Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Gagie van Tranquebaar, een slaaf van kapitein Rudolff Sigfried Alleman, was op 5 januari rond 9 uur thuisgekomen bij zijn eigenaar. Rond half 11, terwijl hij aan het eten was in het voorportaal op een kist met een slavin genaamd Leijs uit Batavia, kwam zijn medeslaaf Galant van Bazij bij hem. Galant had volgens Gagie een verhouding met Leijs. Galant treiterde Gagie door in zijn gezicht te spugen. Gagie had dit gedrag al 4 jaar van Galant moeten verdragen, terwijl hij al 12 jaar als man en vrouw met deze slaaf had samengeleefd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0039  


De slaaf Pagie van Francquebaar heeft tijdens het eten zijn mes gepakt en daarmee een andere slaaf, Leijs, twee keer gestoken - één keer van voren en één keer van achteren. Leijs viel daarna voor de kombuis op de grond en zei dat als ze haar hoofd niet zo had laten zien, dit niet was gebeurd. Nadat Pagie het mes weer op de kist had gelegd, werd hij gearresteerd en aan justitie overgedragen. Dit werd vastgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 6 januari 1744, voor de raadsleden Decker en Van Kerkhoff. De verklaring werd ondertekend door de raadsleden, Pagie zelf en de secretaris. Later verklaarde Pagie voor de Raad van Justitie dat deze bekentenis hem woord voor woord was voorgelezen en dat hij erbij bleef.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0028  


Op 12 november 1710 was er een incident met twee slaven. Om 8 uur 's ochtends had de slaaf Augustus tegen een slavin genaamd Aurora gezegd dat zij een lammetje moest slachten. Dit lammetje was door de wolf gedood in de kraal. De beklaagde antwoordde hierop dat de vrouw niets van slachten wist en dat de baas haar maar moest commanderen. Augustus reageerde door te zeggen dat zij wel andere slechte dingen kon doen, maar geen lammetje kon slachten. Daarna ging de beklaagde samen met de slaaf Januari kijken of het paard van zijn meester nog voer had, terwijl Augustus onder toezicht van zijn meester stond. Vervolgens gingen ze naar het erwtenland.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1239  


Op 11 september 1744 legde Jan Tolle uit Leiden een verklaring af voor secretaris Jan Frederick Siemmendorf van de rechtbank van het kasteel. Jan Tolle werkte op de scheepswerf van de VOC. Hij verklaarde op verzoek van hoofdaanklager Pieter reede van Oudshoorn het volgende:

De vorige avond rond 6 uur ging hij met 5 of 6 collega's van de scheepswerf naar een huis waar een zwarte vrouw, een slavin, het huishouden deed. Dit huis lag bij de woning van de weduwe Courtilliacq. Ze gingen er koffie drinken. Na ongeveer 2,5 uur kwam er ook een matroos binnen, van wie Jan Tolle de naam niet kon noemen, maar die werkte op een van de aanwezige handelsschepen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1199  


Op 11 september 1744 legde Jan Tolle uit Leiden een verklaring af voor secretaris Jan Frederick Iemmendorf van de rechtbank van het kasteel. Tolle werkte op de scheepswerf van de Oost-Indische Compagnie. Hij verklaarde dit op verzoek van hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn.

Op een avond rond 6 uur ging Tolle met 5 of 6 collega's van de scheepswerf naar het huis van een oude zwarte slavin. Dit huis lag bij de woning van de weduwe Courtilliacq. Ze gingen daar koffie drinken. Na ongeveer 2,5 uur kwam er nog een matroos binnen, wiens naam Tolle niet kon noemen, maar die wel op de werf werkte.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1201  


De slavin Rosetta van Rio de la goa verscheen voor de rechtbank van Kaap de Goede Hoop. Haar eerder afgelegde verklaring werd haar voorgelezen op 18 september 1744. Ze bevestigde dat deze verklaring volledig correct was en wilde er niets aan toe- of afvoegen. De leden van de rechtbank waren Cornelis Eelders en Willem van Kerkhoff. Het document werd ondertekend door hen, door Rosetta en door secretaris Jan Ckemendorf. Het document werd later geverifieerd door H.D. Schoor.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1207  


De slaaf Fortuijn was op de grond met zijn meester en pakte een mes van de vensterbank. Hij ontkent dat hij zijn meester kwaad wilde doen, maar zegt dat hij zichzelf iets wilde aandoen.

Om meer duidelijkheid te krijgen in deze zaak heeft men een verklaring opgenomen van de slavin Lea. Haar verklaring komt grotendeels overeen met die van haar eigenaar, de burger Bernhardus van Biljon.

Uit geen van de verklaringen blijkt dat Fortuijn een poging heeft gedaan om zijn meester met het mes te steken. Ondanks verder onderzoek is er geen ander bewijs gevonden. Men vermoedt wel dat de slaaf kwade bedoelingen had tegenover zijn meester.

In het voordeel van Fortuijn spreekt dat slavin Lea in haar verklaring vermeldt dat hij, direct nadat hij was vastgebonden, tegen slavin Pachob zei dat hij het mes tegen zichzelf wilde gebruiken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0998  


De slaaf sprong van de kist op en zei dat hij niet wilde eten. Uit wanhoop pakte hij het mes waarmee hij aan het eten was. Hij stak een andere slaaf genaamd Leijs twee keer, één keer van voren en één keer van achteren. Leijs viel na deze steken voorin de kombuis op de grond en zei dat als ze haar hoofd niet zo had getoond, dit niet was gebeurd. De dader wilde daarna ook nog Sahant vermoorden, maar omdat die bij zijn kinderen in zijn kamer was, ging de dader weg. Hij dacht dat hij al genoeg had gedaan en legde het mes op de kist neer. Daarna werd hij door de wachtdienst gearresteerd en aan justitie overgedragen. Omdat dit een vreselijke misdaad was in een land waar justitie streng wordt gehandhaafd, moest hij als voorbeeld voor andere misdadigers worden gestraft. De Raad van Justitie van het kasteel zou hierover oordelen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0040  


De getuige zegt dat hij geen vrouw op straat heeft gezien en dat hij niet heeft gezien dat een soldaat haar heeft geslagen. De vrouw die bij het voorval betrokken zou zijn geweest was een slavin genaamd Rosetta. De getuige ging samen met een matroos genaamd Matthaus naar binnen. Het is onduidelijk wat er met de soldaat en andere matroos is gebeurd die probeerden te voorkomen dat er werd gevochten. Er wordt ook gesproken over een vrouw die de soldaat van achteren vastgreep om te voorkomen dat er werd gevochten, waarbij de jas van de soldaat scheurde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0138  


De slaaf Anthonij van Bengalen verklaarde dat hij Eijsleben nog een knipmes in zijn handen zag hebben toen hij over de werf liep. Eijsleben kon hiermee mogelijk nog schade aanrichten omdat de eerste gedaagde naar de buren was gereden. De gedaagden hebben dit mes later aan de vervanger van de aanklager gegeven. Wat betreft Eijsleben's onvermogen om te spreken, wat hem vaak verweten werd, zien de gedaagden dit als kwaadwilligheid. Alleen de slavin Maria van de Kaap verklaarde dat hij niet kon spreken. Haar verklaring wordt echter niet betrouwbaar geacht omdat een slaaf onder druk of dreigementen alles zal verklaren wat men wil horen. De soldaat Hesselbaart verklaarde daarentegen dat hij Eijsleben:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0732  


De hoofdwijnbelastinginner plaatste een jongen op wacht bij het huis van de vrijgemaakte slaaf Moses. Deze jongen zag een slavin genaamd Betje uit de loge met een fles wijn komen. De wachters namen de fles af en Betje vluchtte terug het huis in.

De hoofdwijnbelastinginner en zijn collega's haalden de gerechtsdienaar op. Samen gingen ze het huis van Moses binnen. Daar troffen ze verschillende ambachtslieden aan in een gehuurde kamer, waaronder:

De gerechtsdienaar vroeg wie er zo brutaal was om wijn per fles te verkopen en wees erop dat dit tegen de wet was. De beschuldigde reageerde brutaal en zei dat hij dit zou blijven doen en dat niemand hem kon tegenhouden.

Dit gedrag was volledig in strijd met de algemene wijnbelasting. Particulieren zonder vergunning mochten geen wijn in huis hebben zonder toestemmingsbrief, laat staan deze per fles verkopen of een drinkgelegenheid openen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0928  


De tekst gaat over het straffen van slaven in Nederlands-Indië. Een eigenaar mocht geen slaaf 2 of 3 keer achter elkaar straffen, ongeacht wie de eigenaar was. Als slaven iets stelen of hun eigenaren boos maken, is het beter om het straffen aan de politie over te laten. Het gebeurde vaak dat slaveneigenaren hun slaven voor kleine dingen straften, vooral als ze dronken thuiskwamen. Als er dan een ongeluk gebeurde, beweerden ze achteraf dat ze gek waren geworden of buiten zinnen waren en niet wisten wat ze deden. Dit deden ze om niet als dronkaard bekend te staan. Volgens de wetten van Nederlands-Indië mocht een eigenaar:

Als ze deze regels overtraden, konden ze hun eigendom over de slaaf verliezen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0990  


De verdediging beweert dat wat Eijsleben zou hebben gedaan - namelijk het duwen van zijn duim in haar keel en haar kreet dat hij haar vermoordde - niet waar is. Ze zegt zelf in haar verklaring dat ze riep: 'man kom help, man kom help'.

De verdediging ontkent ook dat Eijsleben's been gebroken was, en verwerpt de verklaring van de slavin Maria die zegt dit te hebben gemerkt toen ze hem op bevel van haar meester naar buiten sleepte. De verdediging gebruikt verklaringen van slaven soms wel en soms niet, afhankelijk van wat hen uitkomt. Het is bekend dat getuigen die normaal niet mogen getuigen, wel toegelaten worden als een zaak moeilijk te bewijzen is en er geen andere getuigen beschikbaar zijn, zoals beschreven door B. van Zutphen in zijn werk over getuigen.

De verdediging geeft toe dat Eijsleben's benen gekneusd waren. Als men dit combineert met het slaan met een rijststamper en de afgelegde verklaringen, moet men concluderen dat de verklaring van de slavin waarheid is. De bewering van de verdediging dat er geen dodelijke verwondingen waren is ongegrond.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0756  


De getuigenverklaringen van de soldaat Hesselbaart en burger Casper van Nos bevestigen dat Eijsleben voortdurend heeft gelegen. De echtgenote heeft het hoofd, de armen en benen van Eijsleben niet stuk geslagen, maar ze bekent wel dat zijn benen gekneusd waren. De dienstmeid Maria verklaart dat één been gebroken was. Eijsleben zelf schrijft in een brief dat hij niet kon opstaan door slagen op zijn benen en dat hij een hoofdwond had.

Over de brits waarop Eijsleben moest liggen, zegt de man dat er een zeil en kussen was. Zijn vrouw spreekt dit tegen en zegt dat er geen beddengoed was. Dit wordt bevestigd door:

Tot slot erkent de man dat hij zijn vrouw niet heeft tegengehouden in haar woede. Hij liet Eijsleben op het erf liggen omdat hij bang was dat deze hem zou aanvallen als hij buiten de kamer kwam.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0660  


Jan Loose beweert dat hij tegen zijn vrouw had gezegd dat wanneer Eijsleben 's avonds zou komen, ze hem moest wegsturen omdat er anders problemen zouden ontstaan. Dit wordt echter nergens anders bevestigd:

Over het incident zelf zijn er tegenstrijdige verklaringen:

Jan Loose beweert ook dat Eijsleben had gedreigd "Ik zal jou door jouw moer jagen" nadat zijn vrouw hem met een rijststamper sloeg. Dit wordt in geen enkele andere verklaring genoemd.

Jan Loose zegt dat Eijsleben na de slagen op zijn hurken zat, maar dit wordt tegengesproken door verschillende verklaringen. Eijsleben schrijft zelf in zijn brief dat hij niet kon opstaan door de slagen op zijn benen. De soldaat Hesselbaart bevestigt dit ook in zijn verklaring.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0659  


Anthonij van Bengalen, een slaaf van landbouwer Jan Loos, ongeveer 28 jaar oud, deed een verklaring op verzoek van landdrost Pieter Lourensz. Hij vertelde het volgende:

Op een zondagmorgen waren op de boerderij van zijn eigenaar aanwezig:

Jan Hes en zijn vrouw vertrokken die dag, net als Anthonij's eigenaar en diens vrouw, naar de boerderij van Pieter Groeneberg. Ze kwamen 's avonds weer terug. Eijsleben en de knecht van Joubert bleven tot maandagochtend.

Die ochtend hoorde Anthonij dat Eijsleben naar zijn paard vroeg, maar zag hem niet omdat hij in de koeienstal aan het melken was. 's Avonds, toen hij weer in de stal aan het melken was, kwam zijn mede-slavin Maria hem roepen in opdracht van zijn eigenaar. Toen hij naar het huis ging, zei zijn meester Jan Loos tegen hem: "Kijk, die kerel heeft mij willen vermoorden."

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0675  


Jan Loose had Christoffel Eijsleben volgens het verslag enkele vuistslagen in het gezicht gegeven en hem bij zijn haar van zijn vrouw losgetrokken. Zodra Eijsleben los was, ging hij naar binnen om een rijststamper te halen. Daarmee sloeg hij Eijsleben, die in de hal of op de drempel lag, zo hard dat deze niet meer kon lopen of staan en hevig bloedde.

Jan Loose gaf vervolgens zijn slavin Maria van de Kaap en een Hottentotse dienstmeid genaamd Catrijn opdracht om Eijsleben aan zijn benen naar buiten te slepen. Na deze daad sloten de daders de deur en gingen naar bed, terwijl ze Eijsleben buiten op het erf lieten liggen.

De volgende dag, toen het begon te regenen, beval Jan Loose enkele van zijn slaven om de zwaargewonde Eijsleben naar een slavenhuisje te brengen. Dit gebeurde in aanwezigheid van Jan Loose zelf en Jan Theodorus Hesselbaart, de knecht van raadslid Gijsbert La Febre. Ze legden Eijsleben daar op een kale bedstee met slechts twee schapenvellen onder zijn hoofd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0657  


De tekst beschrijft een rechtszaak over de dood van Eijsleben. De slavin Maria van de Kaap verklaarde dat zijn been gebroken was, maar haar getuigenis werd wettelijk niet betrouwbaar geacht. Eijsleben werd op een woensdag naar het rookhuis gebracht en stierf op vrijdag ochtend. De aanklager beschuldigde de verdachten ervan dat zij:

De verdachten ontkenden deze beschuldigingen. Ook werd er melding gemaakt van een slachtoffer dat "help" zou hebben geroepen terwijl iemand diens keel dichtkneep.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0768  


De verdediging stelt dat Eijsleben na de ontvangen slagen niet in staat was om iemand kwaad te doen. Als bewijs hiervan halen ze de verklaring aan van de slaaf Anthonij. Anthonij verklaarde dat Eijsleben een knipmes in zijn hand had toen hij over het erf liep. De verdediging beweert dat dit onmogelijk was omdat Eijsleben op het erf lag zonder te kunnen opstaan. Dit wordt bevestigd door alle verklaringen, waaronder die van de slaaf Anthonij zelf. De verdediging noemt het onterecht dat Eijsleben wordt beschuldigd van kwaadaardigheid omdat hij niet wilde spreken. Ze stellen dat hij niet uit kwaadwillendheid zweeg, maar omdat hij door de mishandeling met de rijststamper geen kracht meer had om te spreken. De slavin Maria van de Kaap is de enige die verklaarde dat Eijsleben niet kon spreken. De tegenpartij verwerpt haar verklaring omdat ze een slaaf is.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0758  


Een straf-incident in een slavenhuis wordt beschreven. De slaaf Maij moest op bevel van iemand 5 of 6 slagen uitdelen. Er was een groep jonge slaven aanwezig. Maij werd gevraagd wie er allemaal sliepen in het slavenhuis en antwoordde dat het allemaal slaven waren die aan de vragensteller toebehoorden. Een jonge slaaf genaamd Februarij lag bij een slavin Olier. Toen Februarij de vragensteller zag, probeerde hij te vluchten. De vragensteller wilde hem bij zijn haar grijpen maar Februarij ontsnapte. Daarop gaf hij andere slaven (behalve Meijen en Pedro) opdracht om Februarij te vangen. De vragensteller vroeg aan slaaf Meij wie hij nog meer had zien liggen, waarop deze antwoordde dat het slavin Olier was. De vragensteller gaf toen zijn rotan stok aan slaaf Meij en beval hem om de slavin te slaan. Toen Meij moe werd van het slaan, ging de vragensteller zelf door met het slaan van de slavin.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0494  


Op 16 november 1740 verscheen voor Petrus Tesse Slotsboo, eerste klerk bij het bestuur in Kaap de Goede Hoop, de soldaat Andrijes Mulder uit Zwolle. Op verzoek van hoofdaanklager Daniel van den Henghel legde hij een verklaring af. Hij vertelde dat hij enkele dagen eerder tussen 8 en 9 uur 's avonds op wacht stond bij het houtmagazijn van de VOC. Bij het laatste sluisje hoorde hij wat lawaai. Toen hij ging kijken zag hij een soldaat genaamd Bosche met een onbekende matroos van de werf. Bosche vertelde dat hij de matroos van de muur had gehaald. De matroos zei tegen de wacht dat hij niets verkeerds deed en dat een andere matroos van de werf, genaamd Jurrien, hem had gestuurd om een zakje thee te halen dat in de magazijnmuur lag. Bosche bracht de matroos vervolgens naar de patrouille.

Deze verklaring werd afgelegd op het rechtskantoor van het kasteel in Kaap de Goede Hoop, met de klerken Adriaan van Schoor en Hendrik Emanuel Blanckenberg als getuigen. Zij ondertekenden het document samen met de soldaat en de eerste klerk.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1027  


Op 9 november 1740 verscheen voor de ambtenaar Petrus Jesse Slotsboo aan de Kaap de Goede Hoop de soldaat Johan Peter Bosche uit Dannenberge. Hij deed een verklaring op verzoek van de fiscaal Daniel van den Henghel. Bosche vertelde dat hij op een avond tussen 8 en 9 uur bij heldere maan vanaf het kasteel naar het Laatste Stuivertje liep. Daar zag hij een man op het hek van het houtmagazijn zitten, tegenover het huis van de burger Isak Martensz. Hij trok de man naar beneden en vroeg wat hij daar deed. De man, een matroos van de werf wiens naam hij niet kende, antwoordde dat hij niets slechts wilde doen maar alleen een pakje thee wilde halen dat zijn collega's daar eerder in de muur hadden verstopt. Terwijl ze hierover spraken kwamen burger Isak Martensz en een schildwacht bij hen staan, die dit verhaal ook hoorden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1025  


De eisende partij legt 2 verklaringen over om zijn bevelschrift te ondersteunen. Het voorval betreft een gebeurtenis op donderdag 3 november, tussen 8 en 9 uur 's avonds. Een getuige zag toen bij maanlicht een man op het hek van het houtmagazijn staan, tegenover het huis van burger Isaac Martens. De getuige trok hem bij zijn benen omlaag en vroeg wat hij daar deed. De man, een matroos van de werf (naam onbekend), antwoordde dat hij niets kwaads van plan was maar alleen een bundeltje thee wilde halen die hij de dag ervoor in de muur had verstopt. Tijdens dit gesprek kwam Isaac Martens naar buiten en kwam ook de schildwacht tevoorschijn van achter het houtmagazijn. Zij hoorden beiden wat de matroos zei. De getuige heeft de matroos vervolgens samen met de schildwacht naar de patrouillewacht gebracht en daar vastgezet. De verklaring van de schildwacht komt volledig overeen met dit verhaal.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1023  


Op verzoek van de controleur Daniel van Den Henghel onderzochten de hoofdartsen van het ziekenhuis van de VOC, in bijzijn van rechters Philip Rudolf de Savoij en Jacobus de Hennion, het lichaam van een overleden slavin. Het betrof Diana van Bengalen, die eigendom was van burger Michel Daniel Korich.

Bij het onderzoek vonden ze:

De verwondingen waren niet dodelijk. De artsen konden niet vaststellen of de dood werd veroorzaakt door de verwondingen, door het drinken van koud water met een verhit lichaam, of door kou aangezien het lichaam naakt werd aangetroffen.

Dit rapport is ondertekend door J. van Schoot en B.D. Sjean in Kaap de Goede Hoop op 10 oktober 1740.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1019  


Een slavin genaamd Diana was weggelopen. Het is onbekend of ze naar de kamer van Fabritius was gegaan. Diana vluchtte na een klein kwartier naar de kamer van Fabritius en vroeg om hulp door te roepen "baas help, baas help". Fabritius stond toen op uit zijn bed en kwam naar de keuken waar Diana zich bevond samen met haar baas en de jonge slaaf Januari. Fabritius gaf Januari opdracht om de slavin voor de derde keer te slaan. De soldaat Fabritius verhinderde dit echter door de zweep uit Januari's handen te rukken en deze in de grote kamer te gooien. Hij zei tegen hem dat hij zich moest schamen en vroeg wat de buren wel niet zouden denken van dit gedrag in huis. De jonge slaaf had dit gedaan op zijn bevel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1011  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/