Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


De Hottentot Claas werd ondervraagd door het gerechtshof van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. De ondervraging werd gedaan namens de openbare aanklager Pieter Reede van Oudshoorn. Claas was ongeveer 35 jaar oud en woonde in de tuin van de voormalige rechtbankschrijver D.G. Carnsper.

Hij werd gevraagd over zijn activiteiten op een maandag ongeveer 14 dagen geleden, en of hij contact had gehad met de slaaf Adolf die eigendom was van de burger Michiel de Cock. Ook was hij aanwezig bij de begrafenis van een kind van de burger Jan Bam.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0875  


De verdachte ontkende schuldig te zijn aan de mishandeling van een Europeaan. Het verhoor vond plaats op 14 juni 1745 aan de Kaap de Goede Hoop in het Nederlands, dat de ondervraagde redelijk sprak en begreep. Het verhoor werd afgenomen door de heren de Grandpreez en H.J. Prehn, leden van de Raad van Justitie. Het document werd ondertekend door de beambten en de beëdigd klerk A. van Schoor.

Later, op 26 juni 1745, verscheen de Hottentot Claas voor de Raad van Justitie. Na het voorlezen van de vragen en antwoorden, bleef hij bij zijn verklaringen. Hij voegde alleen toe dat hij na de begrafenis met de slaaf Adolf in de slagerij was geweest, maar daar niet had gedronken. Dit werd vastgelegd door de Grandpreesz en H.k. Blankenberg, leden van de Raad.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0879  


Rennenberg en Ploeg liepen samen naar het kasteel zonder met elkaar te praten. Bij de ingang van het kasteel, ongeveer 6 stappen van de wachter vandaan, heeft Ploeg zonder iets te zeggen Rennenberg met zijn getrokken zwaard op het hoofd geslagen. Rennenberg noemde dit het werk van een schurk. Daarna ging Ploeg naar zijn aangewezen plek, de gang richting de punt Buuren. Rennenberg ging ook die kant op om daar zijn behoefte te doen. Maar toen hij daar kwam, stond Ploeg onder de trap. Ploeg gooide een steen naar Rennenberg die hem op zijn rechterarm raakte. Vervolgens viel Ploeg hem aan met een getrokken zwaard. Rennenberg vluchtte naar een hoek onder de punt Buuren. Daar pakte hij een steen van de grond en gooide die naar Ploeg. Door de duisternis wist hij niet of hij Ploeg had geraakt. Daarna vertrok Rennenberg naar zijn eigen plek.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0697  


De beambte Jan Frederik Rennenberg was enkele maanden ziek geweest in het ziekenhuis en was nu hersteld. Op een avond, toen de klok van het kasteel in de Kaap luidde, liep hij samen met de hoboïst Johannes Esler naar het kasteel. Bij de Witte brug werden ze ingehaald door de trompettist Jan Christoffel Ploeg. Ploeg schold Rennenberg uit en noemde hem "sondsvot" (scheldwoord) en zei dat hij uit de weg moest gaan. Ploeg gaf Rennenberg een duw in zijn rug waardoor deze bijna voorover viel. Rennenberg vroeg aan Ploeg, die door bleef schelden, of de weg niet breed genoeg was. Daarna liepen ze met z'n drieën verder.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0696  


De onafhankelijke aanklager heeft op 10 december aan de rechtbank een verklaring getoond van twee hoofdartsen van het ziekenhuis. Dit betrof hun bevindingen bij het onderzoek van het hoofd van de op 24 november overleden trompettist Jan Christoffel Ploeg. Ook werden er twee verklaringen getoond waarin getuigen zeiden dat Ploeg had verteld dat hij op een avond ruzie had gekregen met hoboïsten op weg naar het Kasteel. Bij het beklimmen van de trap in het Kasteel naar zijn kooi zou de hoboïst Jan Frederik Rennenbergh een steen tegen zijn hoofd hebben gegooid. De aanklager vroeg de rechtbank om advies hoe hij met deze onduidelijke zaak moest omgaan. Het document was gericht aan Rijk Tulbagh, voorzitter en raad van justitie van het bestuur.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0695  


De hoofdchirurgen van het ziekenhuis verklaarden dat de kleine wond aan het voorhoofd van de patiënt Ploeg, veroorzaakt door Jan Frederik Rennenberg die een steen gooide, binnen enkele dagen was genezen. Op 23 november, de dag voor het overlijden van Ploeg, waren er geen tekenen van zwelling of schedelbreuk. Bij de lijkschouwing vonden ze geen beschadiging van inwendige delen op de plek waar de steen het hoofd had geraakt. Wel ontdekten ze een losse scherf van het steenbeen (door artsen Lithoides genoemd), dat zich onder het voorhoofdsbeen bevindt.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0700  


Slaaven Zeijs, die al lange tijd gevangen zat, zou bij langere opsluiting in gezondheid aangetast kunnen worden. Daarom werd besloten om haar met een ketting aan een blok vast te maken en te laten werken bij de werken van de Oost-Indische Compagnie. Dit zou duren totdat er meer bekend werd over deze zaak, hetzij door het vangen van de jonge slaaf van landbouwer Jan Hendrik Debes, genaamd Cupido, of op een andere manier.

Dit werd vastgelegd in het Kasteel de Goede Hoop. Het document werd ondertekend door secretaris J. de Grandpreez en later bevestigd door secretaris J. Siemmendorf en N.D. Schoor.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0692  


Hendrik Debits moet een slavin genaamd Leijs van de Kaap direct teruggeven aan justitie als dat nodig is of als ze gevangen wordt genomen. Dit document is ondertekend door Hendrik Hoppe en ingediend bij de Raad van Justitie op 1 april 1745. De secretaris Tiemwendorff heeft dit bevestigd. N. Sihoor heeft als klerk de kopie als correct verklaard.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0689  


De slaven Cupido en Lijs waren samen weggelopen. Lijs moest daarna werken aan de openbare werken van de VOC, vastgeketend aan een blok. Dit zou duren totdat er meer duidelijkheid zou komen over de situatie, bijvoorbeeld door het vangen van de slaaf van landbouwer Jan Hendrik Debits. Omdat Cupido tot nu toe niet gevonden is, denkt men dat hij óf een natuurlijke dood is gestorven, óf door wilde dieren is verslonden, óf is doodgeschoten. Er wordt verzocht om Lijs van de Kaap en haar kinderen, die ze heeft gekregen tijdens haar werk bij de VOC, terug te geven aan de eigenaar voor zijn dienst.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0688  


De groep dieven heeft 5 schapen geslacht en het vlees samen opgegeten. Een paar dagen later voegden zich bij de groep nog 2 slaven: Flora, een slavin van molenaar Jan Gabriel Visser, en Daniel, een slaaf van boer Jan Zoubster. De groep ging vervolgens van de Olifantsrivier naar de Paardenberg, zogenaamd om eten te zoeken. Hun aanvoerder, de slaaf Abraham, had voorgesteld om samen naar het Kafferland te vluchten. Bij de Paardenberg, dichtbij de boerderij van Theunis van Aart, hielden 5 van hen de wacht bij het gersteveld. De 5e verdachte brak toen in bij het graanschuurtje, waarvan de deur met een touw was vastgemaakt. Hij stal daar een mud meel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1117  


De slaven waren betrokken bij het stelen en slachten van 5 schapen. Fortuijn, de schapenherder van Paul Keijser, heeft de schapen gebracht. De schapenherder gaf de schapen niet vrijwillig. Hij beloofde mee te gaan naar het Kaffersland.

Later kwamen er meer slaven bij het complot:

Ze gingen naar de plaats van Jan Loutzer en namen later een paard mee.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1087  


October was een slaaf die in het veld 5 schapen vond en die bij een groep mensen bracht. De schapen waren volgens Abraham en anderen afkomstig van de schaapherder van Paul Keijser Fortuijsen of Eevengem Fortuijn. Later kwamen er meer mensen bij de groep, waaronder Felora (een slavin van molenaar Jan Gabriel Visser) en Daniel (van Jan Loubzer). Samen hebben ze de schapen meegenomen naar hun schuilplaats, waar ze de dieren hebben geslacht en opgegeten.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1070  


Op 25 juni 1745 legde Francina van de Caab, slavin van burger Jochem Daniel Iubener, een verklaring af voor klerk Adriaan van Schook. Ze deed dit op verzoek van hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn. Ze verklaarde dat op maandag 31 mei rond 4 uur 's middags twee mensen in haar café kwamen waar ze voor haar eigenaar werkte:

Ze dronken samen een halve pint brandewijn en gingen daarna naar het huis van burger Van Bam om een overleden slaaf te begraven. Rond 7 uur 's avonds kwamen Adolf en Claas terug in het café, waarbij Adolf dronken was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0883  


De slaaf Paul Keijser zat met zijn makkers bij de Olifantsrivier in Zaarven te vissen. Cupido, October Augustus en Dolphijn waren weg om kikkers te vangen. Toen kwamen enkele Europeanen die de ondervraagde gevangen namen en naar Stellenbosch brachten. Zijn twee andere makkers ontsnapten. De slaven Abraham en Piet en de slavin Flora waren al eerder weggegaan. Dit werd vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 23 juni 1725 door raadsleden Abraham Decker en I H Blankenberg. Later verscheen voor de raad van justitie van het kasteel de 30-jarige slaaf Phenist van Timor, die ondervraagd werd over zijn diefstallen en andere misdaden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1018  


Op donderdag 23 september 1734 in de ochtend kwam de regering van de Kaap bijeen. Aanwezig waren gouverneur Jan De La Fontaine en alle andere bestuursleden, inclusief drie burgerraadsleden.

Landdrost Pieter Lourentsz deed verslag van een onderzoek dat hij samen met twee heemraden had uitgevoerd. Ze zochten naar het lichaam van een kind dat volgens de slavin Leijs van de Kaap zou zijn vermoord door een ontsnapte slaaf van boer Jan Hendrik Debes. Het lichaam zou in een gat van een ijzeren varkensstal zijn gestopt.

Na veel zoeken vonden ze niets. Leijs gaf uiteindelijk toe dat ze niet wist waar het kind begraven was. De heemraden maakten hiervan een officieel verslag dat de landdrost aan de vergadering liet zien.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0691  


De slaaf October heeft aan zijn makkers verteld dat 5 schapen gestolen waren. Samen hebben ze deze schapen geslacht en opgegeten. De schaapherder van Paul Keiser Fortuijn was betrokken en gaf toestemming voor het stelen van de schapen. Hij beloofde om naar Kafferland te vluchten. Later kwamen de slavin Flora van molenaar Jan Gabriel Visser en Daniel van Jan Loubzet ook bij de groep, gebracht door de slaaf October.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1035  


Een groep weggelopen slaven besloten samen naar Kafferland te gaan. De slaaf genaamd Abraham was hun leider. Ze hadden eerst een geit geslacht en opgegeten. Enkele dagen later kwam een slaaf van Bengalen bij de groep. Daarna voegde zich ook de slavin Flora (eigendom van molenaar Jan Gabriel Visser) en de slaaf Daniel (eigendom van boer Jan Loubzer) bij hen. De groep ging vervolgens van de Slijphantsrivier naar de Paardenberg, zogenaamd om eten te zoeken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0997  


Steven Gomes kwam rond 4 uur 's ochtends bij haar. Ze vroeg hem waarom hij later was gekomen. Hij antwoordde dat hij geen boot kon krijgen en dat het nu te laat was omdat Joan Alwerh al weg was. Dit verklaarde ze in Batavia op 30 maart 1638 in aanwezigheid van:

Op 1 april 1638 werd deze bekentenis voorgelezen aan Isabella Parera. Ze voegde toe dat:

Dit document is ondertekend door secretaris Gerrit Jansz Ruts op 1 april 1638 en gecontroleerd op 12 april 1638.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9339 / 0261  


Hendrik Hoppe, burger van Drakenstein en getrouwd met Margaretha de Villiers (weduwe van Gideon Pubert), schreef een brief aan Rijk Tulbagh (president) en de Raad van Justitie. Hij schreef over een besluit van 23 november 1734 over een slavin genaamd Lijs van de Saab. Deze slavin had eerst bekend dat ze een slavenkind had vermoord, maar later trok ze deze bekentenis in. Ze beschuldigde toen een slaaf van landbouwer Jan Hendrik Deber.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0687  


De onafhankelijke officier van justitie Pieter Reede van Oudshoorn heeft een aanklacht ingediend bij gouverneur Rijk Tulbagh en de rechtbank in Kaapstad. De aanklacht is tegen de slaaf Samson van Boegis, die eigendom was van Aletta de Neijs, weduwe van Hans Jurgen Honk. Samson werd aangeklaagd voor het verwonden met een mes van zowel de knecht van zijn meesteres als haar zoon.

De aanklacht wordt ondersteund door:

De eerste getuige was knecht bij de brouwerij van weduwe Honk. Als knecht was hij verantwoordelijk voor het corrigeren en straffen van slaven die hun werk niet goed deden. Samson werkte daar als beesten- en schaapherder.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1249  


Op 14 december 's avonds waren de slaven Januari, Claas en Augustus in de keuken van het woonhuis op de plaats van hun eigenaar Francois Retief bij de Wagenmakersvallei. Hun eigenaar riep vanuit de voorkamer om de honden te roepen. Claas riep naar buiten "tsa tsa". De vrouw van de eigenaar vroeg wie dat riep, waarop Augustus antwoordde dat het Claas was. De vrouw zei toen dat die "mooie aap" niet beter kon roepen. De volgende ochtend vertelde Augustus dit aan Claas op het erwtenland.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1229  


Er ontstond ruzie tussen de slaaf Augustus en een andere persoon, over een oudere slavin genaamd Aurora. Augustus had leugens verteld over deze persoon bij zijn baas. Kort daarna:

Toen Augustus dichtbij kwam, zei iemand dat hij wilde zien wat voor kerel zijn bloed zou zuigen. Bij het genoemde land zei deze persoon tegen de slaaf Januarij dat hij niet zou zwijgen totdat hij het bloed van Augustus zou hebben.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1240  


Een slaaf, genaamd Augustus, pakte stokken van de grond en gooide die voor zich neer terwijl hij erwten aan het plukken was. Toen Januari hem vroeg wat hij met dat hout ging doen, zei Augustus eerst dat hij een tuin wilde maken. Toen hem opnieuw werd gevraagd wat hij met de stokken wilde doen, antwoordde hij onduidelijk. Ongeveer een uur nadat zijn meester was vertrokken, zei Augustus tegen de gedaagde (beschuldigde): De gedaagde reageerde door te vragen of Augustus dat wilde, waarop Augustus zei: "Jij hebt gezegd dat je mijn bloed wilde zuigen, kom maar op!" Hierop viel de gedaagde Augustus aan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1216  


De slaaf Januarij ging naar het erwtenland. Daar zei hij dat hij niet zou zwijgen totdat hij het bloed van Augustus zou zien. Augustus, die in opdracht van zijn meester eerst het paard had gecontroleerd, had dit gehoord. Hij kwam achter hen aan en zei dat hij wilde zien wie zijn bloed zou vergieten. Daarna gingen ze met z'n drieën erwten plukken. De meester van de verdachte, burger Francois Retief, reed kort daarna van huis naar Stellenbosch om volgens opdracht met een vaandel naar de Kaap te gaan voor een maand wachtdienst. Zodra zijn meester weg was, pakte Augustus een stuk hout dat bij de erwten stond, brak het in twee stukken en gooide die voor zich neer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1215  


Op een niet genoemde datum diende Pieter Lourensz, de landdrost van Kaap de Goede Hoop, een aanklacht in bij Rijk Tulbagh, de president van de Raad van Justitie. De aanklacht was gericht tegen Claas van Bengalen, een slaaf van burger Francois Retief. Claas werd beschuldigd van:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1213  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/