Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 30 september 1666 verklaarde Johannes Oli, een openbare notaris in Amsterdam, voor de rechtbank van Holland het volgende: Johannes Oli handelde namens: Deze drie waren erfgenamen van de overleden Servaes Montenacq. Zij eisten van François Montenacq dat hij binnen 3 of 4 dagen een volledige financiële verantwoording (rekening, bewijsstukken en restbedrag) zou geven over zijn beheer van de nalatenschap van Servaes Montenacq. François had deze taak gekregen via een volmacht, maar had ondanks herhaalde verzoeken nog niets laten zien. De erfgenamen trokken de volmacht in en waarschuwden dat ze François via de rechter zouden dwingen als hij niet meewerkte. Ze zouden hem ook aansprakelijk stellen voor alle kosten, schade en rente die hierdoor ontstonden. Daarnaast wilden ze zo snel mogelijk de verdeling van de resterende bezittingen en geld van de nalatenschap regelen. François Montenacq vroeg om een kopie van dit verzoek en om een officiële akte hiervan. De verklaring werd opgesteld in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Chacles Vignor en Dirck Rendorp.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937203 / 290  


Geertruyt Cornelis bepaalt in haar testament wie haar bezittingen erft. Deze bezittingen zijn vrij en niet belast met schulden of andere verplichtingen. De erfenis wordt als volgt verdeeld: Daarnaast krijgt Meijchgen Cornelis, een dochter van Cornelis Jansz van Maurick, uit deze helft een bedrag van 200 als voorrecht (een soort voorrang op de erfenis). Geertruyt Cornelis stelt ook regels voor de verdeling als een erfgenaam zonder nakomelingen overlijdt: Geertruyt Cornelis verbiedt dat iemand de erfenis aanvecht op grond van wettelijke regels over verplichte erfporties (een vast minimum voor bepaalde erfgenamen). Tot slot benoemt zij:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507148 / 616  


Johan Carel de Leeuw, dijkgraaf in de Anna Paulownapolder (gemeente Wieringermeer), treedt op als toeziend voogd over de minderjarige kinderen Johanna Jacoba Zocher en Maria Elisabeth Kocher. Deze kinderen zijn geboren uit het huwelijk van hun vader Louis Paul Kocher en hun overleden moeder Wilhelmina Geertruida Santbergen. Omdat de belangen van de kinderen botsen met die van hun vader, is De Leeuw benoemd door de kantonrechter in Haarlem op 17 juni 1867. Johanna Jacoba Ratelband, getrouwd met Jan David Kocher (architect en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw) onder huwelijkse voorwaarden (zonder gemeenschap van goederen), staat haar man bij in deze akte. Hun huwelijk is gesloten op 22 maart 1849 voor notaris Pieter Mabé Junior in Haarlem. Albertus Perk, notaris in Hilversum en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, handelt namens James de Ryk (kunstschilder) en diens echtgenote Anna Catharina Machtilda van Delden. Zij zijn getrouwd zonder huwelijkse voorwaarden (in wettelijke gemeenschap van goederen) en wonen in Hilversum. De Ryk is tevens vader van de minderjarige Maria Ambrosina Geertruida de Ryk, wiens belangen hij behartigt. Anna Catharina Machtilda van Delden en Maria Ambrosina Geertruida de Ryk zijn de enige erfgenamen van de overleden kunstschilder Johannes de Waal Malefyt, die op 19 november 1851 in Hilversum kinderloos en zonder nabestaanden stierf. Van Delden erft twee derde van de nalatenschap, De Ryk (als minderjarige) een derde. Haar deel wordt beheerd door haar ouders tot haar meerderjarigheid, zoals bepaald in het testament van De Waal Malefyt uit 24 december 1850, opgemaakt bij notaris Aart Jacob Croll in Amsterdam en geregistreerd in Weesp op 28 november 1851. De akte vermeldt ook het overlijden van Hendrikje van der Horst, weduwe van Adriaan de Waal Malefyt Junior, die op 7 april 1849 in Haarlem kinderloos stierf.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701549 / 253  


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3677060 / 1164  


In 1676 overleed in Amsterdam de eerbare Guurtje Sons, weduwe van Pieter Aelbertse Noorman. Zij liet een onverdeelde erfenis achter, bestaande uit huisraad en inboedel (de rest was al eerder verdeeld door de erfgenamen). De erfgenamen waren: Later, in 1693, vond er een verdeling plaats van de nog niet verdeelde goederen. Hierbij waren betrokken: Maritje Jans van der Hart was de weduwe en erfgename van Jasper Cornelisse Stilte (die eerder was overleden). Zij vertegenwoordigde ook haar overleden kind, dat door Jasper Cornelisse Stilte was erkend. Hierdoor had zij recht op een vierde deel van de erfenis, bestaande uit 40 grote stukken, stuivers en penningen. Deze volmacht (vertegenwoordiging) was vastgelegd in een akte bij notaris Pieter Baas op 3 mei 1693.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 356  


Op 1 februari 1814 verscheen Gerrit Albas, een 32-jarige arbeider uit Westveen, bij notaris Jacobus Arnijk van Bergen in Ouder-Amstel. Albas was eerder in Zevenhoven ingeschreven voor de landmilitie (een soort loting voor militaire dienst) en had in Alphen aan den Rijn lotnummer 268 getrokken.

Ook Teunis Verweij, een boerenknecht uit De Warre (bij Ouderkerk aan de Amstel), was aanwezig. Hij had bij de loting op 7 januari 1814 in Ouderkerk nummer 19 getrokken.

Beide mannen spraken af om hun lotnummers te ruilen. Hierdoor zou Albas in dienst hoeven als vervanger (romplaçant) voor Verweij. Albas beloofde vanaf die dag als soldaat te zullen dienen, zo lang de overheid dat nodig vond.

Als tegenprestatie zou Verweij aan Albas in totaal 100 gulden betalen:

  • 25 gulden direct bij het tekenen van de akte (die Albas meteen ontving),
  • 75 gulden zodra Albas daadwerkelijk in actieve dienst werd gesteld.
Beide mannen beloofden zich aan de afspraak te houden en gaven hun woonadres op als officiële contactplek.

De akte werd opgesteld in Ouderkerk, in het huis van Pieter Kok (kasteelbewaarder) en zijn vrouw Tictie van Rooijen. Omdat Albas en Verweij niet konden schrijven, tekenden alleen de getuigen (Pieter Kok, Pater van Roogen) en de notaris.

De akte werd later, op 1 februari 1834, geregistreerd in Amsterdam. De notaris de Haan ontving hiervoor 1 gulden, 6 stuivers en 8 penningen (omgerekend ongeveer €0,52).

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5307737 / 15  


In haar testament benoemt de vrouw de volgende personen als haar enige erfgenamen, die alles gelijk verdelen:

Er is één voorwaarde: de erfgenamen moeten akkoord gaan met hoe Jacob van Vaerlem en Martina Montenac (weduwe van Francoijs Mons) de goederen van de overledene hebben beheerd en verdeeld. Ze moeten tevreden zijn met de staat en inventaris die deze twee aan hen presenteren. Als ze dat niet doen, verliezen ze hun erfdeel. Dat deel gaat dan naar degenen die wel akkoord gaan.

De vrouw bevestigt dat dit haar laatste wil is. Het document is opgesteld in Haarlem op onbekende datum (in document "binnen dese st. 355" genoemd), in aanwezigheid van de getuigen Pieter Soutman en Willem van Beveren. De notaris is Assuerus Beuns.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 355  


Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1528463 / 95  


Op 18 maart 1735 verscheen Cornelis Ariense van der Meer (64 jaar) en Jan Willemse van der Hoeven (58 jaar), beide inwoners van Schiedam, voor notaris Jan van Lijken. Zij verklaarden op verzoek van:

dat zij Cornelis Ariensz van Duijn goed hadden gekend. Deze was in 1717 als jonge, ongehuwde soldaat in dienst getreden van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de Kamer van Zeeland in Middelburg. Hij vertrok met het schip 't Vaderland naar Oost-Indië, waar hij later was overleden.

Volgens de getuigen had Cornelis Ariensz van Duijn de volgende familieleden achtergelaten:

Zij bevestigden dat Cornelis Ariensz van Duijn geen andere (half)broers, (half)zussen of nakomelingen had. Zijn ouders, Arij van Duijn en Trijntie Cornelis, waren al jaren eerder overleden en begraven in Schiedam.

De getuigen kenden de familie al jaren en waren bereid hun verklaring onder ede te bevestigen. Aanwezig als extra getuigen waren Jan Hooningh en Johannes Schuijnsteijn.

Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1526209 / 222  


J. Geelvinck meldt in een brief vanaf 1 april 1711 uit Brussel dat er ongeveer 10.000 soldaten verdeeld worden over verschillende steden in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België). De verdeling ziet er als volgt uit:
  • Luxemburg: het hele regiment van Saxen Gotha, twee grenadiercompagnieën van Murrai en een compagnie artilleristen.
  • Mons (Bergen): twee bataljons van Dlinze, zes eskadrons dragonders (bereden soldaten) van Sintignon en een detachement (groep) artilleristen.
  • Ath: een compagnie van D'Einse en een detachement artilleristen.
  • Brugge: twee bataljons van Vierset en een detachement artilleristen.
  • Gent: twee bataljons van Los Rios en een detachement artilleristen.
  • Oostende: een bataljon van Vierset en een detachement artilleristen.
  • Dendermonde: een bataljon van Los Rios, dat het bataljon van Ferrari vervangt. Dit laatste bataljon gaat naar Luxemburg om zich bij de rest van het regiment te voegen en vervolgens samen op mars (verplaatsing) te gaan.
  • Brussel: twee bataljons van Murrai, zes grenadiercompagnieën (twee van Los Rios, twee van D'Einse en twee van Vierset), een compagnie huzaren (lichte cavalerie), een eskadron dragonders van Sintignon en een detachement artilleristen.
  • Mechelen: de niet-uitgezonden artilleristen (in totaal 811 man).
  • Antwerpen: een bataljon van Murrai en een detachement artilleristen.
De veldbataljons, grenadiers, dragonders en artilleristen van de vijf genoemde regimenten hebben voorlopige orders gekregen om klaar te staan voor een mars. Of ze daadwerkelijk vertrekken, hangt af van hoeveel troepen keizer Karel VI (keizerlijk) en de koning (koninklijk) nodig achten voor hun plannen, die nog niet bekend zijn. Er gaan geruchten, zelfs onder het volk, dat Franse troepen deze gebieden zouden komen bezetten, omdat ze Oostende in de laatste oorlog verdedigd hadden. Geelvinck belooft nauwkeurig verslag te doen van alle troepenbewegingen in de regio en zal de Mint (de geadresseerde) hierover informeren. De brief is ondertekend in Brussel op 1 april 1711 en ontvangen op 14 april 1711.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11488 / 0821  


Gouverneur John Murray gaf op 26 januari 1873 aan Brigadegeneraal Dene de opdracht om een vonnis uit te voeren in de kolonie Berbice. William Threlfall, plaatsvervangend vennootschapsbestuurder (tweede man) van de kolonie, diende een verzoek in. Hij eiste namens Peter Coner en een zekere kapitein betaling van een schuld van 567 gulden van J.A. Leisner en L.S. Gallen. Deze twee waren borg (garant) voor een lening. Threlfall wilde dat Leisner en Gallen als borgstelling betaalden, omdat zij volgens de wetten (officiële documenten) hiertoe verplicht waren. De schuldenaren hadden echter geen geld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AB.6.3A / 0087  


Op 5 november 1890 dienden Han Pielle Jannette en Willem Abraham Mulder, beiden werkzaam voor de firma Tiedeman en van Kerchem, een verzoek in bij de overheid in Batavia (nu Jakarta). Zij wilden graag een tijdelijke vergunning (voor 1 jaar en 6 maanden) voor het aanleggen en exploiteren van een hoofdspoorweg van:

  • De rechteroever van de rivier de Tjiliwoeng (nu Ciliwung),
  • via Meester Cornelis (nu Jatinegara), Oosnelio, Aseet,
  • naar Sangjong, Plok (met een aftakking naar de staatsspoorweg in Weltevreden (nu centraal Jakarta) en Harmoni).

De totale lengte van het traject zou 47,7 kilometer bedragen. De aanvragers boden 2000 gulden voor de vergunning.

De Resident van Buitenzorg (nu Bogor) bevestigde op 31 oktober 1890 dat Jannette en Mulder Nederlanders waren en in Nederlands-Indië woonden.

In de beoordeling van het verzoek werden een paar punten gemaakt:

  • Als de overheid deze vergunning verleende, zou de staat afzien van het zelf aanleggen van deze spoorlijn.
  • Het geven van de vergunning zou garanties bieden voor de plannen die de overheid had voor spoorlijnen rond Batavia en Buitenzorg.
  • Het afwijzen van de vergunning zou gelijkstaan aan het opgeven van een belangrijke kans, vooral omdat eerdere pogingen om een spoorwegmaatschappij op te zetten waren mislukt. Een afwijzing zou kunnen leiden tot het voortbestaan van een onhoudbare situatie.

De Resident vond dat er nog geen definitief besluit genomen kon worden, omdat de onderhandelingen met de aanvragers nog niet waren afgerond. Hij stelde voor om de uiteindelijke beslissing over te laten aan het Opperbestuur (de hoogste overheid in de kolonie). Wel adviseerde hij om de minister op de hoogte te brengen van het verzoek van de firma Tiedeman en van Kerchem, voor zover dat per telegram mogelijk was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4443 / 0545  


Op 18 maart 1595 verschenen voor een notaris in Haarlem twee mannen:

Zij verklaarden onder ede (maar zonder een echte eed af te leggen, alleen op hun eer en geweten) dat ze zich herinnerden dat Jan Jacobsz Volck op een dinsdag een huis had gehuurd. Dit huis was eigendom van fremyn Laurens ten Nys, die woonde in de Warmoesstraat. Het huis was eerder gekocht door Jacobsz Calck, een kalkverkoper. De huurperiode was 3 jaar, beginnend in mei 1595, en de huurprijs was 22 pond Vlaams per jaar. Deze verklaring werd opgetekend in het huis van Jan ter Letten op de Burchwal, in aanwezigheid van:

Op 29 maart 1595 verschenen voor dezelfde notaris:

Zij handelden namens Jonge Merre Maninxche, de erfgenamen van wylen Kenn. Symons (een overleden persoon) en diens moeder. Zij gaven Roen van Soutelande volmacht om namens hen op te treden bij de Hoge en Provinciale Raad in Holland. Deze volmacht was bedoeld om een rechtszaak te voeren tegen Baert Claesz Bierman en anderen, zowel in civiele zaken als bij de heren van de rechtbank. Roen van Soutelande mocht ook anderen aanstellen om hem te vervangen en alle nodige stappen ondernemen. Claes Jansz en Joost Cornelisz beloofden deze volmacht te bevestigen en te respecteren. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van:

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974437 / 82  


Op 4 december 1662 werd een officiële akte opgemaakt door een notaris in Haarlem, in aanwezigheid van twee getuigen:

Op verzoek van Andries Palinck bevestigden de getuigen onder ede dat:

  • Cilletgen, de vrouw van Rut Reynertsz Baker, op vrijdag (de dag voor de akte) had toegegeven dat zij:
    • de huishoudelijke spullen en kleding van de weduwe van Joos van Casel (die in haar kamer was overleden) door een tweedehandsverkoper had laten verkopen,
    • het geld had ontvangen en
    • een deel daarvan had gebruikt om schulden van de weduwe af te betalen.

Ook Fremijn Laurens, een 52-jarige zijdelakenkoopman, bevestigde op verzoek van Andries Palinck dat:

  • de tweedehandsverkoper, Lijsbeth Pieters, de dag ervoor bij hem thuis had bekend dat zij:
    • op verzoek van Rut Reynertsz Baker’s vrouw de spullen van de weduwe van Joos van Casel uit diens sterfkamer had gehaald,
    • de spullen op een veiling "op de Vlaamse wijze" (met opbod) aan verschillende mensen had verkocht en
    • daarvoor 15 stuivers had gekregen van Rut Reynertsz Baker’s vrouw, terwijl eigenlijk alleen 10 stuivers was afgesproken.

De getuigen beloofden hun verhaal later nogmaals te bevestigen als dat nodig was. De notaris, N. W. van Triers, maakte hiervan een officiële akte in zijn huis aan de Batterijstraat in Haarlem, met als extra getuigen:

De akte werd ondertekend door de notaris en de getuigen.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975208 / 135  


In 1751 werd in Batavia (het huidige Jakarta) het toezicht op het waterfiscalaat (belastingen op water) tijdelijk toevertrouwd aan Willem Daniel Vignon, die toen werkzaam was als advocaat-fiscaal (openbaar aanklager en belastingcontroleur). Deze taak werd hem gegeven na het overlijden van de vorige waterfiscaal, Herlach Cornelis Johannes van Massau, op 30 maart. Naast Vignon werden ook de volgende personen genoemd in deze zaak: De brief vermeldt ook dat de redenen voor deze beslissing eerder waren toegelicht in een geheime brief aan een hoge functionaris, gedateerd 27 juli van datzelfde jaar.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3869 / 1705  


Frederik Hendrik, de prins van Oranje, had met zijn leger vier kampementen opgeslagen rond Breda, maar deze waren niet goed met elkaar verbonden. Toen kreeg hij een brief van de hertog van Bouillon, gouverneur van Maastricht, met het nieuws dat de markies del Ytona met het Spaanse leger onderweg was naar Bredade Langstraat naar Drunen en Heusden, waar hij met het Staatse leger een nieuw kamp opsloeg om het Spaanse leger tegen te houden. Het Spaanse leger, dat voor Maastricht had gelegen, liet alleen de markies de Eytona achter om kasteel Argenteau en een schans bij Weset te bewaken. Een brug bij het klooster De Hucht werd verplaatst naar Stevensweert, wat de Spanjaarden goed uitkwam. Hierdoor kon Maastricht ontzet worden. Daarna werden de steden Aken en de gebieden Limburg en Gulik goed voorzien van allerlei benodigdheden. De Staten-Generaal dreigden Luik dat als ze de handel niet vrij zouden laten, ze die zelf zouden stoppen. Op 14 september 1634 voerden de Spanjaarden met 4 regimenten ruiterij en 200 voet soldaten een aanval uit op het ruiterkamp van graaf Willem van Nassau bij Venlo. Ze werden echter verslagen door baron Slabada en verloren een vaandrig en enkele ruiters. Aan Staatse kant sneuvelde kolonel Roosekrans, een ervaren soldaat die de Staten-Generaal goed had gediend. Adriaan Pauw en Joan Knuyt werden in 1634 als gezanten naar Frankrijk gestuurd om een overeenkomst met koning Lodewijk XIII te bevestigen en verdere afspraken te maken. Later hielp Joan Knuyt ook mee bij de onderhandelingen voor de Vrede van Münster in 1646 tussen de koning van Spanje en de Staten-Generaal. Na hun verblijf in Parijs keerde Joan Knuyt terug met nieuwe voorstellen die afweken van eerdere afspraken. Hierover werd in september 1634 een bijeenkomst gehouden in Heusden, waar ook de prins van Oranje aanwezig was. Ze bespraken de volgende punten:
  • Koning Lodewijk XIII moest voor 1 januari 1635 duidelijk maken of hij de koning van Spanje de oorlog zou verklaren.
  • Als de oorlog uitbrak, zou Frankrijk 25.000 voet soldaten en 5.000 ruiters leveren, met alle benodigde wapens, munitie en andere uitrusting voor een veldslag of belegering.
Bekijk transcriptie kronieken / 367608 / 40  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3364 / 0269  


Gregorius Hendrick Praagman, het opperhoofd in Siam, schrijft op 25 november 1724 een brief naar de leiding van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Batavia.
  • De koning van Siam had beloofd jaarlijks 12.000 pikol (een gewichtsmaat) soppanhout (een soort hout) te leveren, maar in werkelijkheid werd slechts ongeveer 1200 pikol per jaar afgeleverd. Praagman vraagt of de VOC-leiding dit in hun volgende brief aan de koning en berquelang (een hoge Siamese functionaris) wil aankaarten.
  • Eerdere brieven en geschenken van de VOC, gebracht door het schip Oudenaerde, zijn op 1 oktober 1724 overhandigd aan de berquelang, maar er is nog geen reactie of tegen cadeau ontvangen.
  • Het Siamese hof was eerst ontevreden omdat ze niet op de hoogte waren gebracht van de benoeming van Praagman als opperhoofd. Na de vertrek van de schepen en een genomen beslissing (waarvan eerder een kopie was gestuurd) is hier echter geen ruzie meer over gemaakt. Praagman bedankt de VOC-leiding wel voor hun steun in deze kwestie.
  • De VOC had gevraagd om gomlak (een soort hars) en olifantstanden, maar hier kon niet aan voldaan worden:
    • Door ziekte (kinderpokken) in het gebied waar gomlak verzameld wordt, is er te weinig van binnengebracht. Het beetje dat wel beschikbaar was, werd door Chinese handelaren opgekocht tegen 8 tical (munteenheid) per picol (gewichtsmaat).
    • Er waren geen olifantstanden beschikbaar, omdat een Engels schip onder leiding van kapitein Abbadie met handelaren uit Benja (mogelijk Banten of Bengalen) de hele moesson (seizoen) in de regio was geweest en alles had opgekocht.
  • Praagman bedankt de VOC-leiding voor:
    • De toestemming voor reparaties aan de schepen Leguw, Huis ter Boede en Limburg.
    • De afschrijving (financiële kwijtschelding) van bepaalde kosten.
    • Het afdanken (uit dienst nemen) van de schepen Barcq, Spiering en Rena Coe.
    • Toestemming om 4100 pond slecht soppanhout te verbranden, zoals opgedragen in eerdere instructies (onder nummer 5).
  • Hij sluit af met een wens voor goede gezondheid en kracht voor de VOC-leiding, voor het welzijn van de Compagnie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2013 / 0262  


  • De schuldenaar moest het geleende geld in één keer aflossen, samen met de rente. Er mocht geen rechtszaak komen, behalve een simpele aanmaning tot betaling die bij de rechtbank in Kieren werd ingediend.
  • Als de schuldenaar niet betaalde, mocht de geldschieter (of diens erfgenamen) het onderpand openbaar verkopen in Amsterdam. De opbrengst hiervan werd gebruikt om de schuld, rente en kosten te betalen.
  • De schuldenaar beloofde dat al zijn huidige en toekomstige bezittingen als zekerheid golden. Hij gaf de geldschieter het recht om deze afspraken direct uit te voeren zonder verdere rechtsstappen.
  • De kosten voor het innnen van de schuld moesten altijd door de schuldenaar worden betaald.

Op 12 mei 1858 werd in Heemstede een boedelbeschrijving opgemaakt bij notaris Jan Dolleman, in aanwezigheid van:

De boedel omvatte:

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748864 / 73  


In een brief aan het opperhooft werd een verzoek ingediend om 4100 pond sappanhout te mogen verbranden, omdat het ongeschikt was voor transport. Bij de brief zaten ook documenten van de bedienden, waaronder een overdrachtsbewijs. Dit bewijs toonde aan dat alle geld, goederen en andere bezittingen van het kantoor in Judia (een oude naam voor een gebied in Azië) waren overgedragen door Rogier van der Welt, een koopman en opperhooft genaamd Gregorius Hendrik Praagman. Deze overdracht klopte met drie sap-negotiëboeken (boeken voor de handel in sappanhout). Bij het controleren van de overdracht bleek dat er nog 1.259.665 pond sappanhout in Judia lag, waarvan 400 pond onbruikbaar was voor vervoer. De bedienden vroegen toestemming om 2091 pond te verbranden, omdat dit hout bedoeld was voor drie grote schepen die het Limburghout (een soort sappanhout) moesten ophalen, maar een schip en zes bemanningsleden waren verdwenen. Het verzoek om het hout te verbranden zou later worden beoordeeld, samen met de vraag of er aan de eisen van de bedienden kon worden voldaan, zoals het leveren van drie grote schepen voor het vervoer van het sappanhout en andere goederen. In een naschrift van de brief werd ook vermeld dat de sloep van het schip Consteeren en de sloep van het schip Limburg, bemand door 100 man, waren verdwenen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1989 / 0118  


  • Al sinds de begintijd was het de gewoonte dat de gouverneur-generaal en de Raden van Indië (het bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie, afgekort VOC) een nieuwe leider stuurden voor de handelspost in Siam (het huidige Thailand).
  • De lokale bestuurder (waarschijnlijk een Siamees) kreeg dan altijd een brief van de gouverneur-generaal over deze nieuwe leider. Pas daarna mocht de nieuwe man zijn werk voor de VOC beginnen.
  • Maar in 1703 (het "Jaar van de Haas" in de Siamees-Chinese kalender) kwam de Nederlander Gregorius Hendrik Praagman aan met een schip van de VOC.
  • Twee lokale ambtenaren (een fetor – een soort douanebeambte – en een tolq – een tolgaarder) vertelden de bestuurder dat Praagman door de gouverneur-generaal was gestuurd als nieuwe leider van de VOC-post in Siam.
  • De bestuurder vond dit vreemd, want:
    • Hij had geen brief ontvangen van de gouverneur-generaal over Praagman.
    • Het was tegen de oude afspraken om iemand zomaar toe te laten.
  • Daarom zei de bestuurder tegen Praagman:
    • Hij moest terug naar Batavia (het huidige Jakarta, het hoofdkwartier van de VOC).
    • Hij moest een officiële brief van de gouverneur-generaal meebrengen als bewijs.
    • Pas dan mocht hij in 1704 (het "Jaar van de Aap") terugkomen om zijn werk te doen.
  • Praagman protesteerde hiertegen, maar de bestuurder bleef bij zijn besluit.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1988 / 1109  


In 1725 ontving de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op 12 april een officiële brief afkomstig uit Calouang (het huidige Ayutthaya, Thailand). De brief was een origineel schrijven van het opperhoofd Gregorius Hendrik Praagman en de raad in Siam (het huidige Thailand), gericht aan de gouverneur-generaal van de VOC. De brief bevatte ook een register van brieven en belangrijke bijlagen, die in 1725 waren verzonden en ontvangen. De documenten waren achtereenvolgens ingesloten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8320 / 0211  


In 25 december 1724 schreef een brief uit Siam (het huidige Thailand) over een verzoek om Nederlandse en Indiase stoffen (zoals kleding en zijde) naar Siam te sturen. Dit zou helpen om de handel vast en goed te houden. In het jaar van het Konijn (een bepaald Jaar in de Aziatische kalender) stuurden de gouverneur-generaal en de Raad van Indië (de VOC-leiding in Azië) Gregorius Hendrik Praagman als nieuwe leider naar Siam. Toch kwam er toen geen officiële brief voor het hof of een bevestiging van zijn aanstelling. Daarom schreef de afzender (waarschijnlijk een lokale bestuurder) terug naar de gouverneur-generaal dat Praagman nog niet als leider werd geaccepteerd. Nu had de gouverneur-generaal wel een officiële brief gestuurd, zowel voor het hof als voor de afzender zelf, om Praagman als leider te bevestigen. Als Praagman verstandig en volgens de afspraken werkt, zal de afzender hem ondersteunen, zoals afgesproken in eerdere overeenkomsten. Daarnaast werd bekend dat de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een geldlening had gegeven aan ambtenaren van de Chinese Keizer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8689 / 0101  


Johannes Abllas bezat een stuk land in de buurt van Haserswoude met de volgende grenzen:
  • Oosten: Johannes Abllas
  • Zuiden: een waterloop genaamd Boezem Kadens
  • Westen: de Heerweg en Ysbrand de Kok
  • Noorden: de Molen Erven en een ringsloot
Het land bestond uit verschillende percelen hooiland en weiland, verspreid over verschillende polders rond Haserswoude: Er waren ook verschillende erven (kleine stukken land met vaak een huis) in het westeinde van Haserswoude:
  • Een erf van 137 roeden (kaartnummer 15), grenzend aan:
  • Een elstwerf (een soort erf) van 95 roeden (kaartnummer 8), grenzend aan:
  • Een erf van 155 roeden (kaartnummer 14), grenzend aan:
    • Oosten: de erven van Boon van Ostade
    • Zuiden: de dijk van de droogmakerij
    • Westen: de baljuw (een soort rechter) Boers
    • Noorden: een vaart
  • Een erf van 73 roeden (kaartnummer 18), grenzend aan:
  • Een erf van 93 roeden (kaartnummer 20), grenzend aan:
  • Een erf van 127 roeden (kaartnummer 37), grenzend aan:
    • Westen: Arij van Noord
    • Zuiden: de dijk van de droogmakerij
    • Oosten: de baljuw Boers
    • Noorden: een vaart
Er waren ook twee schuldbrieven (leningen) gekoppeld aan deze eigendommen:
  • Een schuldbrief van 3 augustus 1759 voor ƒ300,-, afgesloten door Jacob van der Hart (nu in handen van zijn weduwe) ten behoeve van Pieter van Wilgen. Het geld was geleend onder pand van een huis en erf in het oosteinde van Haserswoude, met een rente van 3,5%. De rente was betaald tot 1 juli 1780.
  • Een schuldbrief van 29 mei 1761 voor ƒ375,-, afgesloten door Hendrik Lubeek ten behoeve van Cornelis van der Schaap. Later, op 13 oktober 1762, werd deze overgedragen aan Abraham Wittebol. Er was al ƒ50,- afgelost op 1 mei 1762, dus de openstaande schuld was ƒ325,-. Ook dit was geleend onder pand van een huis en erf in het oosteinde van Haserswoude, met een rente van 3%. De rente was betaald tot 1 mei 1797.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974913 / 377  


In deze overeenkomst werden de rechten van een naamloze vennootschap in liquidatie (een bedrijf dat bezig was met afwikkeling) overgedragen aan verschillende kopers. De afspraken waren als volgt:
  • De kopers kregen recht op de rente van de overgedragen leningen vanaf de laatste betaaldag.
  • Alle risico’s en verantwoordelijkheden voor de overgedragen vorderingen (geld dat nog betaald moest worden) gingen vanaf dat moment naar de kopers.
  • De vennootschap garandeerde alleen dat de schulden op dat moment daadwerkelijk bestonden voor de genoemde bedragen. Verdere garanties gaf ze niet.
  • De kosten van deze akte en eventuele gevolgen daarvan werden betaald door de vennootschap.
Er werden enkele kleine fouten in de tekst verbeterd. De akte werd opgesteld in Haarlem op de datum die bovenaan vermeld stond, in aanwezigheid van twee getuigen: Een deel van het bedrag, namelijk 1500 gulden, werd betaald met een lening op naam van Arie Geylvoet, een gasfitter uit Haarlem, die was ingeschreven op 20 maart 1920. De verkoper, Jan Arnold Wilkens, bevestigde dat hij de volgende zaken had verkocht aan verschillende kopers (genummerd I t/m VII) voor de volgende bedragen:
  • Totaalbedrag voor Jan Arnold Wilkens: 130.723 gulden en 40 cent.
  • Vrouwelijke koper (sub I): 41.755 gulden.
  • Koper (sub II): 6.790 gulden.
  • Kopers (sub III): 6.000 gulden.
  • Kopers (sub IV): 19.000 gulden.
  • Kopers (sub V): 19.000 gulden.
  • Kopers (sub VI): 10.000 gulden.
  • Kopers (sub VII): 1.500 gulden.
De verkoper verklaarde dat alle bedragen volledig waren voldaan en dat er niets meer openstond. De kopers werden officieel de nieuwe eigenaars van de vorderingen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 20  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/