Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 10 juli 1653 legde Fytge Claes, een 39-jarige weduwe van Jeuriaen Hendricksz (huisschilder) en burger van deze stad, een verklaring af bij notaris Jan de Vos. Op verzoek van Apoloma Cotermans getuigde ze dat ze ongeveer 3 jaar bij haar had gewerkt. Ze verklaarde dat de zoon van Lieven de Vos eerst een kamer bij Apoloma Cotermans huurde en er ongeveer 10 maanden in de kost was.
Deze verklaring werd afgelegd in Amstelredamme in aanwezigheid van de getuigen Huibert Pietersz Nieulant, Lambert Jansz ter Gun (kleermaker), Johanna Becker (weduwe van Joris Zuerius), Sara Clancius en Pieter Harmensz.
Daarna volgt een inventaris van de bezittingen van wijlen Hans Vinghboons, een kaffawerker (textielbewerker), en zijn weduwe Immitge Roeloffs. Deze inventaris werd opgemaakt door notaris Jan de Vos in een kamer aan de oostzijde van de Elandsgracht, in aanwezigheid van Immitge Roeloffs en Adriaen Vinghboons (broer van de overledene).
De inventaris bevatte:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1511028 / 160 Jacob Joris van Nieulant de Jonge, een kistenmaker en burger van de stad, draagt op 17 januari 1661 een schuld van 292 gulden en 4 stuivers over aan Jacob de Le Mine (advocaat) en Frans Wenbogaert (conciërge). Deze schuld was van Jan de La Minne. Van Nieulant verklaart hiervoor volledig betaald te zijn.
Op 19 januari 1665 verhuurt Frans Wtenbogaert, conciërge van de stad, een huis aan de Singel in Amsterdam, naast het Wapen van Holland, aan de kooplieden Giuseppe Marucelli en Daverazino. De huurovereenkomst heeft de volgende voorwaarden:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937162 / 38 Dit document uit 1 mei 1665 beschrijft een lijst schulden en een verklaring over een scheepslading. Het bestaat uit twee delen:
Deel 1 - Lijst met schulden:
Deel 2 - Verklaring over een schip:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937034 / 211 Op 27 januari 1651 speelde er een zaak over een schuld van 420 gulden. Deze schuld stond in een Schepenenkennis (officieel document) van 12 april 1633. Het ging om een huis met twee woningen onder één dak in het boerensteegje aan de zuidkant. Dit huis was op 16 april 1649 door Claes Jansz Slotemaecker verkocht aan Jacob van Nieulant. Bartram Bouton trad op als voogd over de minderjarige zoon van Jacob van Nieulant. Voor deze zaak verschenen verschillende getuigen bij notaris Jan de Vos in Amsterdam. Ook was er een incident op 26 januari 1651 waarbij twee vrouwen getuigenis aflegden:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1511020 / 28 Op 12 april 1661 verklaarde Jan Coops van Texel voor notaris Willem van Veen in Amsterdam dat hij als schipper van het schip 'Jan' zijn best had gedaan om het schip in Dublin uit de grond te krijgen. Hij verkocht het wrak voor 80 pond sterling. De kosten voor berging en reis bedroegen 430 gulden. De matrozen kregen hun halve loon uitbetaald in Dublin.
Op 12 april 1661 ging notaris Willem van Veen naar het huis van Joris Nieulant in de Monnikenstraat in Amsterdam. Namens huiseigenaar Lucas Claesen werd Nieulant gewaarschuwd dat hij binnen 24 uur een huurcontract moest komen tekenen en de huur alleen aan Claesen mocht betalen. Anders moest hij in mei vertrekken. Nieulant antwoordde dat hij niets met Claesen te maken had.
Op 13 april 1661 verklaarde Willem Willemsz uit Hamburg dat hij 110 gulden schuldig was aan Thomas Cliegenaer, een droogscheerder in Amsterdam. Dit was voor kosten van zijn reis naar Oost-Indië als matroos op het schip 'Princesse Royaal'.
Op 13 april 1661 verklaarden vijf bemanningsleden van het schip 'Stad Rostock', onder leiding van schipper Saertzen van Pnemerlant, dat zij in maart in Elsenborg ossen hadden ingeladen. Deze waren vastgebonden volgens instructies van de bevrachter Hans Hans. De bemanning had de dieren goed verzorgd met water en voer.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937128 / 122 In Harman van de Poll & Company protesteerde tegen de niet-betaling van 3 wisselbrieven met de volgende bedragen: 10.200 gulden, 9.100 gulden en 8.000 gulden. Dit was een totaalbedrag van 27.600 gulden. De kwestie betrof ook Zaal Junior en Redegeld & Company op 26 mei 1773.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486106 / 419 Op 10 december 1712 werd in Suriname een wisselbrief uitgeschreven voor 2500 gulden. De wisselbrief was gericht aan de heer H.D. Solve voor de plantage Mariënburg. Deze brief werd later op 23 juni 1775 overgedragen aan Harman van de Poll & Comp.
Op 26 mei 1775 heeft notaris Isaac Poos uit Amsterdam namens Harman van de Poll & Comp protest aangetekend omdat de wisselbrief niet werd uitbetaald. Dit gebeurde in aanwezigheid van getuigen Rik Werts Juimo en Johannes Adrams Banteger.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486106 / 418
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486106 / 417 Op 3 maart 1665 verschenen voor notaris Adriaen Lock twee getuigen:
Beiden woonden in Amsterdam en legden een verklaring af voor Jan, Lijntge en Ariaen Dapper. Ze verklaarden dat ze Abraham Dapper goed hadden gekend. Hij was de broer van de aanvragers en zoon van dominee Jacobus Dapper. Abraham was in het jaar 1653 naar Oost-Indië vertrokken, waar hij volgens de getuigen was overleden.
De getuigen verklaarden ook dat Abraham Dapper geen vader, moeder, zus, broer of kinderen had nagelaten, behalve de aanvragers. Dit betekende dat de aanvragers de wettige erfgenamen waren van hun broer Abraham.
Als reden voor hun kennis gaven de getuigen aan dat ze familie waren van de aanvragers en hun ouders goed hadden gekend. De verklaring werd afgelegd in aanwezigheid van de getuigen Dirck vander Groe en Cornelis van Meurs.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965484 / 25 Op 22 oktober 1638 en 3 november 1638 waren er vergaderingen van de belangrijkste deelnemers uit Zeeland, Middelburg, Vlissingen en Veere.
Lovijs rapporteerde over het tekenen van de notulen. Duuvelaer en de Maecht werden aangewezen om in Den Haag de notulen te tekenen. Ze moesten ook naar Amsterdam gaan voor de aanname van 2700 soldaten.
Er werden verschillende brieven voorgelezen:
Uit berekeningen van de Hoge Raden in Brazilië bleek dat de inkomsten uit suiker meer dan 26 ton goud zouden bedragen. Ook werd een lijst met droge levensmiddelen uit Brazilië van 26 juli 1678 voorgelezen.
Lovijs presenteerde een besluit over de verkoop van 250.000 gulden in Amsterdam, waarbij elk deelgebied zijn deel zou krijgen tegen 125 procent. De vergadering stelde het besluit uit tot de bestuurders erover hadden besloten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.01 / 34 / 0197 De tekst beschrijft diverse voorbeelden van contracten en betalingsbewijzen uit Steenvoorde. Het gaat om:
Bekijk transcriptie kronieken / 380278 / 347 Op verzoek van Egbert Roelofsz Wonneman (bakker, getrouwd met Baijcke van Nieuwlandt), Jacob Roelofsz (schoolmeester, getrouwd met Lijsbeth van Nieuwlandt), en Eunica Brandolfus (weduwe van Joris van Nieuwlandt) werd op 27 oktober 1670 een boedelinventaris opgemaakt. Eunica was moeder en voogd van:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 605104 / 37 Jacob de Winter, een notaris in Amsterdam, heeft verschillende verklaringen opgeschreven: 1. Over een vechtpartij:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 607561 / 178 In deze rechtszaak verklaren enkele getuigen over een conflict rond een kelder waar drank werd verkocht. Joost Witsen Camboer verklaart dat hij op een nacht rond 2 uur brandewijn moest halen bij de Utrechtse poort. Een soldaat wees hem naar het huis van de klager. De bewoner van de kelder verkocht hem brandewijn.
Andere getuigen, waaronder Dirck Bastiaensz, Gerrit Hendrixsz Swolsman en Dirck Claesz, verklaren dat de bewoner van de kelder vaak klanten wegtrok van de huiseigenaar. Dit gebeurde 15 oktober 1670 in Amsterdam.
In een tweede zaak verklaren Egbert Roelofsz Wonneman en Jacob Roelofsz, getrouwd met respectievelijk Baijcke en Lijsbeth van Nieuwland, als erfgenamen van Joris van Nieuwland de oude en Anneke de Klerck, dat ze een huis hebben verkocht aan Harman Joosten Vinck. Het huis staat in de St. Jansstraat in Amsterdam waar vroeger 'de Inktpot' en nu 'de Noteboommenledekant' uithangt. De verkoopprijs is 7000 Caroli guldens, te betalen in mei 1671.
Tot slot verklaart Cornelia Warmount, weduwe van Nicolaes van Gerwen, voor notaris Jacob de Winter in Amsterdam een machtiging af aan Gerot van Kerckhem, notaris in Leiden.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 607561 / 62 Op 21 april 1637 in Amstelredamme ging het om een juridische zaak tussen verschillende partijen. Hoofdpersonen waren:
Deze personen waren erfgenamen van Reijnier Craecht. Ze hadden ook erfrechten via:
Er werd een vraag gesteld aan Pieter Campe, Geertruijt Camps en Cornelis Schellingen over een bedrag van 34.278 gulden dat in beheer was bij Jacob Perriens.
Als getuigen waren aanwezig Claes van Zanten en Harmen Anthonisz, burgers van Amstelredamme.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510364 / 93 Op 9 januari 1767 verscheen voor Nicolaas Rocher, een beëdigd klerk van het bestuur van Suriname, de heer Jan Redegeld. Hij woonde in de kolonie en stond op het punt om terug te keren naar het vaderland. Hij bevestigde zijn testament dat die dag was opgesteld. Met dit document voegde hij toe dat hij kapitein Pieter Steenman aanstelde als uitvoerder van zijn testament, maar alleen als Redegeld tijdens de zeereis zou overlijden of verongelukken. In dat geval moesten zijn bezittingen die aan boord waren bij aankomst worden overhandigd aan Jacobus Rosewind in Amsterdam. Kapitein Steenman mocht deze goederen niet verkopen of weggeven. Als er een schipbreuk zou zijn, sloot hij iedereen uit die daarom aanspraak zou maken op zijn bezittingen. Dit document werd opgesteld in Paramaribo in aanwezigheid van de getuigen Wilhelmus van Khijn en Christiaan van der Noord.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 36 / 0057 Op 20 november 1767 bezocht notaris Daniel van den Brink in Amsterdam het huis van Coenraad Laurens Nering Bogel. Hij deed dit namens de kooplieden Jan en Theodore van Marselis. Ze hadden een brief ontvangen uit Paramaribo van 25 augustus dat jaar, geschreven door G. Kraayvanger en I. van der Balk. Deze brief was gericht aan Jan Redegelt, die naar Suriname was vertrokken. In de brief stond dat Kraayvanger en Van der Balk op 20 juli een wissel hadden getrokken van 6.680 gulden. Deze wissel moest betaald worden aan F.E. Becker en had te maken met de vijfde termijn voor de aankoop van plantage Twijfelagtig. Van den Brink maakte bekend dat Van Marselis bereid was de wissel te betalen namens Redegelt. Omdat Nering Bogel niet had gereageerd op dit aanbod, werd hem formeel meegedeeld dat hij het geld kon komen ophalen op hun kantoor. Als hij zou weigeren, zouden alle kosten en schade voor zijn rekening komen. Nering Bogel vroeg om een kopie van deze aanzegging. Als getuigen waren aanwezig Willem Stottenkamp Junior, Petrus van Isendyk en Willem Holtenkam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510862 / 384 Isaac Elufrancou Berthon trad op als vertegenwoordiger van Daniel Chanquion, een koopman uit Amsterdam en eigenaar van plantages in de Canje rivier in de kolonie Berbice. Er was een rechtszaak tussen Johan Jacobsz (veilingmeester) en Berthon.
Johannes Levering vertegenwoordigde H. Keyzer in een zaak tegen Claas Nicolaij. Het ging om een bedrag van 1265,17 gulden voor goederen die J.J. Redegeld verschuldigd was aan zijn opdrachtgevers in Amsterdam. Nicolaij had een deel van deze goederen gekocht of in bewaring voor een bedrag van 423 gulden.
Redegeld had een schuldbekentenis van 1094,5 gulden ondertekend op 15 september 1781 in Amsterdam, met 4% rente. Daarnaast was er een bedrag van 171,12 gulden voor geleverde tabak.
Het hof besloot dat:
Tot slot werd een verzoek behandeld van Jacobus Broekhuijzen en Hendrik Botjer als beheerders van de nalatenschap van Johan Hendrik Niets.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.05 / 175 / 0459 Na het overlijden van mevrouw Anna Amelia Bertrand werd op 26 september 1753 een testament opgesteld. Dit werd op 7 augustus 1754 geopend door directeur Jan Redegeld. De inventarisatie werd uitgevoerd door commissaris Johan Godfried Selberger en Jean Liard, waarbij Lamens Goede als beëdigd klerk alles opschreef.
Het totale gebied was 492 akkers groot. De koffieplantage bestond uit verschillende stukken grond:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 917 / 0670 Op de plantage Mollhoop werd op 17, 18 en 19 oktober 1753 een inventaris opgemaakt. De inventaris was opgesteld door Johannes Leonardus van Son, H.A. Bertrand, weduwe Johannes Moll, D.V. Selbinger, P. Godeff, Johann Poppe, I. Velskamp en Jan Redegeld (voorlopig beëdigd klerk). Ze beloofden dat als er later nog zaken ontdekt zouden worden die aan de inventaris toegevoegd of eruit verwijderd moesten worden, ze dit zouden melden. Ze waren ook bereid om indien nodig een eed af te leggen over de juistheid van hun opgave.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 194 / 0815 Op 4 april 1766 ging notaris Isaac Pool namens koopman Herman van de Poll uit Amsterdam naar het huis van Jan en Theodore van Marselis, ook kooplieden in Amsterdam. Hij sprak daar met Theodore van Marselis en deed een officiële aanzegging.
Herman van de Poll informeerde hen dat ze leiding gaven aan een investeringsfonds voor planters in de kolonie Suriname. Hij had vernomen dat ze in een rechtszaak brieven hadden laten zien van Geerloffert Kraayvanger en Jan Redegeld, eigenaren van de plantage Twijfelagtig in Suriname.
Walter Kennedy vertegenwoordigde hen via een volmacht die op 11 mei 1764 in Paramaribo was opgesteld door Nicolaas Rocher, een beëdigd klerk. In die brieven hadden Kraayvanger en Redegeld geschreven dat ze Van de Poll een volmacht hadden gegeven om de financiële verantwoording op te vragen.
Van de Poll liet weten dat hij deze volmacht niet zou gebruiken omdat Kraayvanger en Redegeld destijds niet wisten dat Kennedy al bezig was met het opvragen van de financiële administratie. Hij wilde voorkomen dat zijn volmacht zou worden gebruikt om de vordering van Kennedy te vertragen.
Dit werd vastgelegd in aanwezigheid van getuigen Barent Engelberti Santhagens en Anthony Pieter van Limmik.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486048 / 263 Joost Laal en Jan Redegeld waren de nieuwe directeuren van de plantage De Goede Vriendschap in de kolonie Suriname. Deze plantage lag aan de rivier Commewijne tussen de plantages Mariënbos en Schaapstede. De eigenaren van deze plantage waren:
Volkert Christoffers en Nicolaas Jan van Bagge uit Amsterdam waren commissarissen van deze zaak. Ze vroegen aan de autoriteiten om Jan Redegeld of zijn gemachtigden te verbieden de plantage te verkopen, tenzij de koper de hypotheek van 50.000 gulden zou overnemen. Als Jan Redegeld zich hiertegen zou verzetten, moest hij de proceskosten betalen totdat de autoriteiten anders zouden beslissen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 87 / 0145 Op 22 januari 1782 is er in Berbice bij Fort Nassau een lijst gemaakt van verschillende uitgaven van de winkel. Deze uitgaven betreffen:
Het totaalbedrag van alle uitgaven was 33.333 gulden en 2 stuivers. De lijst is ondertekend door J.J. Kausch, opzichter van de winkels.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.05 / 167 / 0404 Een vrouw genaamd Diana, een vrije zwarte persoon, bezat de volgende bezittingen in Paramaribo:
Dit huis lag tussen de huizen van vrije personen Kettie Bartelo en Clara van Assenboer. Deze inventarislijst is opgemaakt op november 1789 in aanwezigheid van getuigen Adriaan Comvalius en Jacobus Johannes Redegeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 273 / 0310 Er gebeurde een incident waarbij Europese mannen de tuin van kapitein Cruijsberg zijn binnengedrongen en iedereen op de vlucht joeg. Door het geschreeuw van de vluchtende slaven en Jan de Wijs is men in paniek het huis in gevlucht en werden deuren en ramen gesloten. De getuige riep vanuit een bovenraam om hulp.
De Europeanen zijn achter in de tuin gelopen en gingen het volk van Cruijsberg achterna. Ze konden niet zien wie wie had verwond. De Europeanen verlieten de tuin te voet, met hun wagen achter zich aan.
Kort na het vertrek vond men in Cruijsberg's tuin de burger Jan de Wijs en de slaaf Boejang zwaar gewond. Er was veel schade aangericht in zowel de tuin als het huis.
Ondanks duidelijk bewijs blijven de verdachten volhouden dat ze niets te maken hebben met het geweld in Cruijsberg's tuin. Ze beweren dat:
Toen Fournier gevraagd werd of hij en soldaat Friolet na De Wijs's vertrek naar Cruijsberg's tuin zijn gegaan, gaf hij een ongeloofwaardig antwoord dat de herbergier hem met een kaars naar buiten heeft begeleid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9472 / 0258 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/