Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Louis Couvrard, Johannes Esche, Alexander Evenaars, David Einden, Willem Gibers, Johannes Esche en Frans Groot werden geregistreerd. Hun leeftijden waren respectievelijk 46, 27, 22, 40, 30, 19 en 28 jaar. Ze waren geboren in verschillende plaatsen:

Hun beroepen omvatten magazijnmeester, klerk en anderen. Ze kwamen aan op het eiland in verschillende jaren: 1804, 1803, 1817, 1802, 1817 en 1819. Ze woonden op deze plaats sinds verschillende jaren tussen 1809 en 1819. Op 2 december 1819 overleed iemand zonder testament en de erfenis werd door de weeskamer te Semarang aanvaard.

Bekijk transcriptie 


Johannes Willem van der Valle, controleur 2e klasse bij het binnenlands bestuur op Indias in Abaclusa, wonend in de residentie Cheribon, verklaarde dat hij alle eerdere volmachten introk. Hij gaf zijn broer Rudolf van der Vaele, ambtenaar bij het Domeinen, wonend te 's-Hertogenbosch, de volmacht om hem te vertegenwoordigen en zijn delegatie van 10 gulden per maand in ontvangst te nemen.

16 maart 1887 te Loeragoeng.

Geregistreerd te 's-Gravenhage op 1 oktober 1887, deel 89, folio 114 recto vak 4. Er werd 1 gulden en 20 cent ontvangen. De ontvanger was B. A. N. E. de Meyr.

Bekijk transcriptie 


Claes, de dochter van Claes Cornelis Kan, kreeg elk een bedrag van 50 Karolus gulden. Dit geld hadden zij haar nagelaten, maar alleen als zij zich goed gedroeg en met toestemming en advies van de langstlevende ouder in het huwelijk zou treden, maar anders niet. Deze uitkering stond ter beoordeling en beslissing van de langstlevende ouder.

Al het voorgaande verklaarden Ysbrant Jansz en Lief Claes dochter als testateur en testatrice samen en elk afzonderlijk hun testament, laatste wil en eindwens te zijn. Zij wilden dat dit als zodanig of als codicil, donatie bij overlijden, onder de levenden of anders zoals het het beste en meest vaststaand kon gelden, volgens geschreven rechten of goede gewoonten, onveranderlijk na hun overlijden werd opgevolgd en onderhouden. Dit gold ondanks het ontbreken van enige wettelijke vormvereisten. Zij verzochten hiervan door notaris een of meer openbare akten in behoorlijke vorm te laten maken.

Dit gebeurde in Haarlem op het Spaarne, in het huis van de genoemde testateur, in aanwezigheid van de heer Cornelis Henrixz uit den Cuijnre en Thieleman Thonisz, lakenbewerker uit Amsterdam maar nu wonend in Haarlem, als getuigen. Zij tekenden samen met de testateur en testatrice het ontwerp. Notaris Adriaen Willemsz bevestigde dat alles in zijn aanwezigheid en die van de getuigen was gebeurd en hij heeft zijn ondertekening eronder gezet op 1589.

20 januari 1596 verscheen voor notaris Adriaen Willemsz en getuigen Michiel du Bois van Rousselare. Hij verklaarde dat hij, om te voldoen en te betalen:

Deze bedragen had hij volgens de staat en inventaris van de goederen van wijlen Martyne van Muelebeeck, zijn overleden echtgenote, gemaakt op 24 januari 1595, op zich genomen en beloofd te betalen.

Daarom en daartoe had hij aan Vincent du Bois ten behoeve van de genoemde schuldeisers overgeleverd, opgedragen en getransporteerd tot vrij eigendom:

Bekijk transcriptie 


8 oktober werd een verzoekschrift voorgelezen van Jean Boscheron, koopman uit Brussel. Hij meldde dat de Engelse natie momenteel handel dreef en voer op Oostende. Hij hoopte dat de Staten-Generaal dit ook aan hun eigen inwoners zouden toestaan. Hij had de mogelijkheid om een schip naar Nantes in Frankrijk te sturen en van daaruit terug te laten keren naar Oostende. Hij vroeg daarom om een paspoort van de Staten-Generaal om met het genoemde schip, de St. Maerten met schipper Maerten Vinck, met toegestane goederen van Rotterdam naar Nantes te mogen varen en van daar met Franse natte waren naar Oostende te mogen terugkeren. Na beraadslaging werd besloten dat er een paspoort in de juiste vorm zou worden uitgegeven zodat het schip geladen met toegestane goederen van Rotterdam naar Nantes mocht varen en van daar met toegestane koopwaren naar Oostende. De aanwezige afgevaardigde van de provincie Zeeland nam een kopie van het verzoekschrift over en sprak bezwaar uit tegen het besluit.

Er werd een verzoekschrift voorgelezen van brigadier vander Beecke. Hij meldde dat hij bij resolutie van de Staten-Generaal van 12 maart van dit jaar was bevolen zich naar Maastricht te begeven om daar tijdens de afwezigheid van de commandeur en majoor-commandant gedurende de veldtocht of tot nader order over het garnizoen te commanderen. Hij maakte de Staten-Generaal ervan op de hoogte dat majoor-commandant Zoutelande naar Maastricht was teruggekeerd. Hij vroeg wat de wens van de Staten-Generaal was: of hij zich weer naar Venlo moest begeven om zijn functie ten dienste van het land waar te nemen. Na beraadslaging werd besloten dat een kopie van het verzoekschrift zou worden gestuurd naar de Raad van State om hun advies daarover te laten toekomen.

Er werd een verzoekschrift voorgelezen van de commanderende officieren van het Munsterse regiment van overste baron de Nagel. Zij vroegen om redenen die in het verzoekschrift waren uitgedrukt dat de Staten-Generaal het regiment zouden helpen herstellen door het te begunstigen met een geschikte winterkwartier, geschikt voor het werven van nieuw personeel voor het regiment. Na beraadslaging werd besloten dat een kopie van het verzoekschrift in handen zou worden gesteld van de heren de Laet en andere afgevaardigden voor militaire zaken om samen met enkele gecommitteerden uit de Raad van State, door hen zelf te benoemen, te onderzoeken en hierover verslag te doen.

Op het verzoekschrift van Erasmus de Waver, luitenant in de compagnie van kapitein Coloun in het regiment van de la Faille in Spaanse dienst, krijgsgevangene, die vroeg voor 1 maand of 6 weken naar Arras te mogen gaan, werd na beraadslaging besloten dat aan het verzoek niet kon worden voldaan en het werd dus afgewezen.

Er werd een verzoekschrift voorgelezen van Jean baron de Bean du Seau

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op een niet genoemde datum werd er een doorhaling van 1 woord goedgekeurd. Er werd een volmacht verleend om aangifte te doen voor het recht van successie en overgang, successie en andere rechten te betalen, legaten te vorderen, in te stemmen met of zich te verzetten tegen de afgifte van legaten aan anderen. Ook mocht de gevolmachtigde rekeningen horen, onderzoeken en afsluiten of deze betwisten of laten verbeteren, schulden en lasten betalen, hypotheken doorhalen of laten inschrijven, goederen gemeenschappelijk laten, deze beheren of onder beheer van anderen stellen.

Verder mocht de gevolmachtigde overgaan tot scheiding en verdeling, inbreng vorderen of doen, kavels maken en loten of hiervan afzien, de toegewezen goederen ruilen, overschrijvingen aannemen en ten name van mede-erfgenamen of rechtsopvolgers doen, vorderen en in ontvangst nemen alles wat aan de verschenen persoon uit die boedels en nalatenschappen zou toekomen, en voor alle ontvangsten kwijting en decharge verlenen.

Voor deze zaken mocht hij indien nodig juridische stappen ondernemen, zowel als eiser als als verweerder procederen, advocaten, procureurs of deurwaarders benoemen, dagvaardingen en andere gerechtelijke stukken laten uitbrengen, vonnissen vragen, de gunstige uitvoeren en in de ongunstige berusten of in hoger beroep of cassatie gaan, verzoekschriften en memories indienen. Ook mocht hij alle daarvoor nodige akten en stukken ondertekenen, een woonadres kiezen en alles verder doen wat vereist zou worden en wat de verschenen persoon zelf aanwezig zijnde zou kunnen, mogen of moeten doen, zonder voorbehoud.

Dit alles met de macht van vervanging en onder belofte van goedkeuring en bekrachtiging, onder verbintenis volgens het recht. De akte werd in origineel uitgegeven. De akte werd gedaan en verleden te Soerakarta op de eerder genoemde dag en datum in tegenwoordigheid van Adriaan Loppé, klerk, en Adriannus Bernardus Charles Dourdson Eduard Leonard Ertzinger, zonder beroep, beiden wonende te Soerakarta en aan de notaris bekend, als getuigen. De verschenen persoon, de getuigen en de notaris ondertekenden onmiddellijk na voorlezing de akte. De akte was verleden met 1 doorhaling, zonder toevoegingen in de kantlijn of bijvoegingen.

Bekijk transcriptie 


Michel Ertzinger uit Electheim in het kanton Schaffhausen, die zich op dat moment in 's-Gravenhage bevond, diende een verzoek in. Hij liet weten dat zijn oom Leonard Ortzinger uit Schaffhausen in 1707 met het schip Hofslict naar Oost-Indië was vertrokken vanuit de kamer van Rotterdam. Deze oom was later luitenant bij de dragonders in dienst van de Compagnie geworden.

Het verzoek werd op 21 juli 1827 doorgestuurd aan het Departement van Marine en Koloniën voor advies.

Bekijk transcriptie 


1 februari 1527 (waarschijnlijk 1827). Mo. Ertzinger, hopman, wonend in het kanton Schaffhausen in Schleitheim, maar nu in 's-Gravenhage, vroeg om hulp bij het verkrijgen van de nalatenschap van zijn oudoom Leonard Ertzinger. Deze oudoom zou in 1779 als commandant in Soerabaja zijn overleden. De Minister voor de Marinekoloniën liet weten dat uit de beschikbare stukken blijkt dat Leonard Ertsingh van Schaffhausen als soldaat met een schip was gekomen.

Bekijk transcriptie 


Michael Ertzinger, een koopman woonachtig in het kanton Schaffhausen in Heitheim, logeerde in Rotterdam bij mevrouw de weduwe Arnoldus Simonis op de hoek van de Wagenbrug, wijk H, nummer 540. Hij schreef 25 januari 1627 een verzoek aan de Minister van Marine en Koloniën.

Hierin legde hij uit dat zijn oudoom Leonard Ertzinger in 1738 als soldaat met het schip Rotvliet vanuit Rotterdam naar Oost-Indië was vertrokken. Leonard overleed in 1779 in Fouracarta als commandant.

De verzoeker en zijn broer Georg Ertzinger waren de enige erfgenamen van hun overleden oudoom. Omdat zij niet wisten hoe ze over deze erfenis konden beschikken, vroeg Michael Ertzinger beleefd aan de minister om de nodige informatie en hulp te willen verlenen bij het ontvangen van de nalatenschap.

De solliciteur H. van Munster begeleidde dit verzoek.

Bekijk transcriptie 


Michael Ertzinger, een koopman wonende in Sleitheim in het kanton Schaffhausen, verbleef op dat moment in de stad op de hoek van de Wagenbrug. Hij diende 24 januari 1827 een verzoekschrift in. Hij vroeg of het de autoriteiten wilde behagen om hem de benodigde informatie en hulp te geven om de nalatenschap te ontvangen van zijn oom Leonard Ertzinger. Deze oom was in 1779 in Touracarta overleden. St. H. van Munster trad op als zijn advocaat.

Bekijk transcriptie 


Piequaij had apart gezegd dat hij vol angst was en dat het beste was dat hij wegging. Hij zei dat de anderen hun best moesten doen om de commandant tevreden te stellen. Hij zou de rivier oversteken en naar het andere eiland gaan. Hij was daarna vertrokken en later was er op de rivier hevig geschoten. Hij wist verder niets van wat er daarna tussen beide partijen was voorgevallen en ook niet wat de oorzaak van de vijandelijkheden was geweest. Zijn opvolger Jan Tin was wel bij het voorval aanwezig geweest en kon daar verslag van doen.

De afgevaardigden hadden hem namens de heer directeur-generaal gevraagd waarom hij zou hebben gezegd dat hij de Hollanders wilde verlaten om de Engelsen te dienen. Hij ontkende dit volledig en zei dat het onwaar was. Het was wel waar dat hij onlangs met de dienaar van de heer Klock Bardon had zitten eten en had gezegd dat hij niet had gedacht dat die dienaar dit zou doorvertellen. Hij zei: "Kijk, Bardon is het enige kleine cadeautje dat ik heb, jullie singem geeft mij niets. Ik ben hier koning voor niemendal. Als ik maar van ieder Engelse koopman één grote kano kon krijgen, dan was ik tevreden en zou ik door de tijd ook wat krijgen. Ik geloof dat als ik de Engelsen zou dienen, zij mij wel wat zouden geven, want kijk naar die en die negers die de Engelsen dienen, die worden hele cabociers (hoofden) en ik blijf niets. Maar dat is niemendal, ik moet me tevreden houden."

Hij zei verder dat hij geen contact met Engelsen had gehad en hen geen handel had gebracht. Hij wilde dit met een eed bevestigen. Hij had toen de heer directeur-generaal naar de Bovenkust ging van hem verschillende geschenken gekregen en had gezworen altijd...

Bekijk transcriptie 


Op vrijdag 20 mei 1774 waren 's morgens alle leden aanwezig, behalve commandant Zinner die ziek was. Op 17 mei was er, naast een brief uit Bimlipatnam van 16 mei, een gesloten pakket ontvangen. Diezelfde dag kwamen nog 3 andere brieven aan met de volgende inhoud:

  • Een gezamenlijke brief van de Hoge Indische Regering van 8 oktober 1773
  • Een brief van heer Iman Willem Falck, buitengewoon raadslid van Nederlands-Indië en gouverneur en directeur van het eiland Ceylon en de bijbehorende gebieden, samen met de Raad te Colombo, van 5 februari 1774
  • Een brief van heer Martinus Johan Bosman, directeur en de Raad te Souratte, van 17 december 1773
  • Een brief van heer Rynier van Vlissingen, gouverneur en de Raad te Nagapatnam, van 6 mei 1774

Men besloot de fiscaal erbij te halen en de brieven opnieuw door te lezen. Er kwamen enkele punten naar voren die besproken moesten worden. Op voorstel van de heer directeur werden ook nog 3 andere brieven behandeld die de vorige dag met het particuliere schip de Hoop uit Nagapatnam waren aangekomen, namelijk:

  • Een brief van de Hoge Indische Regering van 30 september 1773
  • Een brief van het Ceylonse bestuur van 8 maart
  • Een brief van heer Joan Gerard van Angelbeek, opperkoopman en opperhoofd samen met de Raad te Tutucorin, van 8 oktober 1773
Bekijk transcriptie 


14 juni 1779. De boot van het schip Holland die naar Batavia was gebracht, werd via een openbare veiling verkocht omdat deze onbruikbaar en niet te repareren was. De boot bracht 21 rijksdaalders en 24 stuivers op, oftewel 51 gulden en 12 stuivers. Er werd besloten dat de bedienden dit bedrag bij eerste gelegenheid aan Batavia moesten overmaken.

De bedienden schreven op 5 juni dat de suikersuikerrietpacht voor de plaats Tinger Tappas, volgens de orders van de Heren van 22 juli 1778 en het daarop gebaseerde schrijven van de Raad van 15 december, weer was overgedragen aan de Sumanapse regent, Pangerong Notto Coesomo. Ze stuurden ook een verslag mee van de commissarissen die daarbij aanwezig waren geweest. Verder berichtten ze dat het resterende zout was betaald uit de nalatenschap van de overleden kapitein van de Chinese gemeenschap in Soerabaja, Hang Boeijko. Hiermee was alles afgehandeld, behalve enkele kleine geschillen over schulden van de mantries (lokale bestuurders) aldaar.

Bekijk transcriptie 


Johannes Fastabent uit Cultou bleef aan de kaap.

Johannes Verstraaten uit Sillegem bleef aan de kaap.

Johannes Jacobus de Smik uit Poperingen bleef aan de kaap.

Jan Dirk Keijser uit Lingen bleef in het hospitaal.

Lodewijk Joseph Jacobs uit Bergen in Henegouwen bleef aan de kaap.

Maarten Dammer uit Caselhoer bleef aan de kaap.

Michiel van den Bogaart uit Leiden bleef aan de kaap.

Michiel Wijnte Foort uit Montebair bleef aan de kaap.

Pieter Martijn Isacij uit Lokeren bleef aan de kaap.

Pieter Lievince uit Brugge bleef aan de kaap.

Pieter van Lakeren uit Singem bleef aan de kaap.

Pieter de Hart bleef aan de kaap.

Pieter Nickels bleef aan de kaap.

Pieter Vernier uit Lier bleef aan de kaap.

Philippus Gernaaij uit Gent bleef aan de kaap.

Reijnier Goes bleef aan de kaap.

Lucas Rodrigo uit Dendermonde bleef aan de kaap.

Pieter Hendriksz uit Doesburg bleef aan de kaap.

Pieter Roos uit Steenbergen bleef aan de kaap.

Pieter Emmeleij uit Hornburgh bleef aan de kaap.

Pieter Hengstenburgh uit Limburg bleef aan de kaap.

Philip Huijsman uit Hamburg bleef aan de kaap.

Jan van den Heuvel uit Den Bosch, soldaat, bleef aan de kaap.

Pieter Livijn uit Duinkerken bleef aan de kaap.

Reijnier van Diest uit Arnhem bleef aan de kaap.

Bekijk transcriptie 


W. de Bruijn schreef op 16 april een brief aan de directeur der Burgerlijke Openbare Werken. Uit deze brief blijkt dat de commissie, die was benoemd bij besluit van 15 december 1871 nummer 21, bezig was met het maken van een volledig uitgewerkt voorstel voor de regeling van het irrigatiewerk op Java. De commissie wilde alleen een geleidelijke regeling van het waterbeheer. Het was de bedoeling dat de commissie samen een ontwerp zou maken van een wet of van een reglement over de watertoevoer. De brief was overgelegd bij het rapport van de directeur van 28 april nummer 3659. Het Advies van de Raad van Nederlandsch-Indië werd uitgebracht in de vergadering van 23 mei 1873.

Bekijk transcriptie 


In 1816 werd de nalatenschap van S. Palmer Keasburrij bij de weeskamer van Samarang gestort, en werd deze nu opgeëist.

Er werd geweigerd aan de weeskamer van Batavia om gelden naar Nederland over te maken voor het onderhoud van pupillen van de kamer.

De weeskamer van Batavia werd belast met de nalatenschap van He. H. L. Rooswinckel, die tijdens zijn leven posthouder te Tanora was geweest.

De weeskamer van Samarang werd herinnerd aan haar verplichting met betrekking tot de beklaagde administratie van de voogden in de nalatenschap van S. Ertsinger, waarbij S. H. Dozen ook executeur was.

De weeskamer van Batavia werd ernstig onderhouden over ongepaste handelwijzen en kreeg opdracht om informatie te geven aan Mr. van Pecctem met betrekking tot de nalatenschap van S. B. Lemmer.

Er werd betaald voor de aankoop van kleding voor een pupil van de weeskamer te Batavia, genaamd Egnot Dirk.

Er werd geweigerd aan H. Addison, de enig overgebleven executeur in de nalatenschap van B. C. Verploegh, om die nalatenschap over te dragen aan de weeskamer van Batavia.

Naar de raad van Justitie werd verwezen de controleur van de gemeenschap van ingezetenen, I. H. S. Zohl, die verzocht om executeur te zijn in de nalatenschap van zijn moeder, met uitsluiting van de weeskamer.

Er vond afschrijving plaats van hopeloze schulden bij het college van boedelmeesters te Batavia.

Niet toegepast werd een besluit van 12 juni 1816 op enkele inlandse leden van het college van boedelmeesters te Batavia, die daardoor hun traktement behielden.

Benoemd werden tot agenten van de weeskamer te Batavia:

Als zodanig ontslagen werd klerk C. L. Arnold.

Ter versterking van de kas van de weeskamer te Batavia werd, behalve de 158 volgens besluit van 1 juli, nog 1250 zilver uit de landkas genomen. Daarvoor werd bij de bank van Java 400 door overschrijving op die rekening geplaatst.

De weeskamer van Batavia stelde order om aan H. H. Vieling zijn aandeel in de nalatenschap van zijn broer H. H. Weeling terug te geven, en evenzo aan S. D. Pister, ook executeur in de nalatenschap van een Javaanse vrouw.

Aangaande een schuld aan de nalatenschap van een kapitein van de Chinezen,

Bekijk transcriptie 


3 juni 1777. Lionard Erdzinger, luitenant van het korps dragonders aan het keizerlijk hof te Sourakarta, was overleden. Daarom werd gevraagd om Charles Philip August Gabriel Joseph de Chasteau, die sous-luitenant was, te bevorderen tot luitenant. Ook werd gevraagd om de oudste kornet Pieter Swalm te bevorderen tot sous-luitenant. In plaats van Swalm zou dan vaandrig Carel Frederik van Boze, die in Semarang bij de infanterie diende, tot kornet benoemd kunnen worden, waarbij hij zijn huidige rang zou behouden.

In Surabaya waren tussen luitenant-commandant Diederik Christiaan Burgermeester en vaandrig Johan Hendrik Leijdekker persoonlijke ruzies zo ver gegaan dat Leijdekker Burgermeester in zijn woning, na enige woordenwisseling, een slag of stoot op de borst of arm had gegeven. Leijdekker had daarbij de woorden gezegd: "dat lieg gij als een schelm". Hierop had Burgermeester Leijdekker zijn rotting uit handen gerukt, hem daarmee een slag over de schouder gegeven en hem in arrest laten zetten. De gezaghebber Van der Niepoort had de gouverneur direct van dit voorval op de hoogte gebracht. De gouverneur wist dat dit soort zaken onaangenaam waren en veel hinder veroorzaakten.

Bekijk transcriptie 


Josyna Vercruyce, de weduwe van wijlen Fremyn Laurens die in zijn leven ijzer- en poorterkoopman was in Haarlem, lag 6 juni 1616 ziek op bed. Ze had nog wel haar verstand, geheugen en spraak. Ze verklaarde voor notaris dat ze in haar leven 5 kinderen had: Joos, Hester, Fremyn, Abraham en Gabriel.

Van deze kinderen was alleen Abraham getrouwd. Hij had bij zijn huwelijk 2.000 gulden ontvangen, plus nog 600 gulden voor kleding, juwelen en bruiloftskosten, in totaal dus 2.600 gulden. Gabriel, de jongste zoon, had nog helemaal niets gekregen.

Josyna wilde dat:

  • Gabriel als eerste 600 gulden zou krijgen uit de erfenis voordat er verder verdeeld werd
  • Daarna zouden Gabriel, Joos, Hester en Fremyn elk 2.600 gulden krijgen, net zoveel als Abraham bij zijn huwelijk had gekregen
  • Abraham moest wachten tot de andere kinderen evenveel hadden ontvangen
  • Als dit allemaal was verdeeld en Gabriel zijn extra 600 gulden had gekregen, zou wat er nog overbleef in 5 gelijke delen worden verdeeld tussen alle kinderen

Dit testament werd opgemaakt in het woonhuis van Josyna in de Kerkstraat in Haarlem. Als getuigen waren aanwezig Cornelis Jansz Coelenbier, koperslager, en Nicolaes Evertsz uit Leeuwarden, buren van de testamentmaakster en poorters van Haarlem. Ook alle 5 kinderen waren aanwezig.

Bekijk transcriptie 


2 augustus 1617 verschenen voor de notaris in zijn huis in de Sint Jansstraat in Haarlem enkele personen. Als getuigen waren aanwezig Symon Coenstimmerman en Willem Symonsz Backer, poorters (burgers) van Haarlem. Het document werd ondertekend door Abraham Vervink, Symen Cornelissen en Willem Symonsz. De notaris was D. van Triere.

4 augustus 1617 verschenen voor de notaris (toegelaten door het Hof van Holland en wonend in Haarlem) de volgende personen:

Allen woonden in Haarlem. Zij verklaarden met elkaar overeengekomen te zijn dat Frederick Fredericxsz en Hester Fremyns in het huwelijk zouden treden. Het huwelijkscontract bevatte de volgende voorwaarden:

  • Frederick Fredericxsz bracht in het huwelijk in: 2.800 Carolusguldens, bestaande uit contant geld, obligaties en andere bezittingen
  • Hester Fremyns bracht in: een huis en erf gelegen in de Warmoesstraat in Haarlem, met een winkel van zijde en andere waren. Dit werd gewaardeerd op 6.500 Carolusguldens. Frederick Fredericxsz verklaarde hier tevreden mee te zijn

Verder werd afgesproken dat na overlijden van 1 van de echtgenoten, de langstlevende zonder afrekening met de erfgenamen de goederen mocht houden die hij of zij zelf in het huwelijk had ingebracht. De kinderen (als die er zouden zijn) of bij gebrek daaraan de naaste bloedverwanten van de eerst overledene, zouden alle goederen krijgen die de overledene had ingebracht.

Als er geen kinderen uit dit huwelijk zouden komen, zou de langstlevende van de overledene een weduwegift krijgen van 1.000 Carolusguldens. Als er wel kinderen zouden worden nagelaten en deze nog minderjarig zouden overlijden, zouden hun goederen overgaan op de andere kinderen tot de laatste toe. Als het laatste kind ook minderjarig zou overlijden, zouden de goederen gaan naar de bloedverwanten van wie ze afkomstig waren.

Bij scheiding van tafel en bed zou alle winst en verlies tijdens het huwelijk half en half worden gedeeld. Erfenissen en schenkingen werden niet als winst gerekend maar bleven bij degene van wie ze afkomstig waren. De aanwezige partijen verklaarden met deze voorwaarden tevreden te zijn.

Als getuigen waren aanwezig Willem Symonsz Backer en Abraham van Wansele, poorters van Haarlem. Het document wer

Bekijk transcriptie 


Gerrit, Pauwels, Clara en Maria, de wettige kinderen van Gerard van der Laen (rentmeester van de stad Haarlem) en wijlen Catharina Ooms, maakten hun testament. Ze waren gezond en bij hun volle verstand.

De kinderen bedachten dat het menselijk leven kwetsbaar is en wilden regelen wat er met hun bezittingen zou gebeuren na hun dood, om ruzie te voorkomen.

24 mei 1595 verschenen ze voor notaris Michiel Janssen van Woerden in Haarlem in het 19e regeringsjaar van keizer Rodolphus de 2e.

Ze bepaalden:

  • Hun zielen bevalen ze aan God toe
  • Hun lichamen aan een kerkelijke begrafenis
  • Als erfgenamen stelden zij aan: hun eigen wettige kinderen (als ze die zouden hebben), of anders elkaar wederzijds als langstlevende, samen met hun zus Catharina van der Laen

Het testament verklaarde alle eerdere testamenten, schenkingen of andere beschikkingen nietig.

Getuigen waren de heren Jan Bout en Lambert, beiden kleermaker.

Er stond ook een verklaring van 24 mei 1595 van Maximiliaan Langmer, tafelhouder van leeningen in Haarlem, over een rechtszaak tussen Fremyn Laurens en Reen Jacobsz over de koop van een huis in de Warmoesstraat. Gerart Hiolle en Johan Vrosue de Nyvelle hadden een weddenschap afgesloten over de uitkomst: Gerart zou 1 pond Vlaams aan Jan Vrosue betalen als Fremyn won, anders zou Jan 3 pond Vlaams aan Gerart betalen.

Op 26 mei 1595 gaf Aeffgen Huberts, kloosterzuster van het Barrevoerenderklooster in Haarlem, volmacht aan Henrick Janssen, procureur voor de vierschaar van de stad Haarlem, om haar zaken te behartigen, geld en goederen te innen en haar belangen te verdedigen.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Joost Fremiyn, Hester Freunyns (jonge ongehuwde vrouw, bijgestaan door Jacob Lourensz, schepen van Haarlem, als haar voogd), Fremyn Fremynsz, Abraham Fremynsz en Gabriel Fremynsz (jonge ongehuwde man van 23 jaar, bijgestaan door Gabriel Bloemaert, zijn zwager en voogd) verschenen. Zij woonden allen in Haarlem en waren kinderen en erfgenamen van wijlen Fremyn Laurensz (lakenkoopman) en Josijntgen Vercruijcen, die beiden in Haarlem waren overleden.

Zij verklaarden dat zij volledig met elkaar tot een verdeling waren gekomen van alle goederen die hun ouders hadden nagelaten. Ieder had zijn rechtmatige deel ontvangen. Zij hielden alleen de winkelschulden die in de registers onbetaald stonden nog gezamenlijk. Wat zij hiervan zouden kunnen innen, zouden zij gezamenlijk delen.

Zij verklaarden verder dat bij deze verdeling aan Hester Fremiyn was toegevallen: het huis met erf waar het uithangbord van de Stad van Rijselhing, waar hun ouders waren overleden, gelegen in de Warmoesstraat in Haarlem, met alle goederen die bij de winkel hoorden. Aan Joost Fremyn viel toe: het huis met erf in de Warmoesstraat genaamd het Brandijse.

Bekijk transcriptie 


7 november 1898 werd majoor Leger in het Nederlands-Indische leger gepensioneerd.

Advocaat en procureur Mr. H. P. A. van der Breggen uit Amsterdam stuurde namens de minister een volmacht die majoor Leger had verstrekt naar het departement van Koloniën.

Van der Breggen schreef 10 november 1898 aan de minister van Koloniën dat majoor Leger hem had gevraagd zijn financiële zaken te regelen. Hiervoor werd een officieel gelegaliseerde volmacht opgesteld.

Bekijk transcriptie 


Op 5 juni 1770 werd in Makassar een Chinees genaamd Jntje Jingan gearresteerd voor 12 pakken koperen muntstukken die de gevangene door de koper vervolgens weer hierheen waren gebracht. Hij werd door zijn vrienden vrijgekocht. Toen Goemawa daarna weer terugkwam, gaf de schrijver opdracht hem op te pakken, maar hij ontsnapte en liet al zijn handelswaar achter. Daarom verzocht de schrijver aan de gouverneur deze brief te beantwoorden, zodat hij een beslissing kon nemen en wist wat hij moest doen. De brief was geschreven op het land van Salemparang op 8 Joemadiel ahier 1183, wat volgens de Europese kalender overeenkomt met 9 oktober 1769. De vertaling was getekend door J. Brugman.

Bekijk transcriptie 


Jan aan de Jacsilla met de vrouwen: 6 gulden 46 stuivers 5 penningen. Regtentaal een emansand en Jan Han anackescheraen en Gureshnris D'anhuim tegen Maijtred bij 43 gulden 50 stuivers. Jan Maninan de artilanten: 16 gulden 48 stuivers 51 penningen. Jingan Camben de Haere, Beeden in: 48 gulden 50 stuivers. Ande Ranw radrgen: 8 gulden 3 stuivers 16 gulden 48 stuivers 71 penningen. Jansagan Lande geven: 6 gulden 9 stuivers 1 penning 3 penningen. Jo van Cailante: 6 gulden 45 stuivers 5 penningen 0. Abraban Comman: 6 gulden 4 stuivers 7 penningen 1 penning. Dumaelin Jand Comp: 6 gulden 91 stuivers 50 penningen. Aendr door: 2 gulden 6 stuivers 10 stuivers 10 penningen.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/