Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Pieter del Port werd door zijn slavin Sara gewaarschuwd dat er een gevangene in het bakhuis was. Dit was de derde keer dat deze gevangene daar kwam. De gevangene vroeg aan Sara om haar meester te waarschuwen dat hij zich wilde overgeven. Del Port ging er direct heen en de gevangene kwam hem bij de deur tegemoet, nadat hij zijn mes in het bakhuis had weggegooid.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11019 / 0437  


De slaaf Meij kwam langs met een mes, maar kon toen niets doen. Hij was gewond aan zijn hoofd en kreeg van de slavin een doek of muts. Een paar dagen later toen de verteller met zijn vee in het veld was, kwam er een slaaf van weduwe Stapper. Die waarschuwde hem namens zijn dochter dat Meij weer bij een rivier in de buurt was en om brood had gevraagd. De verteller ging meteen naar huis maar Meij was al weg. Een paar dagen later kwam zijn slavin Sara 's ochtends bij hem.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11019 / 0480  


Valk en Gul raakten in een handgemeen. Valk had geen wapen bij zich. Tijdens een woordenwisseling sprong Valk plotseling op en pakte het zwaard van Gul af. Hiermee verwondde hij Gul op verschillende plekken:

Gul sloeg vervolgens met zijn wandelstok twee keer op Valk's hoofd toen hij zag dat deze bloedde. Baas Hurter beëindigde het gevecht door het zwaard van Valk af te pakken, waarbij hij zei dat dit schurkenwerk was. Hij stopte het zwaard in een kast.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1125  


Willem Gul is een ruzie begonnen met een dronken gedaagde (aangeklaagde persoon). Het hemd van de gedaagde was aan de borst gescheurd. Gul zei tegen de gedaagde dat als hij geen rust wilde houden, hij uit zijn slaapplaats moest vertrekken en ergens anders moest slapen, bijvoorbeeld op zolder. Daarna gaf Gul de gedaagde een paar klappen, waarna deze wegging. Na enige tijd ging Gul samen met 4 anderen met een lantaarn op zoek naar de gedaagde in het Nieuwland en omgeving. Ze konden hem niet vinden bij de schuur en gingen daarom naar het Rondebos. Gul kwam rond half 10 bij de post van de Compagnie waar Willem Hurter de baas was. De gedaagde was daar een half uur eerder aangekomen met een bloedend gezicht en had gevraagd of hij daar mocht blijven slapen omdat hij bang was voor Gul.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1124  


De ruzie liep zo hoog op dat er geen woorden maar daden kwamen. De aangeklaagde trok zijn zwaard en zwaaide ermee naar Gul, die daarop ook zijn zwaard trok en de kooi insprong. Dit kabaal werd gehoord door de ambachtslieden op zolder. Toen zij naar beneden kwamen en Gul weer buiten was om de aangeklaagde in het donker te zoeken, vroegen ze waarom er zo'n herrie was terwijl het bedtijd was. De aangeklaagde sprong weer in de kooi terwijl hij "schurken" riep. Hij wilde schieten en pakte een geweer. De ambachtslieden overmeesterden hem snel en pakten zijn geweer en zwaard af. Maar dit kalmeerde de aangeklaagde niet: toen Gul weer de kamer binnenkwam, greep de aangeklaagde hem vast.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1123  


Op woensdag 14 mei rond 19:00 uur ontstond er een woordenwisseling tussen gedaagde en de opzichter van de VOC-ambachtslieden, Corporaal Caspar Wil Gul. Dit gebeurde tijdens een wandeling naar de schuur bij de VOC-tuin ''t Nieuwe'. De gedaagde beschuldigde Gul ervan dat hij met de bazen samenzwoer. De gedaagde droeg een zwaard, terwijl Gul ongewapend was. De gedaagde dreigde Gul te vermoorden, waarop Gul voorstelde het conflict de volgende dag op te lossen. Tijdens hun terugweg schold de gedaagde Gul uit voor "tuig" en herhaalde zijn beschuldigingen over samenzwering tussen Gul en de bazen van de schuur.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1122  


Op 28 januari 1736 werd er een vergadering gehouden op het schip. Aanwezig waren:

Gezaghebber Croon meldde dat ze bij de rede van Onoor waren aangekomen. De bestuurders van Banssaloor hadden beloofd een loods te sturen. Omdat het schip de hele dag stil had gelegen en er geen vaartuig was gekomen, stelde Croon voor om voor anker te gaan. De volgende dag zou dan een boot naar de wal gestuurd worden om te kijken of de loods al was gearriveerd. Als die er nog niet was, wilde hij toestemming vragen om een gids aan wal te huren. De zeekaart die hij in Cochim had meegekregen bevatte namelijk zoveel fouten dat het onverantwoord zou zijn om daarmee verder te varen. Hij hoopte voor een redelijke prijs iemand te vinden die de kust en havens kende.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9384 / 0215  


Op 8 januari 1738 in Batavia hebben Dirk van de Velde en zijn stuurlieden samen met Croon verschillende scheepskaarten met elkaar vergeleken. Ze besloten om een loodsman in te huren voor een zo laag mogelijke prijs. Dit document is ondertekend door:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9384 / 0216  


In het jaar 1608 kwam ter kennis van de moeder van de indiener dat men van plan was om door haar overgebleven erf te graven en een sluis te maken voor het gemak van Bloemendaal en de handel van de stad. De moeder had hier problemen mee en kreeg hulp van haar zoon. De stad had beloofd haar te compenseren voor het gebruik van haar grond voor de sluis, zoals blijkt uit een kopie van de akte. Nu, meer dan 4 jaar na het aanleggen van de sluis, heeft de oude weduwe, die in het verleden al grote schade heeft geleden, nog steeds geen betaling ontvangen. Noch zij tijdens haar leven, noch haar kinderen na haar dood hebben betaling kunnen krijgen, ondanks herhaaldelijke vriendelijke verzoeken. De indiener vraagt nu namens zijn familie om:

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 194 / Requestboek / 1609-1789 / Gda / 0013  


Maerten en Jacob Loncq, samen met Gerrit Cincq, bezitten twee huizen in de Wijstraat. Deze huizen erfden ze van hun grootvader Dirck Janss Loncq. De voogden van de kinderen hebben op 7 februari 1607 een foute verdeling gemaakt van de erfenis, tegen de regels van het weeskamerrecht in. Ze hebben:

Nu de huizenprijzen in Gouda goed zijn, willen Maerten en Jacob de huizen openbaar verkopen om hun achterstallige geld te krijgen. Ze hebben hiervoor toestemming nodig omdat ze nog jong zijn. Op 20 oktober 1619 dienen ze een verzoek in.

De weesmeesters Pr Cincq, Harmans, Jan Dircxsz de Lange en Gerrit Cornelisz de Lange geven op 21 oktober 1619 positief advies voor een openbare verkoop. Op 22 oktober 1619 stemt het stadsbestuur van Gouda in, mits het bestuur van Rotterdam ook akkoord gaat.

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 196 / Requestboek / 1615-1622 / Gda / 0095  


Dit is een serie verzoeken aan de stadsbestuurders van Gouda uit 1621 tot 1623:

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 197 / Requestboek / 1622-1627 / Gda / 0076  


Johannes Michael Goppel Junior uit Rotterdam vraagt toestemming om zijn tegeloven met bijbehorende gebouwen af te breken. Deze staan op zijn land aan de Wagterstraat net buiten de Potterspoort in Gouda, aan de zuidkant van de Gouwe. De gemeenteraad van Gouda heeft op 16 december 1803 toestemming gegeven, op voorwaarde dat hij de belastingen blijft betalen.

Jacob Timmerman, een Franse kostschoolhouder uit Bergen op den Zoom, had in januari 1802 gevraagd om zijn zoon Algedius Marinus Timmerman uit Gouda in een verbeterhuis (een soort gevangenis) te mogen opsluiten vanwege zijn slechte gedrag. De gemeenteraad gaf hier op 19 januari 1802 toestemming voor.

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 276 / Requestboek / 1801-1804 / Gda / 0154  


Op 19 september 1803 en 26 september 1803 werd in Gouda een verzoekschrift ingediend door huiseigenaren uit:

Het ging over het tweede waterschapskwartier, dat verdeeld was in 4 delen. Het eerste deel liep van de Donkere Sluis langs de huizen van het kerkhof tot achter het koor van de kerk, tot aan het huis 'De Klok' van Dirk de Vooijs.

Bij het bruggetje van de Kerkroos, bij het huis van Anthony Collewijn, was de straat verzakt. De commissarissen hebben dit gemeld aan de kerkmeesters van de Sint-Janskerk. Samen met de onderfabrieksmeester van de stad hebben ze de verzakking onderzocht.

Het onderzoek werd betaald door de Sint-Janskerk en het waterschap. De onderfabrieksmeester verklaarde dat de reparatie van de waterafvoer alleen door het waterschap betaald moest worden. De commissarissen lieten experts kijken naar het defect. Omdat de reparatie zo duur zou worden, wilden de commissarissen eerst toestemming vragen voordat ze de opdracht gaven.

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 276 / Requestboek / 1801-1804 / Gda / 0178  


De bestuurders van het voormalige timmermansgilde in Gouda moesten geld overdragen aan de regenten van het armenhuis. Het stadsbestuur van Gouda heeft op 3 februari 1804 nieuwe regels vastgesteld voor de timmerlieden in de stad. Deze regels golden als instructie voor de bestuurders en als algemene voorschriften. Huiseigenaren in het tweede district van het waterschap waren verbaasd toen ze moesten betalen voor het maken of repareren van een afvoerpijp. Deze pijp lag naast het pand van Anthonij Collewijn op het Sint Janskerkhof. Sommige eigenaren hadden al betaald, zonder te weten waarvoor precies. Er was onduidelijkheid of deze afvoerpijp verbonden was met het riool dat van de kerkgracht onder de huizen door naar de botermarkt liep.

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 276 / Requestboek / 1801-1804 / Gda / 0175  


Op 3 maart 1654 werd duidelijk uit een brief van de hoofdaanklager bij het Hoog Gerechtshof van Nederlands-Indië van 8 juli 1653 dat:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 320 / 0464  


De tekst gaat over een zaak betreffende de erfgenamen van Christiaan van Angelbeek. Er wordt ingegaan op enkele bezwaren die zijn ingediend:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 320 / 0466  


De Minister van Koloniën in 's-Gravenhage kijkt naar de brief van de directeur van het Kabinet van Koning uit 15 mei 1834 over oude schulden van de VOC. De koning heeft besloten:

De regering bekijkt een eis van handelaren Vaate & Co. uit Amsterdam namens de erfgenamen van H. Dirksk uit Cochin. Het gaat om 106.600 roepies die Dirksk heeft geleend aan de VOC.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4281 / 0456  


Groenewald vroeg aan de slaaf October of de slaaf Abraham van de kooi was gevallen. October antwoordde eerst nee. Groenewald reageerde door zijn armen over elkaar te slaan en beledigend te zeggen: "Kijk die schurk daar eens staan". Hij bleef aandringen op de waarheid, maar October bleef nee zeggen. Groenewalds vrouw zei dat de jongen het wel tegen haar had gezegd. Groenewald schold de slaaf uit en dreigde hem naar de gouverneur of fiscaal in de Kaap te brengen. Toen zei October ja. Een jongen uit Rio de Lago bevestigde dit ook. Daarna riep Groenewald de slaaf Carel, die hij op dezelfde manier ondervroeg. Carel bleef steeds nee antwoorden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0950  


Deze getuigenverklaring werd afgelegd op het secretariaat van Stellenbosch. De getuige vertelde dat hij tegen Hendrik had gezegd dat het er niet toe deed wat twee jongens hadden beweerd, en dat hij dit aan meneer Lourensz kon vertellen. De verklaring werd afgelegd in aanwezigheid van:

De verklaring werd door alle aanwezigen ondertekend en later nog eens bevestigd door secretaris De Grandpreez en secretaris Degramd Breel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0951  


De onafhankelijke aanklager Mr. Daniel Van Den Henghel heeft een aanklacht ingediend bij rechtbankvoorzitter Hendrik Swellengrebel en de raad van justitie. De aanklacht is tegen Antoni van Ternaten, een slaaf van burger Johannes Strijdom. Antoni zit gevangen wegens inbraak en diefstal, en moet zijn doodvonnis aanhoren. Als bewijs heeft de aanklager twee documenten:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0955  


Er zijn meerdere situaties waarin de straf voor diefstal werd verzwaard tot de doodstraf:

Bij nachtelijke diefstal mocht de bewoner volgens de Bijbel (Exodus) en het Romeins recht de dief zonder straf doden, vooral als deze gewapend was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0960  


De getuige verklaart dat er ongeveer een maand na het onderzoek van de slaaf Abraham een incident plaats vond. Hij was naar Groenewald gestuurd om enkele slaven op te halen. Groenewald klaagde toen dat er elke nacht spullen werden gestolen, waaronder bonen en waterlimoenen. Groenewald vermoedde dat de jonge Kees elke nacht op zijn erf kwam. De getuige antwoordde dat hij beter wist en dat de jonge Kees nooit in Stellenbosch was geweest. Wel wist de getuige dat op een avond de vrouwelijke slaaf Sara en de slaaf Carel een halve schepel zwarte bonen naar de eerder genoemde jonge Kees in Stellenbosch hadden gebracht. Sara had toen gevraagd om met slaaf Kees te mogen spreken, maar dit werd door de getuige en zijn metgezellen geweigerd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0929  


De getuige hoorde dat de slavin Flora tegen Bosselman zei dat hij een moordenaar was omdat hij een jongen had doodgeslagen om een klein stukje vlees. Ze zei dat ze niet zoveel om de jongen gaf, maar wel om haar arme kinderen. Nadat de getuige zijn pijp had opgestoken, ging hij naar de plek waar ze Abraham uit het graf haalden. Daar gaf hij de pijp aan de rechter. Daarna ging de getuige naar het wagenhuis van Groenewald, waar een arts het lichaam van slaaf Abraham opende in aanwezigheid van de rechter en andere officials. Even later kwam ook slavin Flora daar, die op een wagen klom en over een muurtje leunde om naar de lijkschouwing te kijken. De getuige hoorde duidelijk dat Flora iets zei toen de arts de long onderzocht, die vol gestold bloed zat.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0928  


Op 10 juli 1737 verscheen voor Daniel Godfried Carnspek, secretaris van Stellenbosch en Drakenstein, de veldwachter Hendrik Hout. Hij verklaarde op verzoek van landdrost Pieter Laurensz het volgende:

Op 3 januari 1737 werd het lichaam van slaaf Abraham, eigendom van oud-heemraad Johannes Groenewald, opgegraven. Het lichaam lag begraven bij Groenewald's huis. Op bevel van de landdrost werd het lichaam in aanwezigheid van heemraden onderzocht. Hout ging toen naar de keuken van Groenewald om een pijp tabak aan te steken. Daar trof hij bij het vuur aan:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0927  


Jacob Cloete en Johannes Louw, die bestuurders waren van Stellenbosch, verklaren op verzoek van landdrost Pieter Lourensz het volgende:

Op 3 januari van dit jaar kwamen ze bij de woning van oud-bestuurder Johannes Groenewald. Ze moesten daar een overleden jonge slaaf onderzoeken, die Abraham heette. Toen ze van hun paarden stapten, kwamen er veel slaven en slavinnen huilend en klagend naar hen toe. Ze hoorden dat er werd gezegd dat de baas Abraham had doodgeslagen. Bij de klagende slaven was ook Flora, een slavin van Groenewald.

Toen de dokter de long van slaaf Abraham onderzocht, zag hij dat deze vol gestold bloed zat. Toen een van de bestuurders zachtjes met zijn wandelstok op de ribben van de overleden slaaf tikte, hoorde hij Flora (die op een wagen stond en over een muurtje leunde) iets in het Portugees zeggen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10936 / 0923  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/