Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
12 februari 1718. De Staten schreven naar de Staten van Doornik. Ze gaven hun commissaris, Ernest Posters, de opdracht om namens hen de gebruikelijke voorstellen en verzoeken te doen. Dit ging over hulp (aides) en vrijstelling van het inkwartieren van soldaten. De Staten vroegen om volledig te vertrouwen op wat de commissaris namens hen zou zeggen. De brief was gericht aan de burgemeester, schepenen en de raad van de stad Doornik.
De Staten stuurden hun commissaris naar de vergadering van de Staten van Doornik en het Doornikse gebied, zoals elk jaar gebruikelijk was. Ze gaven opdracht om bijeen te komen en te luisteren naar de voorstellen die hun commissaris namens hen zou doen. Ze hoopten dat er besluiten genomen zouden worden die voordelig waren voor hun belangen.
12 februari 1718. Resident Petters stuurde brieven waarin de Staten van Doornik bijeengeroepen werden en waarin geloofsbrieven stonden voor het vragen van hulp (aides).
14 februari 1718. De Keurvorstelijk Paltsische regering te Düsseldorf ontving een brief van 23 januari over een rechtszaak. Baron Scheiffart de Merode had via het gerecht van Gulpen een procedure gestart, op verzoek van Johan Bernhard, tegen de licentiaat Cox, raadsman en syndicus van de stad Aken. Er was beslag gelegd. De regering stuurde de zaak door naar de schout van Gulpen om informatie te krijgen, omdat ze zelf niet bekend waren met de zaak. Uit het antwoord bleek dat het gerecht van Gulpen op correcte wijze had gehandeld, zoals gebruikelijk was in zaken van beslag.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12006 / 0025 Op 10 januari 1749 deed Harmen van Voorst de eed af als secretaris van de rechtbanken van Helvoirt en Esch in de Meierij van 's-Hertogenbosch. De Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden maakten bekend dat door het overlijden van Johan Heren van Dompselaer, die secretaris was van Helvoirt en Esch, een nieuwe secretaris moest worden aangesteld. Vanwege de goede rapporten over Harmen van Voorst en zijn bekwaamheid en betrouwbaarheid benoemden zij hem tot secretaris van de rechtbanken van Helvoirt en Esch in de Meierij van 's-Hertogenbosch.
Hij kreeg volledige macht en bevoegdheid om dit ambt uit te oefenen. Dit hield in dat hij:
Harmen van Voorst was verplicht de juiste eed af te leggen. Na het afleggen van de eed bevalen de Staten-Generaal het plaatselijk bestuur van Helvoirt en Esch om Harmen van Voorst als secretaris te aanvaarden en te erkennen. Hij mocht het ambt rustig en ongestoord uitoefenen en de bijbehorende inkomsten ontvangen. Harmen van Voorst was verplicht zijn vaste woonplaats te nemen in een van de genoemde dorpen en het secretarisambt persoonlijk uit te oefenen. Dit besluit werd gegeven in Den Haag op 9 januari 1749, onder het zegel van de Staat.
Ook werd er een benoeming gedaan voor Hendrik van Darth als schepen van de stad Venlo. Door het overlijden van Ick van Darth was een schepenpositie in Venlo vacant gekomen. De Staten-Generaal benoemden daarom Mr. Hendrik van Darth, advocaat bij het Hof van het Overkwartier van Gelderland, voor deze functie. Hij deed de eed af op 15 januari 1709.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12287 / 0096 30 april 1888 werd een proces-verbaal ondertekend door notaris H. Bronsdijk te Zaandam. Er werd een bedrag van 13 gulden en 35 cent ontvangen.
26 april 1888 verscheen voor notaris Bartholomeus Arnoldus van der Saden te Haarlem de heer Johan Adriaan Esche, zonder beroep, wonende te Haarlem. Hij gaf een volmacht aan de heren J. F. Jannette, jonkheer H. A. Band en J. B. A. Kesler, allen wonende te Batavia. Zij waren chefs van de firma Tiedeman en van Kerchem, een administratiekantoor te Batavia. De volmacht gaf hen toestemming om namens Esche zijn onroerende goederen in Nederlands Oost-Indië uit de hand te verkopen aan personen en voor een prijs die zij geschikt vonden. Zij mochten de koopprijs ontvangen en kwijting geven, en alles doen wat nodig was. Dit alles gebeurde onder belofte van goedkeuring en bekrachtiging door Esche.
De akte werd verleden te Haarlem op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van getuigen Frans Alphonse Wijnhoven, kandidaat-notaris, en Herman Bronsdijk, kantoorbediende, beiden wonende te Haarlem. De akte werd na voorlezing ondertekend door de verschenen persoon, de getuigen en de notaris.
De akte werd geregistreerd te Haarlem op 26 april 1888. Er werd 1 gulden en 20 cent aan recht ontvangen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701477 / 268 17 maart 1753 werd vanuit Malacca bericht dat de inkomsten uit tin uit dat rijk niet waren gedaald. Volgens een brief van het opperhoofd, die 22 februari per expresse was aangekomen en gedateerd was op 15 februari, waren er sinds 24 januari al weer meer dan 100 bharen tin bij hem op de markt gebracht. De nieuw aangestelde sia bandhaar kon echter geen enkele bhaar verkrijgen, ondanks dat hij een schriftelijke toestemming van de koning had. Er werd opnieuw sterk aangedrongen op een snelle verzending van Radja Alam. Verder werd gemeld dat de koning was afgereisd tot op 3 mijl boven de Nederlandse vestiging, waar hij een fort voor zichzelf liet bouwen en 3 andere forten, waaronder 1 voor de Chinezen en 1 voor de moren.
Tijdens het boekjaar 1752 was er in totaal 425.081 pond tin ingezameld:
Er lag 42.508,3 pond bij de pakhuizen, en naast wat op Pera in voorraad was, ging het om ruim 155.000 pond, zodat men hoopte China voldoende te kunnen voorzien.
De algemene inventarisatie van alle bezittingen van de Compagnie was eind augustus volgens de gebruikelijke regels uitgevoerd. Bij de controle op 5 januari werden tekorten gevonden: 131 pond staal dat door de overleden luitenant-commandant van Pera, Johan Levin Esche, bij zijn terugkeer 468 pond te weinig was uitgeleverd, werd verhaald op zijn nalatenschap. Ook moest de erfgenaam van de overleden equipage-opzichter Ackerman 1.600 pond te kort bevonden spijkers betalen. Een nieuw aangemaakte waterkar en 3 maten smeekkolen die extra aangetroffen waren, werden in de boeken opgenomen. Beschadigde goederen die gerepareerd konden worden, werden verbeterd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8640 / 0219 Jan Hendrik Cornelis Blaauw werd geboren te Arnhem op 28 augustus 1845. Hij woonde in Epamen en wilde geëxamineerd worden in geschiedenis, land- en volkenkunde, kennis van de staatsinrichting van Nederlands-Indië, beginselen van de Maleise taal, godsdienst, wetten, volksinstellingen en gebruiken in Nederlands-Indië.
Willem Rutger de Greve werd geboren te 's-Gravenhage op 16 september 1847. Hij woonde in Leiden en wilde geëxamineerd worden in staatsrecht, land- en volkenkunde, geschiedenis van Nederlands-Indië, de Maleise taal en het Mohammedaanse recht.
Marie Alphonse Vezans Goossens werd geboren te Venlo op 27 september 1845. Hij wilde geëxamineerd worden in geschiedenis, land- en volkenkunde en kennis van de staatsinrichting van Nederlands-Indië, de beginselen van de Maleise taal, godsdienst, wetten, volksinstellingen en gebruiken van Nederlands-Indië.
Eeltje Jelles Jellesma werd geboren te Groede op 14 april 1851. Hij woonde in Wageningen en wilde hetzelfde examen afleggen als de vorige kandidaten.
Michael Henricus Witbols Feugen werd geboren te Batavia op 5 oktober 1846. Hij wilde hetzelfde examen afleggen als de vorige kandidaten.
Johan Marthin Esche werd geboren te Jaggernaikpoeram op 15 april 1849. Hij wilde hetzelfde examen afleggen als de vorige kandidaten, maar met Javaanse taal in plaats van Maleise taal. Hij had een voldoende eindexamen aan een hogere burgerschool afgelegd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2223 / 0548 31 september 1880 heeft de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië in Batavia besloten dat aan Jan Albert Scheuerman Johan, geboren op 11 april 1830, wordt medegedeeld dat hij vanaf 1 oktober 1880 een pensioen krijgt van 1.540 gulden per jaar. Dit bedrag komt ten laste van de begroting van Nederlands-Indië. Het pensioen is ingeschreven bij het departement van Koloniën in register A, folio 737.
30 december 1880 heeft de Minister van Koloniën in 's-Gravenhage een brief ontvangen van de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië van 19 november. De Minister heeft besloten over de rekening van boekwerken en kaarten die met het stoomschip Drenthe in 1880 naar Batavia zijn verzonden voor het Depot van Zeekaarten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3363 / 0449 Johannes Freere eiste tegen Piete des Raad dat hij zilverwerk terug moest geven dat aan des Raads overleden vrouw als onderpand was gegeven. Hij wilde dat Des Raad de kosten zou betalen. Beide mannen kwamen persoonlijk. De eiser toonde een betaalopdracht die hij op Johannes Seer had getrokken en zei dat hij deze aan de gedaagde had aangeboden voor betaling. Omdat Johannes Seer de betaalopdracht niet schriftelijk had geaccepteerd, werd gezegd dat hij dit moest laten accepteren. Partijen gingen naar buiten en de zaak werd uitgesteld.
Dinsdag 18 augustus 1750 werd het Hof van Civiele Justitie weer bijeengeroepen.
Christiaen Emanuel van den Bergh eiste tegen Johan Hendrik Linde dat deze moest luisteren naar de conclusie vanwege het verkopen van een zieke slavin. Hij wilde dat de kosten vergoed werden. Beide mannen kwamen persoonlijk. De eiser vertelde dat hij voor de plantage Heervlies op het woord van de gedaagde en op voorwaarde dat hij goede slaven zou ontvangen, van de gedaagde 3 mannelijke slaven en 1 vrouwelijke slaaf had gekocht voor 1250 gulden. Toen hij thuiskwam, ontdekte hij dat 1 slavin niet levensvatbaar was en 1 slaaf waterzucht had. Dit bewees hij met een verklaring van chirurgijn Pierre Lerrotet. De eiser liet de niet levensvatbare slavin door gerechtsbode Jan van Gennep terugbrengen naar het huis van Johan Hendrik Linde & Compagnie. Hij eiste dat de gedaagde werd veroordeeld om hem 4 goede slaven te leveren of de som van 1250 gulden terug te betalen. De gedaagde antwoordde dat de eiser hem had gevraagd om 4 slaven te verkopen. Hij had de eiser 2 mannelijke slaven en 2 vrouwelijke slaven laten zien en gezegd dat de eiser ze kon laten onderzoeken. Hij toonde een brief van de eiser waaruit hij beweerde dat de eiser diezelfde dag bij 1 van de slaven de pols had gevoeld. Hij zei dat de eiser die slaaf diezelfde dag had moeten terugsturen. Er werd besloten om gerechtsbode Jan van Gennep binnen te roepen. Hem werd gevraagd hoe dit was gebeurd, waarop hij antwoordde dat de huidige directeur van de plantages Westland
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.05 / 106 / 0128 7 april 1859 stuurde de Minister van Buitenlandse Zaken vanuit 's-Gravenhage een brief aan de Minister van Staat en Minister van Koloniën. De Pruisische Gezant had 5 april 1859 een verzoek ingediend om uitlevering van de Pruisische onderdaan Johann Heinrich David Klemm. Klemm had zich in 1856 laten aanwerven voor de Nederlandse koloniale dienst door te beweren dat hij uit Hongarije kwam. Hij was dienstplichtig in Pruisen en diende momenteel bij het 4e Eskadron van het Regiment Oost-Indische Cavalerie. De minister vroeg of Klemm, die in de registers voorkwam onder nummer 37822, kon worden teruggestuurd naar Nederland, ondanks de diensttijd die hij nog moest vervullen. Dit moest gebeuren volgens de gebruikelijke manier waarop door de Pruisische Regering gereclameerde militairen werden behandeld. De minister verzocht om te worden geïnformeerd over de beslissing in deze zaak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 828 / 0318 Vanuit Malacca werd 31 januari 1753 gemeld dat er meer informatie nodig was over hoeveel winst de Compagnie in een heel jaar zou kunnen maken, om daarna verder te beslissen.
Er werd een Maleise vertaling gemaakt van een contract tussen de koning van Pera en luitenant-militair Johan Levin Esche namens de Verenigde Oostindische Compagnie over de zouthandel.
In het jaar volgens de islamitische kalender 1164, op de 7e dag van de maand Rajab, had de koning van Pera met zijn toestemming de pacht van het zout aan de Compagnie gegeven. Dit gebeurde toen Essche daar werkzaam was als koopman van de Compagnie. De voorwaarden waren:
De koning was hiermee akkoord gegaan en het papier was bovenaan bekrachtigd met zijn zegel.
Dit werd vertaald volgens opgave van de Maleise tolk Intje Oemak door F. L. Piazzoll, klerk van de Compagnie.
Genoemde luitenant Esch had in eerdere brieven al meerdere malen met oneerbiedig en aanstootgevend taalgebruik lastige verzoeken gedaan om van daar weg te mogen. Hierover was al eerder gevoelig gereageerd in een brief van 13 april van het vorige jaar, als antwoord op zijn brief van 15 februari.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8640 / 0120 Op 6 oktober 1750 werden in Malacca verschillende documenten achtergelaten. Dit waren:
Het document werd getekend door L. Piazzol, beëdigd klerk, in Malacca op 6 oktober 1750, en gericht aan Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8637 / 0382 Dr. Ol. AhAEll, voormalig kapitein bij de infanterie van het Nederlands-Indisch leger en gepensioneerd, verbleef tijdelijk in het land. Hij diende een verzoek in voor een schadevergoeding die hem toekwam als regeringspassagier van de 1e klasse aan boord van het stoomschip Prins Hendrik. De vergoeding had betrekking op zijn verplichte verblijf aan land in Batavia met zijn echtgenote en 2 kinderen. Deze kinderen waren geboren op 10 augustus 1887 en 21 januari 1869. Het verblijf duurde van 31 maart 1895 tot en met 3 april 1895, in totaal 5 dagen, tegen een tarief van een bepaald bedrag per dag, wat neerkwam op 150 gulden.
De ondertekenaar verklaarde dat bovenstaande rekening correct en onbetaald was tot een bedrag van 150 gulden. Dit gebeurde te Arnhem op 2 juni 1895.
De verklaring moest bij het Departement van Koloniën worden ingediend in tweevoud, waarvan 1 exemplaar op Nederlands papier en 1 ongeregeld, met de verklaring van de belanghebbende, eveneens op Nederlands papier of voor een Nederlands kantoor gewaarmerkt.
J. D. J. Merche, 2e officier van justitie van Johan Hendrik Jacob Merche.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4941 / 0505 20 september 1862 ontvingen de commissarissen van de Nationale Militie in de provincie Zuid-Holland een certificaat. Dit certificaat was voor Karel Johan Adriaan Ligvoet, geboren 29 augustus 1838 in Soerabaja (Oost-Indië). Hij was de zoon van ingenieur Willem Carolina en woonde in Brussel. Volgens artikel 17 van de wet had hij zijn militaire dienstplicht volbracht.
Het document werd geregistreerd onder nummer 2388, 2de afdeling, op 4 oktober 1861.
Het certificaat was afgegeven door de Commissaris van de Koning in de provincie Zuid-Holland in 's-Gravenhage op 29 augustus 1862. Het was ondertekend door de Secretaris-Generaal namens de Minister van Koloniën.
Het document verwees naar de wet van 18 augustus 1861 (Staatsblad nummer 72), het Koninklijk besluit van 11 december 1861 (Staatsblad nummer 127), en de regels voor vrijstelling van militaire dienst.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4268 / 1009 1634 werd een document ter goedkeuring aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd.
De Directeur Generaal legde een kopie van brevet nummer 101 voor. Richard Brem, vrederechter van het kanton Rotterdam nummer 2 en 4, district Rotterdam, provincie Holland, verklaarde en bevestigde het volgende na het horen van getuigen:
Zij bevestigden dat wijlen Johannes Wilhelmus Bezoth, geboren te Oudenbosch, laatstelijk gediend had als provoost op Zijner Majesteits depot fregat Melampus. Hij was op 31 juli 1832 in Oost-Indië overleden.
Hij had geen andere of nadere erfgenamen nagelaten dan:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 973 / 0472 3 oktober 1724 verschenen voor notaris Adrian Baars in Amsterdam de heren Gerrit Elschen, Renner Elsken en Oldert Elschen, wonend in deze stad. Zij vertegenwoordigden hun vader Detman Elschen, die woonde in 't Graafschap Bentheim, volgens een volmacht van 29 juni van dat jaar die daar voor notaris was opgemaakt. Hun vader en hun moeder, die ook nog in leven was, waren erfgenamen van hun broer Johan Elschen, die in Suriname was overleden. De vergaderden verklaarden in hun hoedanigheid dat Jan Agges Scholte, koopman in deze stad, die de zaken hier regelde voor Jacob Muunicx, koopman in Suriname, aan hen de rekening had getoond van de nalatenschap van Johan Esche, namelijk de lijst van wat hij had achtergelaten aan kleding en verder.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1175978 / 495 Marin, geboren te Saemarang op 7 december 1577, wonend te 's-Gravenhage, zonder beroep, zoon van Johannes Wilhelmus en Johan Frederik Hendrick Scheellz en van Anna Martha Alexandrina Esche, beiden overleden in Nederlands-Indië (de eerste in 1651, de laatste in 1662), had volgens artikel 16 van de wet van 1 augustus 1861 (Staatsblad nummer 723) tot nu toe geen plichten met betrekking tot de Nationale Militie hoeven vervullen, omdat hij niet binnen het Koninkrijk verbleef.
Geregistreerd op 29 juli 1882.
De Commissaris des Konings in de Provincie Zuid-Holland, Maullie, verklaarde dit volgens artikel 8 van de wet van 1 augustus 1861 (Staatsblad nummer 121) en een Koninklijk Besluit (Staatsblad nummer 127).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2124 / 0479 Johannes Alexander Esche werd op 31 jaar vanuit Amsterdam in Nederland ingeschreven. Hij woonde in Soerabaja. Op 10 september 1873 werd hij benoemd tot secretaris van de residentie Banjarmasin. Op 15 oktober arriveerde hij daar samen met L. Hoborcke Nautilies.
Johan Marten Esche was 20 jaar oud en kwam uit Amsterdam in Nederland.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3132 / 0031 Op 28 juni 1750 stuurde men vanuit Malacca verschillende documenten mee over hun patrouille naar de rivier Lavoet ter controle:
Het document werd op 28 juni 1750 in het fort in Malacca ondertekend door P. Siazzoll en Eg. Clercq voor Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2762 / 1297 28 maart 1840 tot 6 april: Er werd geschreven aan Zijne Excellentie de heer Minister van de Zeemacht en Koloniën van de Nederlanden in Den Haag. Een bloedverwant genaamd Pieter van der Gequst, zoon van Johan Baptiste en van Dorothea Lambert, geboren te Oudenaarde in Oostvlaanderen, was op 28 november 1820 als sergeant-majoor van de artillerie naar Oost-Indië vertrokken aan boord van het schip Hendrik Frederik, zonder dat zijn familie sindsdien nog iets van hem gehoord had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1293 / 0050 14 mei 1888 verscheen mevrouw Antoinette Louise Kortz, echtgenote van Johan Adriaan Esche, wonende te Haarlem, voor notaris Bartholomeus Arnoldus van der Maden te Haarlem.
Zij verklaarde dat haar testament van 24 januari 1868, opgemaakt door notaris Hendrik Reyers te 's-Gravenhage, verder van kracht bleef. Daarnaast benoemde zij haar stiefdochter Carolina Esche tot erfgename van 1/6 deel van haar nalatenschap.
Carolina Esche was geboren te Sedandang district Selokaton, regentschap Kendel residentie Samarang op 15 januari 1865 en ingeschreven in het register van de burgerlijke stand te Samarang, Java, op 20 maart 1865 door ambtenaar van de burgerlijke stand Johannes Petrus Metman. Bij vooroverlijden van Carolina zouden haar wettige kinderen of verdere afstammelingen haar plaats innemen.
De akte werd verleden ten kantore van de notaris te Haarlem, in aanwezigheid van getuigen Frans Alphonse Wijnhoven, kandidaat-notaris, en Herman Bronsdijn, kantoorbediende, beiden wonende te Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701477 / 326 1 februari 1884 werd in Amsterdam een declaratie opgesteld voor de verschuldigde vergoeding voor de opleiding van kwekelingen. Deze kwekelingen waren op kosten van het Departement van Koloniën geplaatst aan de Kweekschool voor de Zeevaart.
De opleiding duurde van 1 augustus 1883 tot 1 februari 1884. Volgens artikel 50 van de overeenkomst van 31 mei 1878 waren de opleidingskosten per kweekeling 800 gulden per jaar, dus 400 gulden per semester. Hiervan werd 40 gulden afgetrokken omdat dit van de kweekeling zelf ontvangen was, waardoor er nog 350 gulden per persoon verschuldigd was.
De volgende kwekelingen volgden de opleiding:
Het totaalbedrag was 4.725 gulden. De declaratie was opgesteld door de Commissarissen over het Vaderlandsch Fonds ter aanmoediging van 's Lands Zeedienst, opgericht in 1781.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3723 / 0610 De volgende personen waren betrokken: W. Dt. Berman, W. H. A. P. H. H. van Nassau, L. I. E. Esche, J. M. H. Ochsendorf, J. Hemmes, A. J. van Hemert, L. A. Kuchlin en P. Zwart. Zij waren goedgekeurd bij besluiten van de Commissarissen op 5 juli 1779, juli 1800, 2 juli 1801 en 1 juli 1802. Deze goedkeuring werd verleend door de Heer Bewindvoerder voor rekening van het Departement van Koloniën.
De verklaring ging over de verschuldigde vergoeding voor de opleiding van leerlingen die geplaatst waren op de kweekschool voor zeevaart van het Departement van Koloniën. De volgende leerlingen werden genoemd: C. Meulemans, Willem Frederiks, Geraerds Thesing (ter vervanging van Johannes Simon de Bruijn), Hannes van Wijk, Willem Gokkel, Willem Frederik Berman, Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik van Nassau, Gustav Wilhelm Emil Esche, Johan Matthias Wilhelm Ochsendorf, Johannes Hemmes, Arnoldus Johannes van Hemert, Eduard Alexander Kuchlin en Pieter Zwart.
Gedurende het semester van 1 februari tot 1 augustus 1881 bedroegen de opleidingskosten voor elke leerling volgens artikel 10 van de overeenkomst van 31 mei 1878 800 gulden per jaar, dus 400 gulden per semester. Hiervan werd 50 gulden afgetrokken omdat de leerlingen dit zelf ontvingen, wat resulteerde in 350 gulden per leerling. Voor 12 leerlingen kwam het totaal op 4200 gulden.
Op 1 augustus 1881 in Amsterdam tekenden de Commissarissen van het Vaderlandsch Fonds ter aanmoediging van 's Lands Zeedienst (opgericht in 1764) dit document.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3660 / 0559 31 januari 1753 werd in Malacca besloten dat iemand een onbeschofte brief had gestuurd die eindigde met een brutaal verzoek om de zaak te onderzoeken. Hij dreigde dat hij anders zichzelf zou moeten redden en zonder aandacht aan deze plaats direct naar Batavia zou varen. Deze verregaande en beledigende dreiging kon absoluut niet worden getolereerd van een ondergeschikte, omdat daaruit al snel eigenmachtig gedrag zou voortkomen tot vernedering van het wettige gezag. Vooral niet omdat dit kwam van iemand die een hele Compagniebezetting van groot belang met zijn ondergeschikten was toevertrouwd.
Op voorstel van de heer gouverneur werd voorlopig besloten om Esche van daar te laten komen en te laten vervangen door de vaandrig Johan Jacob Hartman. Esche moest aan zijn vervanger het hele gezag overdragen met alles wat daarbij hoorde. Verder moest er met de eerste gelegenheid een behoorlijke overdracht plaatsvinden van alle geld, goederen en alles wat verder bij de Compagnie hoorde, onder toezicht van speciaal aangewezen commissarissen. Hiervoor werden benoemd de assistenten Anthonij Salice en Jan Diterichs, die ook de handelsboeken tot eind augustus van dit jaar op orde moesten brengen.
Na deze taken moesten zij met de vaartuigen die voor Lawet kruisten, en die vervangen zouden worden door de sloep de Jaffanapatnam, samen met het vertrekkende opperhoofd Esche terugkomen. Het verdere besluit over de handelwijze van Esche werd uitgesteld.
Nadat het nieuwe opperhoofd Hartman de eed had afgelegd bij de heer gouverneur, werd verder besloten om hem in de vertrekkende brief ernstig aan te bevelen het gehuurde Chinese vaartuig te behandelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8640 / 0122 D. Dol. was kapitein, geboren op 1 september 1648. Hij woonde in Breda en trouwde op 12 oktober 1680 met S. E. Esche, geboren op 28 september 1658.
Hun kinderen waren:
Een kapitein woonde in Wiesbaden. Griedrech trouwde op 12 mei 1888 op 14 augustus 1886 met H. dr. Dl. Mahlinger, geboren op 15 september 1846. P. G. Bergsma was geboren op 20 januari 1849.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 657 / 0038 Johan Marthiu Esche, geboren op 15 april 1849 te Jaggernaik-Toeram in de residentie Krawang op het eiland Java, woonde op dat moment in 's-Gravenhage. Hij gaf op 1 mei 1867 aan dat hij graag wilde deelnemen aan het eerste deel van het Oost-Indisch ambtenaren examen, dat in juni zou plaatsvinden. Hij was geen leerling geweest van de voormalige koninklijke academie van Delft, maar volgde op dat moment het onderwijs in de 5e klas van de hogere burgerschool in 's-Gravenhage. Zijn adres was bij de heer A. J. Furstner in de Jacobcatsstraat in 's-Gravenhage.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 1937 / 0275 Louis Couvrard, Johannes Esche, Alexander Evenaars, David Einden, Willem Gibers, Johannes Esche en Frans Groot werden geregistreerd. Hun leeftijden waren respectievelijk 46, 27, 22, 40, 30, 19 en 28 jaar. Ze waren geboren in verschillende plaatsen:
Hun beroepen omvatten magazijnmeester, klerk en anderen. Ze kwamen aan op het eiland in verschillende jaren: 1804, 1803, 1817, 1802, 1817 en 1819. Ze woonden op deze plaats sinds verschillende jaren tussen 1809 en 1819. Op 2 december 1819 overleed iemand zonder testament en de erfenis werd door de weeskamer te Semarang aanvaard.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3117 / 0018 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/