenam uit het huis.
Deze verklaring werd afgelegd op 9 maart 1739 in Kaap de Goede Hoop voor de raadsleden J. Moller en Corn. Eelders. Later werd de verklaring voorgelezen aan Leander, in aanwezigheid van de soldaten Michael Herda en Jan Christiaan Smith. Leander bevestigde toen dat alles klopte en dat er niets aan toegevoegd of verwijderd hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0576 De slaaf had een mes weggestopt op de schoorsteenmantel in de keuken. Een andere slavin genaamd Anna had dit mes al weggehaald omdat ze voorzichtig was. De slaaf ging met een mes in zijn hand van de keuken naar de voorkamer. Mensen smeekten hem om rustig te worden en te gaan slapen nadat hij ruzie had gehad met zijn eigenaar. In plaats daarvan bleef hij heen en weer lopen bij de kamerdeur waar zijn eigenaar C P zat te eten. Hij zei dat hij op zijn eigenaar wilde passen, iets wat hij normaal nooit deed. Hieruit blijkt dat hij zich bewapend had verzet en misschien wel vaker dit soort dreigementen met een mes had gedaan. Zijn eigenaar P vluchtte uiteindelijk door het raam van de kamer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 1375 Als een slaaf zijn meester aanviel, met of zonder wapen, zou hij volgens de wet zonder genade ter dood veroordeeld worden. Deze straf mocht echter niet door de eigenaren zelf worden uitgevoerd, maar alleen door bevoegde rechters. De enige uitzondering was als een eigenaar geen andere uitweg zag dan zichzelf te verdedigen tegen een aanval. In zo'n geval moest hij dit wel direct melden. In dit specifieke geval blijkt uit een brief aan de Wit dat de eigenaar de slaaf wilde straffen voor ongehoorzaamheid, waarop de slaaf hem bij de keel greep en probeerde te vermoorden. Daarom was de eigenaar gedwongen om in te grijpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0191 Op 12 februari 1739 verscheen voor Josephus de Grandpree, gezagsdrager van de rechtbank van het Kasteel de Goede Hoop, in aanwezigheid van getuigen, de burger Stephanus Grove. Hij verklaarde op verzoek van landdrost Pieter Lourensz het volgende:
Enkele dagen geleden had hij op zijn vaders boerderij bij het Ronde bosje gesproken met een slaaf genaamd Hoemar. Deze slaaf werkte op de boerderij van zijn zwager bij Riebeeks Kasteel. Hoemar had daar twee zussen van Grove en een slavin aangevallen. De slavin raakte gewond. Hoemar werd gearresteerd en naar het kasteel gebracht.
Toen Grove hem vroeg waarom hij dit had gedaan, antwoordde Hoemar dat als hij een mes had kunnen vinden, hij hen had vermoord en daarna zichzelf. Hij zei ook dat kleine duivels hem hadden opgejaagd. Grove verklaarde dat Hoemar zich bij zijn vader altijd stil en eenzaam had gedragen en dat hij nooit had gemerkt dat de slaaf geestelijk gestoord was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0763 De openbare aanklager Johannes Needer heeft op 16 en 23 april een aanklacht ingediend bij de president Rijk Tulbagh en de Raad van Justitie van het bestuur. De aanklacht was tegen drie gevangenen:
De twee soldaten werden aangeklaagd voor inbraak en diefstal. Lijsbet werd aangeklaagd voor het verhelen van gestolen goederen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0599 Na inspectie van het lege pak nummer 863 heeft de aanklager samen met afgevaardigden van de raad dit onderzocht en hierover een schriftelijk rapport ingediend bij de gezaghebber. Ondanks veel moeite lukte het eerst niet om de dader van deze inbraak en diefstal te vinden. Later bleek dat een slavin genaamd Lijsbeth, eigendom van boekhouder Martinus Heems, het gestolen linnen had verkocht aan slaven van andere mensen. De slavin werd opgepakt en verhoord door de afgevaardigden. Ze gaf een uitgebreide maar onware verklaring, waarin ze beweerde dat ze het linnen had gekocht van een onbekende matroos die op een zondag bij haar langs was gekomen om het te verkopen voor 14 schellingen per stuk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0525 De slaaf Cato vertelt dat hij halverwege april samen met de slaaf Julij en slavin Sietje was weggelopen van de plaats van hun eigenaar. De reden hiervoor was dat Sietje een hemd van haar mevrouw had gestolen. Cato had geholpen met het wassen van dit hemd en toen hun mevrouw hierachter kwam, waren ze bang voor straf. Samen met Julij, die al een tijd een relatie had met Sietje, vluchtten ze naar het gebergte. Cato ging soms naar beneden.
Er was ook een vermoorde slaaf, die alleen in een tuin sliep. Omdat de moord was gepleegd nadat de drie slaven waren weggelopen, werden zij verdacht. Door hun verwondingen konden ze eerst niet ondervraagd worden. Toen ze weer konden praten, werden ze verhoord door de Raad van Justitie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0856 De slaven Cato, Sietje en Julij hadden groente gestolen uit de tuin van burger Harmanus Smiets. Ze brachten deze groente naar het gebergte waar ze deze samen hebben opgegeten. Toen ze zagen dat er houthakkers aankwamen werden ze bang dat ze ontdekt zouden worden. Volgens Cato vroegen Sietje en Julij hem om hen te doden. Hij nam zijn mes en verwondde Sietje en Julij. Daarna probeerde hij zichzelf de keel door te snijden. Sietje vertelt een andere versie. Cato zou hebben gezegd dat ze beter samen konden sterven dan gevangen worden genomen. Sietje stemde in maar vroeg om niet van voren verwond te worden omdat ze bang was. Daarna verwondde Cato eerst haar, toen Julij en tenslotte zichzelf. Julij vertelt dat de houthakkers hem hadden gevraagd of hij iets wist van een moord in de tuin van burger Thieleman. Hij antwoordde dat hij daar niets van wist.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11014 / 0857 Een groep moordenaars zwierf rond met stroperij als doel. Ze kwamen terecht bij de landgoed van een landheer in de Tijgerbergen. De verdachte werkte daar als veehoeder. Hij kwam de groep tegen toen hij met het vee in het veld was, boven het landgoed in de bergen. De groep verbleef daar enkele dagen. De verdachte sprak meerdere keren met hen, vooral met zijn voormalige medeslaaf Alexander en Fortuijn, die eigendom waren van oud-raadslid Johannes Kruijwaagen. Deze twee waren de leiders van de groep. De verdachte gaf hen brood en dagga (cannabis). Hij zou hen ook wijn hebben gegeven als hij die had kunnen krijgen. Uiteindelijk vertelde de verdachte de groep moordenaars dat ze 's avonds van de berg af moesten komen naar het landgoed. Hij wilde hen de kans geven zijn landheer en diens hele familie te vermoorden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0213 Op de rechtbank werden 12 mensen aangeklaagd voor gewelddadige moord, roof en andere ernstige misdaden. Ze werden ter dood veroordeeld en daarna terechtgesteld. Een van de verdachten bleek contact te hebben gehad met een groep weggelopen slaven die zich in de bergen schuilhielden. 3 van zijn eigen slaven waren daar ook bij: Alaader, Thomas en Lodewijk. Deze slaven waren eerder weggelopen van zijn grond en hadden zich aangesloten bij andere weggelopen slaven van de weduwe van Rooijen en oud-raadslid Johannes Cruijwaagen. Deze groep weglopers is later in de Slangehoek naar de boerderij van landbouwer Hercules du Pree gegaan. Daar hebben ze du Pree, zijn oudste dochter en de aanwezige landbouwer Louis Swart vermoord.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0212 De ondernemer Johannes Needer, die tijdelijk de functie van fiscaal uitvoerde, diende op 8 december een rechtszaak in bij rechtbankpresident Hendrik Swellengrebel en de raad van justitie. De zaak was gericht tegen de slaaf Fortuijn van Rio de Lagoa, die eigendom was van de boer Andries Hesselbaart. Fortuijn was gevangen genomen en werd beschuldigd van:
Om deze redenen wilde men hem onder verhoor nemen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0211 De getuige gaf aan dat de beschuldigden wel aangekomen waren maar dat ze niet gewaarschuwd waren dat ze bij zonsondergang met z'n allen van het gebergte moesten afdalen. Dit had moeten gebeuren om de moord uit te kunnen voeren. Die avond waren ze allemaal met wapens het huis binnengevallen. Dit is vastgelegd in de gevangenis of kamer van de verdachte, in aanwezigheid van:
Deze heren waren allen lid van de raad en hebben het document ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0209 Antonio is ondervraagd over uitspraken naar een meisje. Hij heeft gezegd dat 'de baas zijn hoofd niet gek moet maken' en dat hij wel wist wat hij zou doen. Dit leek een dreigement om zijn meester te vermoorden.
Antonio zegt dat Alexander brood van andere slaven en uit zijn knapzak heeft gestolen. Alexander zou gezegd hebben dat hij zou terugkomen om eten te zoeken. Hij kwam gewapend met andere slaven twee keer terug met brood. Ze maakten plannen om de meester en zijn kinderen te vermoorden.
Er werd onduidelijk gesproken over wie van de familie ze precies wilden vermoorden - de meester of zijn dochter.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0208 Op 26 september 1738 verscheen de slaaf Fortuijn van Rio de Lagoa voor de Raad van Justitie in het Kasteel van de Goede Hoop. De slaaf, die eigendom was van landbouwer Andries Hesselbaart, werd in de martelkamer 3 keer ondervraagd. Dit gebeurde nadat zijn medeslavenslaven Alexander, Thomas en Lodewijk waren weggelopen van de boerderij. Er werd hem gevraagd of hij tegen de dienstmeid Magteld had gezegd dat het hem speet dat zijn mevrouw en haar zoon vermoord zouden worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0207 De scherprechter (beul) moest de veroordeelde op de gewone executieplaats in Leeuwarden ter dood brengen door middel van ophanging. Daarna moest het dode lichaam buiten de stad worden opgehangen en daar blijven tot het door vogels en het weer verteerd was. De betaling van de rechtszaak moest ook worden voldaan. Zo stond in de akte getekend door I.S. Needer op 16 oktober 1738, bevestigd door E.A. de Grandpreez.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0205 De officier van justitie Johannes Needer heeft een rechtszaak aangespannen tegen Sabiel, een lijfeigene uit Malabar. Sabiel was voorheen eigendom van de vermoorde boer Hercules Du Preez. Hij wordt beschuldigd van samenwerking met een groep gewapende weggelopen slaven. De aanklacht is overhandigd aan de raad onder leiding van president Hendrik Swellengrebel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0247 Het gaat over een rechtszaak waarbij marteling (pijnigen) werd gebruikt. Er waren 3 soorten marteling:
Als iemand na de volledige marteling bleef ontkennen, werd dit gezien als koppigheid. De ontkenning kon dan niet meer als bewijs van onschuld dienen. De beschuldigde hoefde dan niet opnieuw gemarteld te worden, maar kon wel gestraft worden. Andere rechtsgeleerden waren het hier ook mee eens. De aanklager eiste dat de gevangene definitief veroordeeld zou worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11013B / 0204 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/