Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Dit gaat over rechtbankverklaringen uit juni 1740 over een zaak met een aantal slaven en matrozen. De volgende getuigenverklaringen werden gedaan:

Deze verklaringen werden vastgelegd in verschillende documenten, waaronder notulen van 2 juni 1740 en 16 juni 1740.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0552  


Dit is een tekst over een rechtszaak uit het jaar 19 mei 1740. De aanklager was de aangestelde openbaar aanklager Daniel van Den Henghel die een zaak begon tegen de burger Johannes Leij. De zaak werd gehouden voor de rechtbank (Raad van Justitie) van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. Alle processtukken en notities van deze zaak zouden worden doorgestuurd naar Jacob Lakeman, die rechter was in de rechtbank van Batavia.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0551  


De fiscaal (openbaar aanklager) heeft de burger Ian Leij aangeklaagd voor mishandeling van zijn slavin, die daar aan is overleden. De rechtbank heeft op 21 juli een vonnis uitgesproken, dat op 28 juli openbaar is gemaakt. Twee delen van de aanklacht zijn toegewezen:

Het eerste deel van de aanklacht, een boete van 1000 rijksdaalders, is afgewezen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0547  


In deze rechtszaak wordt er gesproken over de geldigheid van getuigenissen door slaven. De eiser gebruikt een oude Romeinse wettekst waarin staat dat het getuigenis van een slaaf alleen geldig is als er geen ander bewijs beschikbaar is. De verdediging, vertegenwoordigd door Johannes Leij, stelt dat deze regel tegenwoordig niet meer geldt. Hij baseert zich op nieuwere wetten die bepalen dat getuigenissen van slaven niet meer worden geaccepteerd.

Het document werd ingediend bij de rechtbank op 7 juli 1740 en ondertekend door secretaris Harnspek.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0544  


De tekst beschrijft een rechtszaak tussen burger Johannes Leijgede en aanklager Daniel Van Den Henghel van Kaap de Goede Hoop op 16 juni. Van Den Henghel beschuldigt Leijgede ervan een onwaar verhaal te vertellen over een incident met een dienstmeid. De aanklager stelt dat zijn versie van de gebeurtenissen wordt ondersteund door 4 getuigen, terwijl Leijgede geen enkele getuige heeft.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0535  


In zijn antwoord op 4 juni 1740 eindigt Van der Henghel zijn betoog in de rechtszaak door te vragen of de aanklacht niet waar was. Hij bleef bij zijn eis die hij had gedaan. Het document werd ondertekend door secretaris Morteert Carnspek.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0533  


De tekst gaat over een rechtszaak waarin verschillende jonge slaven als getuigen zijn gehoord: de jongens Philip, Februari, Mei en Pedro. Hun verklaringen spreken elkaar niet tegen omdat ze alleen vertellen wat ze zelf hebben gezien, gedaan of gehoord. De gedaagde (beklaagde) beweert dat hij niet heeft gevraagd om de knecht te verhoren. De eiser (aanklager) zegt dat het niet uitmaakt of hij dit uit zichzelf deed of op verzoek van de gedaagde. De eiser vindt dat hij alle informatie moet verzamelen die voor of tegen een beschuldigde kan werken. De gedaagde beschuldigt de eiser ervan dat deze alleen uit is op geld. De eiser antwoordt dat de gedaagde beter zijn voorbeeld had kunnen volgen door:

De eiser stelt dat een beklaagde nergens ter wereld het recht heeft om een officier van justitie, die verplicht is een rechtszaak te beginnen, te beledigen of te lasteren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0526  


Deze zaak gaat niet over geld, maar over het straffen van iemand die een slaaf heeft gedood. De aanklager legt uit dat mensen die een slaaf hebben gedood door te harde straffen, meestal alleen een geldboete krijgen. Dit in tegenstelling tot gevallen van moord met voorbedachte rade.

Bij de rechtbank in Batavia zijn hier meerdere voorbeelden van, zoals de zaken van:

De aanklager verdedigt zich tegen de beschuldiging dat hij alleen uit is op geld. Hij stelt dat hij gewoon zijn werk doet volgens zijn geweten. Ook wijst hij erop dat rechters vaker een lijfstraf omzetten in een geldboete, zoals in de zaak van Opperman.

Of de verdachte een dronkaard is, vindt de aanklager niet relevant omdat hij van zijn eigen geld drinkt. Wel merkt hij op dat volgens alle ondervraagde slaven de verdachte 3 dagen niet nuchter was geweest. De aanklager heeft dit echter niet officieel laten vastleggen om niet te zwaar op de zaak te drukken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0527  


Er werd op een niet genoemde datum een officieel document gemaakt voor de gezagsdrager Reijk Tulbagh, die voorzitter was van de raad van justitie. Het document was opgesteld door Daniel van Den Henghel, die als officier van justitie een aanklacht had ingediend tegen de burger Jan Leij. Het document was een reactie op het verweer dat Jan Leij op 2 juni had ingediend bij de rechtbank.

Van Den Henghel vond dat het verweer van Leij nauwelijks een antwoord waard was omdat het alleen maar verzonnen verhalen bevatte zonder enig bewijs. Ook reageerde Leij maar op een deel van de aanklachten. Om toch volgens de gebruikelijke rechtsprocedure te handelen, wilde Van Den Henghel alleen reageren op die punten die bedoeld waren als verdediging tegen de aanklacht. Leij begon zijn verdediging met de bewering dat hij een eerlijk verhaal zou vertellen over wat er was gebeurd met een bepaalde vrouwelijke bediende.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0523  


De ondertekenaar laat het aan het oordeel van de hooggeleerde heren over hoe er tegen Jan Loose geprocedeerd moet worden. Over de vrouw van Jan Loose, Maria Lubbe, stelt hij dat uit de ondervragingen en verklaringen duidelijk blijkt dat zij schuldig is aan een openbare moord. Dit deed zij zonder geldige redenen. Volgens goddelijke en wereldlijke wetten moet zij zwaar gestraft worden, want wie bloed vergiet moet zelf bloeden. Een mensenleven kan niet met geld worden afgekocht - de dader moet zelf boeten. De zaak voldoet aan alle voorwaarden om iemand te laten arresteren, zoals beschreven in de werken van P. Bort en S. van Leeuwen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0651  


Op 2 juni 1740 diende Johannes Leij een verzoek in. Hij vroeg toestemming om een werknemer terug in dienst te nemen. Deze werknemer had weliswaar misdaden gepleegd en dat had veel geld gekost, maar hij had voorheen nooit iets verkeerds gedaan. Leij vermoedde dat andere criminelen deze werknemer hadden aangezet tot de misdaad. Hij had de werknemer hard nodig. De secretaris H. Carnspek bevestigde dit document.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0522  


De beklaagde beargumenteert dat hij al voldoende is gestraft omdat hij 2 maanden lang zijn 4 slaven heeft moeten missen tijdens het belangrijke ploegseizoen. Hij moest vervangende arbeiders inhuren terwijl zijn eigen slaven vrij door Kaapstad liepen en als dragers werkten. De slaaf Philip kwam hem zelfs tegen op de pier. De beklaagde vraagt daarom:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0521  


De vrouw die een verklaring aflegt, zegt dat ze dit gehoord heeft. Ze deed deze uitspraak waarschijnlijk onder dwang van haar landheer, in wiens aanwezigheid dit gebeurde. Dit komt ook omdat ze er in de verklaring zelf niets over zegt. De vrouw van Jan Loose zegt in artikel 18 dat ze Eijsleben had geslagen omdat hij had rondverteld dat zij een relatie met hem had. Als dit waar was geweest, had ze naar de rechter moeten gaan in plaats van voor eigen rechter te spelen en Eijsleben op zo'n wrede manier te doden.

Hoewel Jan Loose volgens de ondergetekende niet volledig schuldig is aan de doodslag van Eijsleben, heeft hij als man en hoofd van het huishouden niet zijn plicht gedaan om de kwaadaardigheid van zijn vrouw te stoppen. Hij handelde ook zeer onchristelijk door Eijsleben in een erbarmelijke toestand een dag en nacht buiten op het erf te laten liggen. Door al deze handelingen zou men moeten geloven dat Loose niet alleen instemde met de daden van zijn vrouw, maar haar ook hielp. Dit blijkt uit sommige van zijn handelingen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0650  


De tekst beschrijft een rechtszaak waarin een oudere zwarte slavin van 60 jaar en enkele jonge mannelijke slaven betrokken zijn. De eigenaar van de slaven verdedigt zich tegen beschuldigingen. Hij zegt dat hij met eigen ogen zag hoe een jongeman naast de slavin lag in het slavenhuis en wegvluchtte. De eigenaar beweert dat de oude slavin niet verkleumd of half dood was, zoals werd beweerd. Hij beschrijft haar als iemand die alle jonge slaven verleidde tot seksuele handelingen. De eigenaar is verontwaardigd dat hij door zijn eigen slaven vals wordt beschuldigd. Hij is nog meer gekwetst dat de aanklager hem bij de rechtbank afschildert als een dronkaard en kwaadaardig persoon. Hij stelt voor om zijn reputatie te laten beoordelen door de rechtbank, aangezien men in de Kaap zijn karakter goed kent. De aanklager eist:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0520  


Deze tekst gaat over een rechtszaak waarbij getuigenverklaringen van slaven ter discussie staan. De gedaagde beweert dat:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0519  


Loose en zijn vrouw Maria Lubbe hadden een conflict met Eijsleeben. Een brief toont aan dat Eijsleeben op zaterdag 's nachts op Loose's terrein kwam. Hij bleef daar tot maandag ochtend, wanneer er een ruzie ontstond met wat gescheld. In die tijd werd Eijsleeben als vriend behandeld en kreeg hij eten en drinken. Maria Lubbe beweert dat ze Eijsleeben sloeg omdat hij niet in haar huis mocht komen. Ze zegt ook dat hij dreigde haar te vermoorden. Maar de slavin Maria maakt hier geen melding van in haar verklaring. Eijsleeben had bovendien geen wapen bij zich en maakte geen dreigende bewegingen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0649  


De verdachte verklaarde dat hij de slavin voedsel en kleding had gegeven. Nadat hij de slavin naar de keuken had gebracht, was hij gaan slapen. Volgens hem had de slavin zichzelf gedood bij het vuur uit kwaadaardigheid. De verdachte beweerde dat haar vorige meesters haar als een slecht persoon hadden verkocht.

De aanklager stelde dat de slaven tijdens het verhoor hun verklaringen standvastig volhielden, zelfs in aanwezigheid van de verdachte. Toen de verdachte hen vroeg waarom ze logen en of ze waren omgekocht, ontkenden ze dit. Ze gaven aan dat hij hen goed had behandeld met voldoende voedsel en kleding.

De verdachte verdedigde zich door te stellen dat de slaven als heidenen zonder geloof en vol bijgeloof niet als betrouwbare getuigen konden worden beschouwd. Hij beweerde dat ze met hun verdraaide verklaringen hun meester zonder moeite naar de galg zouden helpen. Volgens de wet mochten ze niet als getuigen worden geaccepteerd omdat ze niet beëdigd waren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0518  


De echtgenote van Jan Loose, Maria Lubbe, heeft een moord gepleegd op de burger Christoffel Eijsleben. Ze deed dit met een rijststamper zonder geldige reden. Dit blijkt uit de verklaringen van de slaaf Antonij en de slavin Maria, en uit de ondervraging van Maria Lubbe zelf. Jan Loose probeerde tijdens zijn ondervraging de zaak te ontwijken, maar gaf toe dat:

Jan Loose bevestigde hiermee de belangrijkste feiten van de zaak. Zijn pogingen tot ontwijking werden ontkracht door de getuigenissen van de slaaf Antonij en slavin Maria.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0648  


De bediende Olier had slaag gekregen, maar deze verwondingen waren volgens de eerste opperchirurg niet dodelijk. Enkele jongens beweerden echter dat zij wel aan de slagen was overleden. De aanklager stelt dat drie factoren samen haar dood veroorzaakten:

De verdachte beweert dat de verklaring van de opperchirurg de juiste is en dat Olier dus niet aan de slagen is overleden. Hij zegt dat hij er niets aan kon doen dat ze oud was. Ook stelt hij dat het haar eigen keuze was om zich in de regen en wind te verstoppen, omdat ze na haar straf niets meer te vrezen had. In plaats daarvan had ze naar het slavenhuis kunnen gaan of aan het werk kunnen gaan. Dan had ze geen kou hoeven lijden. De verdachte zegt dat hij net zo onschuldig is aan dit gedrag van de oude Olier als aan haar verbranding, waar hij helemaal niets van weet.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0517  


Pieter Lourensz, de gerechtelijke ambtenaar, vroeg aan de heemraden (plaatselijke bestuurders) om te verklaren wat er gebeurd was met burger Arnoldus Johannes Basson. Op 8 september van het vorige jaar waren ze naar Roode Zand gekomen, bij het huis van Basson, om Csteene Barbier te arresteren. Basson gedroeg zich zeer onbeschoft. Hij wilde niet zeggen of Barbier in zijn huis was en zei dat ze zelf maar moesten zoeken. Hij herhaalde dit 2 tot 3 keer.

Toen Basson werd opgedragen om mee te rijden nadat ze Barbier hadden gearresteerd, ging hij op zijn paard zitten met een groot geladen wapen. Toen hem werd gezegd dat een wapen niet nodig was, antwoordde hij dat niemand hem kon verbieden zijn eigen wapen te dragen. Ze lieten hem het wapen houden en reden van zijn huis naar de plaats van Jaques Theron. Onderweg gedroeg Basson zich brutaal door zijn paard met de kolf van zijn geweer te slaan toen hem werd opgedragen vooruit te rijden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0643  


Philip had eerst gelogen, maar kreeg later spijt. Om zijn vertrek bij zijn baas goed te maken deed hij een valse aangifte. De verklaringen van de 4 getuigen komen overeen omdat ze bij elkaar hebben gezeten en tijd hadden om hun leugens op elkaar af te stemmen. De aanklager zegt dat de verdachte vroeg om zijn knecht te ondervragen. De verdachte herinnert zich dit anders - hij zei alleen dat de aanklager het nog aan de knecht kon vragen. De aanklager lijkt niet zeker te zijn hoe hij de dood van dienstmeid Olier moet voorstellen:

De verdachte protesteert hier sterk tegen en zegt volledig onschuldig te zijn aan de dood van de dienstmeid.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0516  


De lijfeigenen van de gedaagde hebben valse verklaringen gegeven. Deze mensen waren heidenen en onchristelijk. Ze liepen vaak weg van hun meester wanneer ze maar wilden, zelfs tijdens drukke werktijden. Ze probeerden hun meester in een kwaad daglicht te stellen.

Er zijn tegenstrijdigheden in hun verklaringen:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0515  


Een meisje genaamd Olier kreeg in het slavenhuis 5 of 6 slagen met een stok. Daarna werden haar handen en voeten vastgebonden. Ze werd van het slavenhuis naar het woonhuis gebracht en in de keuken gelegd. Ze was zo vastgebonden dat ze zich nog wel kon bewegen en ronddraaien. De beschuldigde ging slapen, zonder dat hij of zijn slaven haar sloegen. Hij was van plan haar de volgende dag naar Kaap te brengen en haar, met toestemming van de aanklager, boeien om haar benen te doen. De jonge Maij kwam vrijdagochtend vertellen dat Olier dood was. De beschuldigde zag dit zelf in de keuken en merkte dat haar lichaam en kleren op sommige plekken verbrand waren. Hij wilde meteen naar de Kaap gaan om dit aan de aanklager te melden, maar omdat zijn zoontje bij hem was en er geen jongen was die een wagen kon besturen, moest hij wachten tot de volgende dag. Net toen hij wilde vertrekken, kwamen zaterdagochtend de gecommitteerden van het gerecht aan op zijn plaats in de Houtbaai.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0514  


De bediende Olier maakte veel lawaai. De eigenaar stuurde een jonge slaaf genaamd Maij met een lantaarn om te kijken wat er aan de hand was in het slavenhuis. Tot zijn verbazing trof hij Olier aan bij een jonge slaaf genaamd Februarij op een bed. Februarij vluchtte snel met zijn broek in zijn hand toen hij de eigenaar zag. De eigenaar stuurde andere slaven, behalve Pedro en Maij, achter Februarij aan. Deze slaven kwamen echter niet terug. De eigenaar zag dat de spullen van Februarij waren ingepakt en zijn kist bij de deur stond. Hij liet de kist openen en vond:

De eigenaar liet ook de kist van Olier doorzoeken en vond daar vergelijkbare voorraden die ze hadden gestolen. Hij concludeerde dat de bediende en de jonge slaaf van plan waren om samen weg te lopen. Hij werd kwaad en gaf Olier een klap.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0513  


Op donderdag 7 april in de ochtend liet de aangeklaagde zijn slavin Ohier straffen met een paar slagen. Dit gebeurde niet op woensdagavond 6 april zoals zijn slaven onterecht beweerden. De reden voor de straf was dat ze kleine dingen had gestolen en brutaal reageerde wanneer ze hierop werd aangesproken. Na deze bestraffing verdween Ohier en kwam pas tegen de avond weer tevoorschijn. De knecht Jan Pietersz meldde aan de aangeklaagde dat Ohier zich in de tuin bevond en het koud had. De aangeklaagde gaf Jan Pietersz opdracht om haar naar het slavenhuis te brengen. Later die avond, rond 10 of 11 uur, zat de aangeklaagde in de keuken bij het vuur te lezen toen hij veel lawaai hoorde in het slavenhuis. De aanklager presenteerde vier verklaringen van slaven als bewijs:

Volgens de aangeklaagde bevatten deze verklaringen leugens en spraken ze elkaar tegen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0512  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/