Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 22 juli 1762 werd in het kasteel in de Kaap een verklaring afgelegd door Pulinda. Deze verklaring werd bevestigd in aanwezigheid van verschillende functionarissen, waaronder S. Faber (algemeen klerk), D.D. Hillij en J. Ferrurier. Later kwam Pulinda nog een tweede keer voor de commissarissen van de Raad van Justitie. Ze bevestigde haar eerdere verklaring volledig, maar wilde er alleen aan toevoegen dat ze na afloop met de andere slaven en slavinnen het kasteel had verlaten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1100 Hester van Batavia, voorheen genaamd Clavin, legde een verklaring af die haar werd voorgelezen. Ze bevestigde dat alles klopte en dat er niets toegevoegd of weggehaald moest worden. In aanwezigheid van de slaaf Januarij van Bengalen verklaarde ze dat alles de zuivere waarheid was. Dit gebeurde in Kaap de Goede Hoop op 23 juli 1762. De verklaring werd ondertekend door Hester van Batavia en bijgestaan door de klerk S. Feber. Ook D.D. Hillij en Serrurien ondertekenden het document.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1109
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1099 Een slaaf genaamd Januarij wordt beschuldigd van liegen over zijn verklaring. De zaak wordt behandeld op het secretariaat van justitie in het kasteel van de Goede Hoop. De klerken Pieter Caspar Broedersz en Jacob Lorsinck waren aanwezig als getuigen. Het document is ondertekend door klerk L.S. Faber.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1108 De slavin Susanna van Schoor verklaarde dat zij nooit van haar zuster Clavinne Susanna of van de andere slaven Lea, April en Januari had gehoord dat Hilletje Giebelaar, de voordochter van haar eigenaar, een miskraam zou hebben gehad. Zij had daar niets van geweten, ook al was ze altijd op het landgoed geweest en had ze Hilletje dagelijks gezien. Pas toen haar eigenaar van Kaap de Goede Hoop was teruggekeerd, ongeveer een week geleden, had ze ervan gehoord. De beschuldiging van de slaaf Januari over deze zaak was volgens haar volledig gelogen en verzonnen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1098 Op 21 juli 1762 heeft de slaaf Wester van Batavia een verklaring afgelegd voor Lucas Ligismundu Feber, die klerk was bij het rechtskantoor. De verklaring werd gedaan op verzoek van de landheer van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor. Wester van Batavia woonde op de plaats Elsenburg bij de Klopmuts, eigendom van Marten Welk. Hij verklaarde dat hij nooit, niet van zijn mede-slaven of van wie dan ook, had gehoord dat Hilletje Giebelaar, de stiefdochter van zijn landheer, een miskraam zou hebben gehad.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1107 De slavin Hester verklaarde de waarheid te hebben gesproken in het bijzijn van de slaven April en Januari uit Bengalen. Dit werd vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 10 augustus 1763. Het document werd ondertekend door:
Op 21 juli 1762 verscheen Julinda van de Kaap, eigendom van burger Martenmelk, voor Lucas Pigis Faber, klerk ter secretarie van justitie van het kasteel De Goede Hoop, op verzoek van de landdrost van Stellenbosch.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1097
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1106 De slavin Wester van de Caab verscheen voor gerechtelijke vertegenwoordigers van de Edele Achtbare Raad van Justitie. Ze bevestigde haar eerdere verklaring volledig na het voorlezen ervan. Ze voegde toe dat ze, toen ze na de bevestiging met andere slaven en slavinnen van haar eigenaar het Kasteel verliet, niet heeft gezegd of van anderen heeft gehoord "wie zal nu komen vertellen dat we allemaal hebben gelogen?"
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1096 De persoon Wester van de Caab gaf een verklaring voor de raad van justitie van het gouvernement. Zijn eerdere verklaring werd voorgelezen in aanwezigheid van de slaaf Januarij van Bengalen. Wester van de Caab bevestigde dat hij bij zijn verklaring bleef en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden. Dit gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop op 22 juli 1762.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1095 De getuige verklaart dat het verhaal over Hille volstrekt onwaar is. Ze heeft nooit van het voorval gehoord, niet van haar mede-slaven of van anderen. Ze heeft haar Klein Ponze altijd op de plantage gezien. Verder verklaart ze dat ongeveer een maand geleden, toen zij met haar mede-slavin Lea aan het wassen was, de slaaf Jan Vrij daar kwam. Lea stuurde hem weg omdat ze de kleren van hun kleine meesteres Hilletje Wiebelaar aan het wassen waren. De verklaring werd afgenomen bij de rechtbank van het Kasteel de Goede Hoop, in aanwezigheid van getuigen Pieter Caspar Broedersz en Jacob Torsinck.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1094 De slaaf Panuarij en de slavin Hester van de Caab legden op 21 juli 1762 een verklaring af bij de klerk Lucas Sigmundus Faber. Hester van de Caab was eigendom van de burger Marten Melk. Ze deed dit op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor. De verklaring ging over Hilletje Diebelaar, de voordochter van haar eigenaar, die op de plaats Elsenburg woonde. Het document werd later op 10 augustus 1762 bevestigd door de slavin Susanna.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1093 De voormalige slavin Susanna verscheen voor de afgevaardigden van de raad van justitie van dit gebied. Haar eerder afgelegde verklaring werd haar nog eens duidelijk voorgelezen. Ze bleef volledig bij deze verklaring, maar wilde er alleen aan toevoegen dat ze na het afleggen van haar verklaring, toen ze met de andere slaven van haar eigenaar uit het kasteel ging, niet heeft gezegd of van anderen heeft gehoord: "Op wie zullen nu de zonden komen, dat wij al die leugens in plaats van de waarheid hebben gezegd." Ook heeft ze niet gezegd of gehoord dat de baas dit wel op zich zou nemen. Ze verklaarde in aanwezigheid van de slaven Aphil en Januari uit Bengalen dat alles wat ze had verklaard de zuivere waarheid was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1092 Op 21 juli 1762 verscheen Susanna van de Caab, een slaafgemaakte vrouw van de burger Marten Welk, voor Christiaan Ludelph Neethling, lid van de Raad van Justitie. Ze deed dit op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Paul Adriaan van Schoor. Ze verklaarde over het verhaal van de slaafgemaakte jongen Januari, die ook eigendom was van Welk. Het ging over iets dat ongeveer 5 weken eerder in de keuken of elders op het landgoed van zijn eigenaar was voorgevallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1088 De slavin verklaart dat het gerucht over de miskraam van Hilletje Giebelaar, de voordochter van haar lijfheer (eigenaar), volledig onwaar is. Ook ontkent ze dat ze 's ochtends vroeg aan haar zus of aan andere slaven zou hebben verteld dat haar eigenaar en diens vrouw een kind zijn gaan begraven. Ze zegt dat alles wat Januari hierover beweert, verzonnen is. Als kindervoedster van het kleine kind van haar eigenaar zou zij dit zeker hebben geweten als het wel waar was geweest.
Bij deze verklaring waren aanwezig:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1089 De slavin Susanna van de Kaap verscheen voor de rechtbank om een verklaring af te leggen. Ze moest eerlijk vertellen dat alles wat er in januari was rondverteld complete leugens waren. De verklaring werd afgelegd in het fort De Goede Hoop, in aanwezigheid van klerken Pieter Caspar Broedersz en Jacob Forsinck als getuigen. Het document werd ondertekend door Susanna, de getuigen en secretaris C.L. Weethang.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1090 Na het graven van een gat door slaven Jonas en Februarij samen en later door Februarij alleen, werd een kind dat in een wit pakje was gewikkeld in het gat gelegd. Het lichaam was overgebracht door de eigenaar van de lijfeigenen. Jonas en Februarij hadden het gat daarna dichtgemaakt. De plek waar het kind was begraven kon worden aangewezen. Een tweede verdachte, die tot dan toe was verzwegen, zou ook van deze zaak hebben geweten. Deze persoon gaf steeds wisselende verklaringen over de omstandigheden, waardoor er geen goede gerechtelijke ondervraging kon worden gehouden. Dit is vastgelegd in document nummer 5. De verklaringen van verschillende slaven zijn opgenomen in de documenten 3, 8, 9, 10 en 11.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1038 Men onderzocht een ernstige beschuldiging. De commissarissen en raadsheren gingen naar Koelen om de zaak te onderzoeken. Ze ondervroegen verschillende slaven, maar niemand wist iets over een begraafplaats of andere beschuldigingen. De belangrijkste aangeklaagde werd verhoord samen met de slaven die volgens hem van de zaak zouden weten. Hoewel de slaven hem tegenspraken en als leugenaar bestempelden, bleef hij bij zijn verhaal. Hij voegde zelfs toe dat Susanna op een vroege, donkere ochtend in de keuken was gekomen en tegen Pulinda had gezegd dat ze het kind moest wegbrengen. Hij beweerde dat hij toen naar de zolder was gegaan en door het zolderraam had gezien hoe zijn meesteres naar achteren liep.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1037 Na in slaap te zijn gevallen had de slaaf een brief bij zich die geschreven was door van Blercq en de genoemde Melk. Deze brief moest hij verbergen. Na 10 dagen, op 5 juli, ging hij richting Kaap, samen met de slaaf Jonas van Madagascar. Bij de fiscaal vroeg hij of hij niet terug hoefde naar zijn eigenaar, omdat hij bang was mishandeld of zelfs gedood te worden. De reden hiervoor was dat hij eerder aan van Blercq had verteld dat Hilletje Gibeler een miskraam had gehad na 6 maanden zwangerschap, wat van Blercq duidelijk in de brief had geschreven. De slaaf voegde hieraan toe dat de dochter door zijn eigenaar was bezwangerd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1035 Hilletje Giebelen, de stiefdochter van een herenboerder bij de Clapmuts, zou volgens een weggelopen slaaf eind juni een baby hebben gekregen. De slaaf vertelde dit verhaal aan burger Rogiers van Blercx in de Kaap. Hij beweerde dat:
Een andere slaaf genaamd Goliath haalde de weggelopen slaaf later op uit de Kaap om samen terug te keren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1034 De landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, Adriaan van Jhoor, diende een aanklacht in bij de rechtbank onder leiding van president Pieter van Meede van Oudoorn. De aanklacht was tegen twee slaven van de burger Marten Melk, namelijk Januarij van Bengale en Opri. Ze werden beschuldigd van ernstige misdaden tegen hun eigenaar, zijn vrouw en stiefdochter.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1033 Er is een discussie over wat de straf moet zijn voor het met geweld uitbreken uit de gevangenis. Sommige rechtsgeleerden vinden dat dit met de dood bestraft moet worden, anderen vinden verbanning of een andere straf die de rechter bepaalt passender. De aanklager Van Schoor vraagt op 30 september 1762 aan de rechters om een zwaardere straf op te leggen aan de tweede gevangene uit Bengalen voor zijn uitbraak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1032 Volgens Van Zutphen kreeg een gevangene die geweld gebruikte om uit de gevangenis te ontsnappen de doodstraf, zelfs als het oorspronkelijke misdrijf daar niet ernstig genoeg voor was. Dit gold wanneer:
De gewelddadige ontsnapping maakte de misdaad zwaarder, waardoor een zwaardere straf nodig was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1031 De vrouw van een landheer had een kind gekregen na een miskraam. Met hulp van haar echtgenoot verstopte ze dit te vroeg geboren kind in een doek onder haar rok en begroef het op landgoed Koelenhof achter de veekraal bij een laurierboom in een oude sloot.
De volgende slaven waren op de hoogte van het voorval:
Hester had de melk uit de borsten van de dochter gezogen. De vrouw lag 3 dagen in bed. De tijdelijke openbaar aanklager werd hierover geïnformeerd en stelde een onderzoek in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1036 De tweede getuige verklaarde dat de opmerkingen van de eerste getuige leugens zijn. De eerste getuige had namelijk beweerd dat de slavin Susanna in de kombuis of ergens anders had verteld dat Hilletje Giedeler een miskraam had van 6 maanden. Ook het verhaal dat zijn meesters het kind bij een zoutboom hadden begraven was volgens de tweede getuige onwaar. De tweede getuige gaf aan dat hij, hoewel hij veel thuis was, hier niets van afwist. Hij bleef bij deze verklaring toen hij die moest bevestigen in aanwezigheid van commissarissen en de eerste getuige.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1042 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/