Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 24 december 1744 werden weduwe Abraham Beek en haar zoon in Palkes ingeschreven als geldwisselaars samen met Gerrit Kras.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510665 / 470 Na een kasafrekening door Jan de Rooij als uitvoerder van het testament van Jenneke Cornelis Grooten (weduwe van Anthoni Snijders) op 26 juli 1758 voor notaris Adriaan de Grandt in Oosterhout, moest er een afrekening worden gedaan voor de minderjarige kinderen van Cornelis Beijens de Jong en Johanna Snijders.
Deze afrekening moest worden voorgelegd aan de voogden die door het bestuur van de vrijheid Oosterhout waren aangesteld. Na goedkeuring van de afrekening moest aan de voogden:
Dit alles moest gebeuren met de juiste kwitanties. De overeenkomst werd getekend in de heerlijkheid Loon op Zand, in het huis van de betrokkene, in aanwezigheid van Jan Jooste Couwenbergh.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1768416 / 13 Op 18 oktober 1760 verscheen voor Govaart Derlemans, notaris in 's-Gravenhage, wonend in Loon op Zand, Maria Vermeer. Zij was weduwe en erfgename van Jan de Rooij uit Loon op Zand. Ze verklaarde dat ze Cornelis Quirijn, advocaat uit Grevelduin-Capelle, macht gaf om namens haar bij notaris Adriaan de Grandt in Oosterhout verslag te doen van:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1768416 / 12 's Grevelduijn Cappel en Mighiel Beckers, beiden inwoners van deze plaats, werden opgeroepen als getuigen in een rechtszaak van Jan de Booij Duijns weduwe. Dit werd bevestigd door notaris Hereman.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1768416 / 11 Wentholt had graag gezien dat de Alfoeren (inheemse bevolking) door een militaire actie waren verjaagd uit hun schuilplaatsen. Hij wilde voorkomen dat ze mensen in Manado zouden aanvallen. Hoewel Wentholt en het bestuur het erover eens waren dat de schuilplaatsen van deze Alfoeren moesten worden vernietigd, moest dit worden uitgesteld tot er 50 militairen zouden arriveren om Palilla te heroveren. Wentholt was te ongeduldig om daarop te wachten. Hij wilde de aanvallen van rovers en piraten tegengaan door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8139 / 0048 Wentholt kreeg de opdracht geen bezoeken van Boeginezen meer te ontvangen. Uit Zuwawa was iemand ontsnapt. De resident Wentholt moest regent Lakki Boelang van Zuwawa vertellen dat hij bevorderd werd tot koning. Lakki Boelang moest naar het kasteel komen om officieel koning te worden. Voorwaarde was dat hij en zijn mensen beter hun goudleveranties moesten nakomen dan voorheen. De koningen van Gorontaal hadden terecht geklaagd over resident Mol, omdat die Boeginese afgezanten had toegelaten. Resident Wentholt kreeg de opdracht zulke bezoeken van Boeginezen en andere verdachte reizigers te vermijden. Als er toch afgezanten moesten komen, moest hij de koningen vooraf waarschuwen. Bij zulke bezoeken van vreemde inlanders moest Wentholt zijn garnizoen bewapend en verdedigingsklaar houden om niet overvallen te worden. Wentholt beloofde deze waarschuwingen op te volgen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3492 / 0103 Er ontstonden opnieuw problemen in Manado na het conflict tussen resident Wentholt en de Hoecum. Wentholt gaf de schuld aan de luitenant van de burgerwacht van Manado, Cornelis Willemsz. Op 28 februari diende Wentholt een klacht in bij de Raad, omdat hij zich beledigd voelde door deze burgerofficier. Willemsz ontkende echter tijdens zijn verblijf ter plaatse dat hij Wentholt ooit had tegengewerkt. Hij had zelfs klachten over Wentholt. De enige oplossing was om aan Wentholt te schrijven dat als hij zich benadeeld voelde door Willemsz, hij een rechtszaak kon aanspannen wanneer Willemsz zou terugkeren.
De Raad had nog geen antwoord ontvangen op hun brieven van 10 januari en 18 maart van dat jaar. Dit lange uitblijven van antwoord zou volgens resident Hemmekam en de vertrokken resident Wentholt, die nog in Manado was, te wijten zijn aan vijandelijke acties van de Magindanauwers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 7935 / 0348 Er kwamen vertegenwoordigers van 4 dorpen (Borxsweer, Oldermunte, Grotermunte en Woldendorp) om te praten over een overeenkomst met Regnerus Bousema, zoon van de overleden pastoor Rombertus Bousema. Ze wilden minder zeedijkonderhoud doen. Ze hadden Bousema 500 goudgulden beloofd om dit te regelen met de stad Groningen. Dit was op maandag na Sint Maarten gebeurd zonder medeweten van de Raad. Ze legden uit dat ze de Raad niet wilden passeren en vroegen of de Raad hen wilde helpen bij het verlichten van de dijklasten. Er waren 25 tot 26 dorpen die ook zouden moeten meebetalen aan het dijkonderhoud omdat zij er ook door beschermd werden. De Raad beloofde te helpen maar vroeg wel de dijken goed te blijven onderhouden.
Op maandag 25 mei 1573 deed de stadsrentmeester zijn jaarrekening over 1 januari 1572 tot 1 januari 1573. Er was 1200 rijdergulden meer uitgegeven dan ontvangen.
Op maandag 1 juni 1573, donderdag en vrijdag werd vergaderd over het aflossen van 33.000 gulden schuld maar er kwamen te weinig mensen om besluiten te nemen.
Op maandag 8 juni 1573 werd verder gesproken over het aflossen van stadsschulden. Ook werden 2 mensen naar Harlingen gestuurd om een ervaren timmerman te vinden voor het maken van een sluis buiten de Steentilpoort.
Op dinsdag 9 juni 1573 werd Aysso Phebkens een beloning beloofd als hij goed voor de dijken zou zorgen.
Bekijk transcriptie kronieken / 891475 / 245 In 1681 hebben verschillende mensen betalingen gedaan en ontvangen:
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1529078 / 24 Maerten Kouwenhove, een officiële notaris van het Hof van Holland, die in Schiedam woonde, ging samen met getuigen naar het huis van Jacob Vande. Hij las daar een verklaring en protestbrief voor. Jacob Vande antwoordde dat hij bereid was de stenen die Adriaen Cornelisz van Van Dalen had gekocht te leveren zodra er schepen zouden komen. Als Van Dalen binnen 14 dagen de volledige levering van de gekochte stenen wilde ontvangen, zou hij een korting krijgen van 20 gulden op de afgesproken koopprijs.
Dit gebeurde in Schiedam in aanwezigheid van getuigen Jacob Hollaert en Adriaen vander Elst, klerken van het secretariaat, op 1641.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1500596 / 10 Op 8 augustus 1876 verscheen voor notaris Gerrit Cornelis Joekes in Haarlem de volgende personen:
Het betreft een hypotheek van 2000 gulden tegen 5% rente per jaar voor een huis in de Lange Sint Annastraat te Haarlem. Dit pand behoorde tot de onverdeelde erfenis van Johannes Jacobus van Maas en zijn overleden vrouw Johanna Hendrika Mado (overleden 17 maart 1874) en hun overleden dochter Johanna Jacoba van Maas (overleden 14 augustus 1874).
De voorwaarden zijn:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 196 / 0125 Jansje Margaretha van Zutphen, echtgenote van Christiaan van Maas (stoelen- en kastenmaker), wonend in de Gierstraat in Haarlem, heeft haar testament laten opstellen bij notaris Pieter van Lee. Dit gebeurde op 3 december 1831. Ze bepaalde het volgende:
Het testament werd getekend in aanwezigheid van vier getuigen: George Hendrik Meijer uit de Kleine Houtstraat, Dirk Muijskens uit de Sint Ursulastees, Jan Ferdinand Fonteijn uit de Zijlstraat en Abraham Kruijer van de Krocht.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1617 / 1675 / 0903 Op 31 mei 1892 werd voor notaris Cornelis Anthonie Joekes in Haarlem een boedelscheiding opgemaakt. Het betrof de nalatenschap van Catharina Susanna van Maas, die op 18 februari 1892 in Haarlem was overleden. Ze was eerst getrouwd met Barend van Aken en later met Gerardus Gerlagh.
Bij haar testament van 19 augustus 1887 had ze de volgende zaken geregeld:
Karel Frederik van Maas werd aangesteld als uitvoerder van het testament. Hij deed financiële verantwoording van ontvangsten (8139,94 gulden) en uitgaven (5596,72 gulden).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 482 / 0309 Er werd een lijst met namen samengesteld van personen in de periode tussen 1395 en 1719. De namen bestaan uit familienamen en voornamen met soms extra gegevens zoals steden. De lijst bevat mensen zoals:
De lijst bevat verder vergelijkbare namen, vaak met meerdere voornamen per persoon. Sommige namen hebben extra aantekeningen zoals "R.u.P." of "R.u.S." wat waarschijnlijk administratieve codes waren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 510 / 0029 De vergadering besprak verschillende zaken:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3182 / 0486 De tekst gaat over een financiële overeenkomst die werd gesloten op 7 augustus 1623. Philippe Calandrini, burgemeester Jonas Witse, Jan de Wael en Balthasar Coeymans maakten afspraken over betalingen met de Republiek van Venetië. Het ging om maandelijkse betalingen van 50.000 gulden aan de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden.
De betalingen zouden worden gedaan in 12.500 Hongaarse dukaten, die in Venetië per maand 20.161 dukaten en 6 groten waard waren. Voor elke dukaat zou 95 Vlaamse groten worden betaald. De eerste betaling zou op 11 november plaatsvinden in Venetië en drie maanden later, op 11 februari 1624, in Amsterdam worden uitbetaald.
Calandrini en zijn partners zouden 300.000 gulden voorschieten in Amsterdam. Dit bedrag zou worden verrekend met de toekomstige maandelijkse betalingen uit Venetië. Ze zouden hiervoor rente ontvangen tegen 6,25% (de penning 16).
Als Venetië in gebreke zou blijven, beloofden de Staten van Holland en West-Friesland het resterende bedrag plus rente binnen 6 maanden te betalen.
Het contract werd getekend in Amsterdam op 10 augustus 1623 door:
Het contract werd goedgekeurd door de Gecommitteerde Raden in Den Haag op 11 augustus 1623.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12302 / 0346 Er is een contract gesloten waarin Philippe Calandrini en zijn partners een betaling van 300.000 gulden moesten doen in de bank in Amsterdam. Dit geld zouden ze terugkrijgen uit maandelijkse betalingen vanuit Venetië. Als Venetië niet zou betalen, beloofden Gerard van Santen en Frederik de Vrij namens de Staten van Holland en West-Friesland dat het ontbrekende geld binnen 6 maanden zou worden betaald. Het contract werd getekend in Amsterdam op 10 augustus 1623.
Het contract werd ondertekend door:
Het contract werd goedgekeurd door de Staten van Holland en West-Friesland in Den Haag op 11 augustus 1623 en door de Staten-Generaal op dezelfde dag.
Op 18 juli 1623 werd er een nieuwe paus gekozen: kardinaal Barbarino uit Florence, 53 jaar oud. Hij was eerder gezant in Frankrijk geweest en werd daar volgens geruchten met steun van de koning tot kardinaal benoemd. Er werd getwijfeld aan zijn adellijke afkomst. Het nieuws van zijn verkiezing werd in Venetië gevierd met klokgelui en kanonschoten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11911 / 0066 Bartholomeus Cantijn was in Amsterdam een rechtszaak aangegaan. Hij had 2 jaar geleden bij Amsterdam een kist met binnenlands linnen geladen voor transport naar Londen. In Texel werd zijn schip gecontroleerd. Er werd een kist met linnen gevonden die was opgegeven als 22 stukken, maar er bleken 30 stukken in te zitten. De kist werd in beslag genomen en naar Amsterdam gestuurd. In Amsterdam werd de kist verbeurd verklaard. Later kwam Cantijn naar Zwolle en beschuldigde de controleur Anthony Auckema ervan zijn goederen onterecht te hebben verkocht. Cantijn liet Auckema arresteren en voor het gerecht brengen. Auckema protesteerde omdat hij als ambtenaar niet gearresteerd mocht worden. Hij reisde daarna door naar Nijmegen, Tiel en andere plaatsen. Toen hij weer in Amsterdam kwam, bleek dat hij binnen 6 weken moest uitleggen waarom hij niet gearresteerd kon worden. Auckema vroeg de autoriteiten om aan Zwolle te schrijven dat ze moesten stoppen met deze onterechte procedures, omdat hij in dienst van het land reisde. De kist werd op 31 december 1598 officieel verbeurd verklaard door de Admiraliteit van Amsterdam, op basis van de regels over in- en uitvoerrechten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0258 Het verslag gaat over een serie verklaringen van bemanningsleden van een oorlogsschip onder leiding van kapitein Jan de Wale. De gebeurtenissen vonden plaats in augustus en september van 1600.
Belangrijke getuigen zijn:
Ze verklaren over een achtervolging van vijandelijke schepen. Het schip van Gillis Pielessen raakte in brand op 17 augustus. Terwijl een deel van de vloot de bemanning redde, vervolgden de overige schepen hun koers richting de vijand. De getuigen bevestigen elkaars verklaringen. Het document werd ingediend op 28 september 1600.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0256 Jan Maarten van Duffelen, 28 jaar oud, was schipper op het schip van kapitein Jan de Wale. Op 26 augustus lagen 8 oorlogsschepen bij Gevelingen. Ze zagen een vloot van 30 schepen uit het noorden komen.
De betrokken schepen waren die van:
Rond 10 uur 's ochtends zagen ze vijandelijke schepen uit het noorden komen. De 8 Nederlandse schepen gingen gezamenlijk zeilen om de vijand te ontmoeten. Ze merkten dat ze door 7 vijandelijke schepen werden achtervolgd.
De achterste Nederlandse schepen schoten waarschuwingsschoten af om andere Nederlandse schepen te waarschuwen voor de vijand. Kapitein Knooper paste zijn zeilen aan en de andere 7 schepen deden hetzelfde. Ze bleven ongeveer anderhalf uur stilliggen terwijl de vijand voorbij voer.
Vanaf het schip van de Wale werden verschillende schoten gelost om de voorste schepen aan te sporen. Ze gebruikten ook signalen met een rode broek en vlaggen. De bemanning was teleurgesteld dat ze niet werden gevolgd. De 4 achterste Hollandse schepen gaven ook signalen door hun zeilen te strijken en weer te hijsen. Ze waren zo ontevreden over het slechte optreden van hun admiraal dat ze dreigden hem als vijand te behandelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0254 De commissie onderzocht een zeegevecht waarbij verschillende kapiteins en hun schepen betrokken waren. Gillis Pieter en zijn bootsvolk waren in zee. Het incident vond plaats in Middelburg op 23 september 1600.
Adriaan Guirens Knooper, kapitein van het oorlogsschip Het Zee Paard, verklaarde dat:
Joost Anthoni Blok, kapitein van het oorlogsschip De Witte Valk, verklaarde dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0252 Op 26 augustus lag men voor de kust van Graevelingen. Cornelis Leyns werd ondervraagd door de admiraliteit van Zeeland. Hij verklaarde onder ede dat ze het anker hadden gelicht om met het getij noordwaarts te varen en te kijken of ze schepen konden ontdekken. Toen ze andere schepen in zicht kregen waarvan ze geschut konden horen, probeerden ze deze tegemoet te zeilen. Door ongunstige wind konden ze de voorste schepen niet bereiken. Ze dachten dat de achterste schepen vijanden waren. Als ze hadden geweten dat de voorste schepen vijanden waren, waren ze dichterbij gekomen. Jandewaal hield zijn zeilen hoog en naderde de schepen. Leyns zegt dat hij hem probeerde te volgen, maar dat Wale's schip sneller was. Er was twijfel of de ontdekte schepen vijanden waren. Ze gaven signalen door hun zeilen te strijken en te hijsen. De schepen die ze zagen gaven geen herkenningssignalen terug, behalve de achterste schepen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0250 In dit verhaal gaat het over een situatie op zee waarbij de vloot van Jan de Wale en kapitein Blok betrokken was. Er ontstond verwarring over of ze met vijandelijke schepen of koopvaardijschepen te maken hadden. Gellis Pieters zijn schip raakte in brand op de 26e van die maand.
Het verloop van de gebeurtenissen was als volgt:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11846 / 0251 Het gaat over de verkoop van verschillende percelen en bomen. Hier volgen de verkochte onderdelen met hun kopers en bedragen:
Bekijk transcriptie NL-0400410000 / 26 / 006016 / 000010 Jakob verklaart in zijn testament dat zijn enige en universele erfgenaam het kind van zijn dienstmeid Maria Sperber is, genaamd Jacoba. Als Jacoba eerder zou overlijden, gaan de bezittingen naar haar wettige nakomelingen. Het gaat om al zijn bezittingen, zowel roerende als onroerende goederen. Hij sluit de Heren van de Wet en Weeskamer van de stad Schiedam uit van zijn nalatenschap en van de voogdij over minderjarige erfgenamen. Maria Sperber, de moeder van Jacoba, wordt aangesteld als voogdes. Zij krijgt uitgebreide bevoegdheden:
Dit testament is opgesteld in aanwezigheid van getuigen Coenraad Obrig en Pieter Beullenburg. Het document is ondertekend door Jakobis Vervoort, Coenraad Obyn, Pieter Brillenburg en notaris Cornelis Knappert in 1748.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1544932 / 63 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/