Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


De onafhankelijke aanklager Mr. Daniel Van Den Henghel heeft een aanklacht ingediend bij rechtbankvoorzitter Hendrik Swellengrebel en de raad van justitie. De aanklacht is tegen Antoni van Ternaten, een slaaf van burger Johannes Strijdom. Antoni zit gevangen wegens inbraak en diefstal, en moet zijn doodvonnis aanhoren. Als bewijs heeft de aanklager twee documenten:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0955  


Er zijn meerdere situaties waarin de straf voor diefstal werd verzwaard tot de doodstraf:

Bij nachtelijke diefstal mocht de bewoner volgens de Bijbel (Exodus) en het Romeins recht de dief zonder straf doden, vooral als deze gewapend was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0960  


De getuige verklaart dat er ongeveer een maand na het onderzoek van de slaaf Abraham een incident plaats vond. Hij was naar Groenewald gestuurd om enkele slaven op te halen. Groenewald klaagde toen dat er elke nacht spullen werden gestolen, waaronder bonen en waterlimoenen. Groenewald vermoedde dat de jonge Kees elke nacht op zijn erf kwam. De getuige antwoordde dat hij beter wist en dat de jonge Kees nooit in Stellenbosch was geweest. Wel wist de getuige dat op een avond de vrouwelijke slaaf Sara en de slaaf Carel een halve schepel zwarte bonen naar de eerder genoemde jonge Kees in Stellenbosch hadden gebracht. Sara had toen gevraagd om met slaaf Kees te mogen spreken, maar dit werd door de getuige en zijn metgezellen geweigerd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0929  


De getuige hoorde dat de slavin Flora tegen Bosselman zei dat hij een moordenaar was omdat hij een jongen had doodgeslagen om een klein stukje vlees. Ze zei dat ze niet zoveel om de jongen gaf, maar wel om haar arme kinderen. Nadat de getuige zijn pijp had opgestoken, ging hij naar de plek waar ze Abraham uit het graf haalden. Daar gaf hij de pijp aan de rechter. Daarna ging de getuige naar het wagenhuis van Groenewald, waar een arts het lichaam van slaaf Abraham opende in aanwezigheid van de rechter en andere officials. Even later kwam ook slavin Flora daar, die op een wagen klom en over een muurtje leunde om naar de lijkschouwing te kijken. De getuige hoorde duidelijk dat Flora iets zei toen de arts de long onderzocht, die vol gestold bloed zat.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0928  


Op 10 juli 1737 verscheen voor Daniel Godfried Carnspek, secretaris van Stellenbosch en Drakenstein, de veldwachter Hendrik Hout. Hij verklaarde op verzoek van landdrost Pieter Laurensz het volgende:

Op 3 januari 1737 werd het lichaam van slaaf Abraham, eigendom van oud-heemraad Johannes Groenewald, opgegraven. Het lichaam lag begraven bij Groenewald's huis. Op bevel van de landdrost werd het lichaam in aanwezigheid van heemraden onderzocht. Hout ging toen naar de keuken van Groenewald om een pijp tabak aan te steken. Daar trof hij bij het vuur aan:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0927  


Jacob Cloete en Johannes Louw, die bestuurders waren van Stellenbosch, verklaren op verzoek van landdrost Pieter Lourensz het volgende:

Op 3 januari van dit jaar kwamen ze bij de woning van oud-bestuurder Johannes Groenewald. Ze moesten daar een overleden jonge slaaf onderzoeken, die Abraham heette. Toen ze van hun paarden stapten, kwamen er veel slaven en slavinnen huilend en klagend naar hen toe. Ze hoorden dat er werd gezegd dat de baas Abraham had doodgeslagen. Bij de klagende slaven was ook Flora, een slavin van Groenewald.

Toen de dokter de long van slaaf Abraham onderzocht, zag hij dat deze vol gestold bloed zat. Toen een van de bestuurders zachtjes met zijn wandelstok op de ribben van de overleden slaaf tikte, hoorde hij Flora (die op een wagen stond en over een muurtje leunde) iets in het Portugees zeggen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0923  


Jacob Cloete en Johannes Louw geven een verklaring af dat zij iemand huilend en pratend hebben zien weglopen bij een muurtje in Stellenbosch met de veldwachter Hendrik (achternaam onbekend). Dit voorval gebeurde op 15 juli 1737. Ze bevestigen dat dit de waarheid is en zijn bereid dit onder ede te verklaren. Het document is ondertekend door de secretaris De Grandpreez.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0924  


Bij de bestuursgebouwen van Stellenbosch werd deze verklaring afgelegd in aanwezigheid van voorlezer Abraham Faure en bode Jan van Ellewe als betrouwbare getuigen. Het document werd ondertekend door secretaris D.G. Carnspek en werd bevestigd door secretaris P. Breel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0904  


De slaven Leander en Snel werd gevraagd waar ze de bijl hadden gelaten. Ze antwoordden dat ze hout hadden gehakt en de bijl bij de schuur hadden achtergelaten. Daarop haalde Abraham zijn mes tevoorschijn en sneed de riemen door waarmee de bedstee was vastgebonden. De vrouw die deze verklaring aflegt lag daarop met haar kinderen en was zwanger. Ze vielen allemaal van de bedstee af.

Leander vroeg aan Abraham waarom hij dit deed en of hij gek was. Abraham antwoordde met "Wat kan jou dat schelen, is het jouw hoer?"

Op een dag zou Abraham naar burger Christoffel Groenewald gaan om te helpen met koren oogsten. Hij zei tegen de vrouw dat het onmogelijk was om op één dag heen en weer te gaan vanwege zijn aanhoudende pijn. De vrouw adviseerde hem dit aan de baas te melden, maar dat deed hij niet. Hij vertrok gewoon.

De vrouw verklaarde dat dit alles de waarheid was en gaf aan bereid te zijn dit onder ede te bevestigen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0903  


Abraham klaagde steeds vaker over ernstige pijn aan zijn geslachtsdeel. Het werd steeds erger met hem. De slavin stuurde Abraham daarom opnieuw naar Stellenbosch naar dokter Cats. De dokter deed echter niets aan de klacht en zei alleen dat het vanzelf over zou gaan.

Op een avond zat Abraham bij het vuur in het slavenhuis. Toen zijn kinderen, die hij bij de slavin had, bij hem kwamen, schopte hij ze weg van het vuur. De kinderen rolden halverwege het slavenhuis. Toen de slavin hem vroeg waarom hij zo humeurig en kwaadaardig was geworden, antwoordde hij dat als ze haar mond niet hield, hij hetzelfde met haar zou doen.

Abraham zat vaak 's avonds in het slavenhuis bij het vuur omdat hij niet kon slapen. Terwijl de slavin al in bed lag, schreeuwde hij naar haar: "Jij vervloekte hoer gaat daar slapen terwijl ik hier zit en het niet kan uithouden van de pijn." Daarna stond Abraham op en zocht naar een bijl.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0902  


Op 22 juni 1737 legde Flora van de Kaap, een 27-jarige slavin van heemraad Johannes Groenewald, een verklaring af voor secretaris Daniel Godfried Carnppek in Stellenbosch en Drakenstein. Ze vertelde over de slaaf Abraham van de Kaap, die eerder eigendom was van haar baas. Abraham kwam op een avond thuis van een bruiloft van heemraad Daniel van der Lith, waar hij viool had gespeeld. Hij klaagde bij Flora over hevige pijn aan zijn geslachtsdeel. Flora adviseerde hem dit aan zijn baas te melden. De volgende ochtend vertelde Abraham het aan zijn baas, die hem daarop naar dokter Cats in Stellenbosch stuurde. Toen Abraham terugkwam, vertelde hij dat dokter Cats had gezegd dat het vanzelf over zou gaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0901  


De verklaring werd afgelegd op het kantoor van de secretaris in Stellenbosch. De voorlezer Abraham Faure en de bode Jan van Ellewe waren aanwezig als betrouwbare getuigen. Ze hebben samen met de schrijver het document ondertekend. Het document werd bevestigd door secretaris D.G. Carnspek en secretaris P. Degramt.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0900  


Sara verklaarde dat Abraham had gezegd dat hij niets gaf om zijn baas, de vrouw des huizes en hun personeel. Sara vertelde dit aan haar mevrouw, die daarop haar neef Christoffel Groenewald erop afstuurde. Christoffel dreigde Abraham te vermoorden. Sara hield haar slaaf Kees dit voor, die antwoordde dat hij het had gezegd omdat hij dronken was. Hij had meer gezegd dan hij kon verantwoorden en was bang voor straf als hij bij de landdrost zijn woorden zou moeten terugnemen. De slavin Sara zei ook dat Kees haar had verteld dat hij was opgestookt door twee mannen die Leander heetten (een grote en een kleine). Deze twee Leanders hadden tegen Sara gezegd dat nu haar man uit huis was, zij snel zou volgen en dat zij hun doel zouden bereiken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0899  


De getuige vertelt dat iemand hem vroeg om een gunst: als hij Sara op Stellenbosch zou tegenkomen, moest hij haar door een slaaf een pak slaag laten geven en naar huis sturen. Later, toen de getuige bij Groenewald in de rechterkamer van diens woning was, kwam een slavin genaamd Sara huilend binnen. Ze vertelde aan Groenewald dat ze naar Stellenbosch was gegaan om haar jongen Kees te spreken over het onrecht dat was aangedaan. Ze wilde dat hij zijn klachten bij de landdrost zou intrekken. Ze vroeg of hij wel wist wat hij had gedaan en of hij dat kon verantwoorden. Ze verwees naar een geslacht schaap dat in de keuken was opgehangen, waarvan de slaaf Abraham zonder toestemming stukken had afgesneden en gebraden. Sara had Abraham gedreigd dat als hij dit niet zou stoppen, ze het aan haar baas en zijn vrouw zou vertellen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0898  


Op 12 juni 1737 heeft Daniel Godfried Carnspek, secretaris van Stellenbosch en Drakenstein, een verklaring opgenomen. Dit deed hij in aanwezigheid van getuigen. De verklaring kwam van de vervangend districtshoofd Carel Christoff Coenits. Hij legde deze verklaring af op verzoek van oud-heemraad Johannes Groenewald. Coenits verklaarde dat hij in februari 1737 (precieze dag onbekend) door districtshoofd Pieter Lourensz met een boodschap naar Groenewald was gestuurd. Toen Coenits bij Groenewald thuis kwam, kreeg hij:

Groenewald vroeg wat voor nieuws er was. Coenits wilde eerst zijn boodschap overbrengen. Tijdens het roken vertelde Groenewald dat zijn dienstmeid Sara van de Kaap elke nacht uit zijn huis was en in Stellenbosch verbleef. Hierdoor maakte ze zijn huis onveilig.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0897  


De slaven genaamd Kleine Leander, Sara en Paul hebben onderweg met elkaar gesproken. Ze zeiden tegen elkaar dat ze samen moesten optrekken om het hun meester moeilijk te maken. Deze verklaring is afgelegd op het kantoor van de secretaris in Stellenbosch. Dit gebeurde in aanwezigheid van:

De getuigen hebben de verklaring ondertekend en bevestigd dat dit de waarheid is. Ze gaven aan bereid te zijn dit later nogmaals te bevestigen als dat nodig zou zijn.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0895  


Flora verklaarde dat ze bij de slaaf Abraham was gaan kijken, die aan het snurken was en nog sliep. Ze hoorde dit snurken zelf ook en vroeg dit nog een keer aan een jongen, die dit bevestigde. Na nog even te hebben gelegen stond ze 's ochtends op en zag dat de slaaf Abraham dood was.

Ze verklaarde ook dat dezelfde jonge Abraham ongeveer 5 dagen daarvoor was thuisgekomen van landbouwer Christoffel Groenewald. Toen haar mevrouw hem vroeg waarom hij zo lang onderweg was geweest op het pad van Christoffel Groenewald naar huis, antwoordde hij dat hij onderweg een aanval had gekregen en flauw was geworden.

Flora vertelde ook nog dat ze naar Stellenbosch was geroepen door de landdrost om verhoord te worden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0894  


Op 30 oktober 1684 schreef men vanuit Chirrebon over Marta Jouda, die zich bij de Baliërs ophield alsof hij hen wilde helpen. Ze vertrouwden hem daarom zeer. Men had hem nog niet gevangen genomen, maar hield hem wel in de gaten zodat hij niet kon ontsnappen. Door hem hoopte men de gevluchte groep te pakken te krijgen. Als ze hem direct zouden arresteren, zou hun plan niet slagen. Ze vroegen om nadere instructies. Tommonggong Martajoeda zou alles via zijn boodschappers regelen, terwijl hij zelf bij hen zou blijven. Ze vroegen om spek, arak (rijstdrank) en zout voor hun manschappen omdat ze daarvan geen voorraad meer hadden. De brief was ondertekend door Joan Maurits van Hapepel en Adolf Winkler. Op 25 oktober 1684 werd vanuit Madura een brief ontvangen via de Javaan Santamarta, gericht aan kapitein Joan Maurits van Happel en luitenant Adolf Winkler.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1404 / 0548  


Op 11 december 1730 in Cochim schreef men een bericht aan koning Sammorijn over een ontmoeting na het Mammanga-feest. Er werd ook een verzoek gedaan voor een vergunning voor een nieuwe tuin. Men stuurde specerijen voor het Mammanga-feest en buskruit dat betaald moest worden.

Op 12 december 1730 schreef commandeur Jacob de Jong een brief aan koning Sammorijn. Salpatnaba was een dag eerder aangekomen met een brief waarin stond dat hun ontmoeting pas na het Mammanga-feest kon plaatsvinden. Dit kwam doordat het feest en de mandalam (bestuursvergadering) snel zouden beginnen. Ze accepteerden dit en wachtten op Salpatnaba om tijd en plaats voor de ontmoeting vast te stellen.

Ze zouden binnenkort ook de tweede prins van Mangattij en de heerser van Paroer ontmoeten om afspraken te maken over het welzijn van dat rijk.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10347 / 0355  


In 1646 zijn er maar 2 Chinese schepen in Batavia aangekomen. Deze schepen vervoerden alleen maar grove waren, geen zijde of zijden stoffen. Dit leidde tot een slechte handel en weinig export. Volgens berichten uit Taiwan zouden er dat jaar geen schepen meer komen. Dit was slecht nieuws voor de Chinese inwoners van Batavia en de burgers daar.

Nederlanders die in Batavia woonden wilden, samen met Chinese en Maleise handelaren, zeehandel bedrijven om geld te verdienen voor hun families. Ze vroegen toestemming om naar Nederland te gaan en daar met geleend geld een vrachtschip te kopen. Ze wilden dit schip dan uitrusten met voorraden en naar Batavia varen om handel te drijven. Dit zou hen minder afhankelijk maken van de VOC, die hen niet altijd kon helpen. Deze toestemming werd voorlopig niet gegeven.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1160 / 0083  


De onafhankelijk aanklager Pieter reede van Oudshoorn heeft namens zijn ambt een aanklacht ingediend bij de voorzitter Rijk Tulbagh en de Raad van Justitie in de Kaap. De aanklacht is tegen de vrije zwarte man Harmanus van de Caab, die werknemer was op het terrein van burger Evert Colijn. Hij wordt beschuldigd van een gewelddadige aanval op de slaaf Februarij van Maccassar, die eigendom was van boekhouder Jan andries Horak. Bij de aanklacht zijn twee documenten gevoegd:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11018 / 0295  


De tweede hoofdchirurg van het hospitaal van de VOC in Kaap de Goede Hoop verklaarde op verzoek van de rechter Pieter Reede van Oudshoorn dat hij op 16 april 1747 de verwondingen had onderzocht van een slaaf genaamd Izaak van Madagaskar. Deze had een steekwond aan de linkerkant onder zijn sleutelbeen van ongeveer twee vingers breed. Hoewel de diepte van de wond niet te bepalen was met een sonde, was duidelijk dat de wond diep was omdat de gewonde twee keer bloed had opgehoest. De wond was veroorzaakt door een scherp steekwapen en was ten tijde van de verklaring al weer dichtgegroeid. De verklaring is ondertekend op 16 mei 1747 door Dirck Wijdenaer en geverifieerd door A.V. Schoor.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11018 / 0291  


De verdachte verklaart dat zij niet de slaaf Isack aanviel, maar dat hij haar sloeg tot haar neus en mond bloedden. Isack stond op haar kist met een mes in zijn hand en gooide dit naar haar. Dit is opgenomen in een vertaling uit het Madagaskars door de slaaf Lambert van de Caab aan Kaap de Goede Hoop op 13 mei 1747. De verklaring werd afgenomen door raadsleden J. Moller en Joachim Prehn. Het document werd ondertekend door de tolk Lambert van de Caab en secretaris J.F. Tiemmendorf. De kopie werd gewaarmerkt door J.J.J. Schoon.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11018 / 0289  


De aanklager eiste dat de verdachte, Atphasie van Madagascar, naar de plaats gebracht moest worden waar gewoonlijk de criminele straffen werden uitgevoerd. Daar zou de beul hem:

De officier van justitie P. Reedi van Oudshoorn ondertekende deze eis op 25 mei 1747. De gerechtssecretaris Schoor bevestigde dit.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11018 / 0282  


Alphasie van Madagascar, een 40-jarige slavin van de Oost-Indische Compagnie, moest voor de rechtbank van het Kasteel de Goede Hoop verschijnen. Bij het verhoor door Pieter Reede van Oudshoorn vertelde ze het volgende:

Ongeveer een maand geleden had een slaaf genaamd Isack (die bij het Ronde Bosje werkte) zich bij een slavin genaamd Tjasoesoe in de slavenverblijven te slapen gelegd. Dit gebeurde in de nacht van zaterdag op zondag. Alphasie trok Isack van de slaapplaats omdat een andere slaaf, haar zoon Paul, een relatie had met Tjasoesoe. Daarna ging Alphasie zelf bij haar man Marmelaij van Madagascar liggen. De volgende ochtend, toen Alphasie bezig was met het snijden van pens op haar kist, kwam Isack de trap op.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11018 / 0287  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/