Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op een dag bevonden zich 9 vreemde schapen tussen de kudde van een slavin. Deze schapen droegen het merk van landbouwer Ian Hendrik Tuijtman. Na een opmerking over mogelijk verloren schapen telde de eigenaar zijn kudde en ontdekte dat hij 10 schapen miste. De slavin Sara antwoordde dat haar schapen misschien bij Tuijtman waren omdat ze druiven had geplukt.

De eigenaar droeg Sara op om de volgende ochtend naar Tuijtman te gaan kijken of zijn schapen daar waren. Sara kwam terug met slechts 4 bokken en meldde dat er geen schapen van hem bij Tuijtman waren. De eigenaar dreigde toen Sara haar nek te breken als ze de schapen niet zou terugbrengen. De volgende ochtend ging Sara opnieuw naar het terrein van Tuijtman om naar de vermiste schapen te zoeken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0464  


De gedaagde kwam bij Sara in de Kraal. Sara vertelde hem over de schapen en hij bekeek ze. Hij zei tegen Sara dat ze dit geheim moest houden en het aan niemand mocht vertellen, ook niet aan anderen die slaaf waren. Na een paar dagen kwam de gedaagde 's ochtends vroeg in de Kraal en vroeg aan Sara of de schapen van Dupreez er nog waren. Sara antwoordde ja. De gedaagde gaf opdracht de schapen te vangen. Niet tevreden met wat zijn slaaf rond 6 oktober met de gevonden en thuisgebrachte schapen had gedaan, durfde hij nog verder te gaan. Terwijl Sara de schapen moest vasthouden, merkte hij ze één voor één met een mes en gaf ze het merkteken van zijn kinderen. Toen Sara zag dat de oren van de schapen bloedden, waarschuwde ze de gedaagde. Hij wilde laten zien hoe slim hij was bij dit soort daden en gaf haar deze instructie: als je dat ziet, neem dan as en zout, meng dat door elkaar en smeer dat op de oren van de schapen. Sara antwoordde dat ze dat niet durfde te doen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0458  


Sara zag bij de dorsvloer een groep schapen binnenkomen. Ze dreef deze mee naar de kraal (omheining voor vee). De volgende ochtend ontdekte ze dat deze schapen eigendom waren van landbouwer Stephanus Sebastiaan Walters. Ze waarschuwde de gedaagde die bij de veekraal stond.

De gedaagde gaf Sara instructies om de schapen terug te geven als ze de schaapherder van Walters zou zien, maar daarbij moest ze oppassen dat de herders van Dupreez en Louw haar niet zouden zien. De schapen van Walters bleven 8 dagen bij de kudde van de gedaagde.

Op een ochtend kwam de gedaagde naar de kraal en vroeg aan Sara of de schapen van Walters er nog waren. Toen zij dit bevestigde, vertelde hij dat ze overmorgen allemaal naar Lammershoek zouden trekken. Hij droeg Sara op om dan de schapen te merken. Sara protesteerde dat ze de schapen niet kon merken met het merk van haar baas. De volgende ochtend kwam de gedaagde zelf naar de kraal en liet Sara de schapen van Walters vangen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0461  


Ongeveer 2 maanden geleden stuurde de eigenaar zijn slavin Regina van Ternaten naar het veld om hout te halen. Toen ze niet terugkwam, ging hij haar zoeken. Hij vond haar slapend en stuurde haar terug naar huis, waarbij hij haar met een zweep op haar benen sloeg. Thuis aangekomen gaf hij zijn slaaf Juli van Bengalen opdracht om haar op haar billen te slaan. Daarna moest Regina meel zeven in de kamer.

Terwijl ze hiermee bezig was, kwam landbouwer Jacob Pienaar op bezoek, die kort daarna weer vertrok. 's Nachts ging Regina in het voorhuis slapen. Toen de eigenaar de volgende ochtend vroeg opstond, was ze verdwenen. Ondanks veel zoeken kon hij haar niet meer vinden. Deze verklaring werd later gegeven aan landdrost Adriaan van Schoor door landbouwer Jan Lategaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0953  


Hij is op vrijdag langs het strand achter de Steenberg aangekomen. Zaterdag ging hij naar de vlakte achter Trijn Ras, en zondag ging hij weer naar de Wijnberg. Hij overnachtte achter de grote klip bij het daar staande huis. Op maandag 4 februari kwam hij bij het ronde bosje om de slavin te spreken en een hemd van haar te eisen. Hij liet haar roepen via een andere slaaf van de Compagnie die in de wijngaard werkte. Die middag kwam zij bij hem en vroeg wat hij wilde. De slavin begreep wat hij wilde en beloofde het hemd 's avonds in het donker te brengen. Toen de slavin later terugkwam, werd hij ontdekt, gearresteerd en aan justitie overgedragen. Dit alles is bewezen door zijn eigen vrijwillige bekentenis en drie verklaringen onder ede.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10992 / 0069  


Catharijn van Madagascar, ongeveer 30 jaar oud, was een slavin van landbouwer François Dutoit in Drakensteijn. Op Nieuwjaarsavond is ze weggelopen samen met haar medeslaaf Augustus. Dit deden ze op aanraden van de gevluchte Pieter Hollebroek, die de schapen in het veld hoedde. Hollebroek had tegen Augustus gezegd dat hij tegen Catharijn moest zeggen dat hij daar was om op haar te wachten. Catharijn en Augustus zijn toen naar hem toegegaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0027  


Christina van de Caab verschool zich achter een bosje omdat ze bang was voor Januari van Bengalen. Hij had al 3 keer geprobeerd seks met haar te hebben. Toen ze dat niet wilde, had hij gedreigd haar in de problemen te brengen. Ze bleef verstopt tot hij 's avonds vertrok. Ze vertelde dat er vreemde schapen tussen haar kudde zaten. Die heeft ze toen naar de kraal van haar eigenaar gebracht. De autoriteiten hebben hierover ook Leander van Mallebaar ondervraagd, een slaaf van landbouwer Jan Louw Pietersz, die op dat moment de schapen hoedde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0684  


Een slavin was bang geweest en had zich verborgen omdat de slaaf Januarij, die eerder was weggelopen, haar 3 keer had benaderd voor seksueel contact. Toen zij dit weigerde, had hij gedreigd haar kwaad te doen. Na lang tevergeefs naar haar te hebben gezocht, vertrok Januarij 's avonds weer en liet zijn schapen achter. De slavin kwam toen tevoorschijn vanachter een bosje en ontdekte vreemde, gemerkte schapen tussen de kudde. Omdat het al laat was, dreef ze alle schapen naar haar werkplek en plaatste ze in de kraal. De volgende dag dreef ze de schapen weer het veld in zonder haar eigenaar te informeren. Later werden deze schapen door Petrus Louw opgeëist als zijn eigendom. Ook werd de schaapherder Leander van Mallebaar, die voor Johannes Louw Pietersz werkte, hierover ondervraagd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0681  


De weggelopen slaaf ging naar de 24 Rivieren. Goliath zei dat hij in twee dagen terug zou komen en ging naar de plaats van Christiaan Lievenberg. Kort daarna zag hij Lievenberg te paard, met Goliath en een slavin die naar de weduwe Burgers gingen. Omdat hij bang was voor zijn strenge meester, vluchtte hij via de Groene Kloof naar het strand. Na enkele dagen rondzwerven werd hij door landbouwer Arij Leckerwijn gevangen en naar Kaap de Goede Hoop gebracht.

Deze bekentenis is afgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 13 augustus 1748 voor de commissarissen Eelders en P. Artoijs, leden van de Raad van Justitie.

Later verscheen de slaaf Alexander van Mallebaar voor de commissarissen. Na het voorlezen van zijn bekentenis voegde hij toe dat hij en zijn metgezel hadden afgesproken de Hottentot te vermoorden toen deze in slaap was gevallen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0565  


De slaven Christina van de Caeb en Leander van Mallebaar waren gevangen genomen vanwege weggeraakte schapen. Ze hadden ontkend er iets van te weten. Een slaaf genaamd Januarij zou volgens Christina de verdwenen schapen bij de kudde van hun eigenaar Petrus Louw hebben gebracht. Januarij is echter 16 dagen geleden overleden, waardoor dit niet meer onderzocht kon worden. Van Schoor vraagt daarom op 12 december 1748 aan het bestuur om:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0682  


Er was een verdeling gemaakt van 3 gelijke delen voor: de Oost-Indische Compagnie, Hr. Eys en de aanbrenger. Op 28 november 1748 werd dit vonnis uitgesproken in het kasteel de Goede Hoop en op 5 december werd het bevestigd. Op 12 december 1748 kwamen bijeen:

De landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor, diende een schriftelijk verslag in over twee slaven:

Deze slaven werden verdacht van het stelen van schapen en het veranderen van merktekens. De landdrost verklaarde dat er niet genoeg bewijs was om een rechtszaak tegen hen te beginnen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0047  


Op 10 december 1748 verscheen de slavin Christina van de Caab voor Rutolf Siegfried Alleman en Alexander Coele. Ze was eigendom van landbouwer Theunis van Aard. Op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, Adriaan van Schoor, moest ze ondervraagd worden over beschuldigingen van schaapsdiefstal.

Christina ontkende alle beschuldigingen. Ze verklaarde dat de schapen op een dinsdag tegen de avond door de paardenwachter Januari van Bengalen, die voor landbouwer Roelof Loudster werkte, tussen de kudde van haar eigenaar waren gedreven.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0683  


Een aantal rechtszaken werd behandeld door verschillende ambtenaren:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0074  


De officier van justitie diende een verzoek in over de slaaf Baatjoe, die vervolgens vrijgelaten werd uit de gevangenis. De regent Adriaan van Schoor diende een verzoek in over de slavin Christina en de slaaf Leander. Willem Jan Thijssen, die kwartiermeester was op het schip Immagonda, werd vrijgelaten uit hechtenis. Er werd een vonnis uitgesproken in de zaak tegen de onafhankelijke gedaagde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0062  


De persoon heeft nagevraagd bij van Aart hoe de zaak precies zat. Van Aart was naar Stellenbosch gekomen en vertelde dat zijn slavin Christina van de Caab, die op zijn schapen paste en zou moeten weten hoe de schapen van Louw bij zijn kudde terecht waren gekomen, naar Kaap was gebracht. Hij wist verder niet hoe de schapen in zijn kraal waren gekomen.

Christina werd later ondervraagd door commissieleden Rudolf Sigfried Alleman en Alexander Coel. Ze ontkende de schapen te hebben gestolen of van een ander merkteken te hebben voorzien. Ze verklaarde dat de schapen op een dinsdag door de paarden van landbouwer Roelof Loubser en zijn paardenhoeder Januari van Bengalen bij de kudde van haar meester waren gedreven. Ze had zich toen uit angst achter een bosje verstopt toen ze Januari met wat schapen zag aankomen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10947 / 0680  


De Prée en zijn collega's kwamen aan bij een kuil met wat water en struiken erop. De tweede verdachte, Fortuijn, vertelde dat er een slavin met twee van haar kinderen in die kuil waren gegooid. Toen ze de drie lichamen uit de kuil haalden, zagen ze dat deze opgezwollen waren door het water. De borst van de vrouw was blauw en haar gezicht was beschadigd. Bij het eerste huis wees de tweede verdachte een graf aan waar de slaaf Cupido, die bij landbouwer Hendrik Debel werkte, begraven lag. In de bergen vonden ze twee zakken met hoorn tussen de klippen, maar deze konden ze niet meenemen. Daarna gingen ze met de tweede verdachte terug naar het huis van landbouwer Jacob Therond, zoals blijkt uit het verslag van landbouwer Jacobus de Pree. De verdachten hebben alles bekend in hun bekentenissen, maar hadden wel elk hun eigen uitvluchten die niet erg belangrijk waren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1028  


Ongeveer 2 jaar geleden werd een slaaf van Hendrik Hoppe, Augustus van de Caab, op de boerderij aan de Groene Berg 's avonds aangevallen toen hij de koeien ging halen. De aanvallers waren twee Khoikhoi slaven: Constabel (van Hoppe) en September (van landbouwer Jan Abraham Meijer). Ze dreigden hem de keel door te snijden als hij zou schreeuwen.

Ze brachten hem naar een huis bij het Rode Zands gebergte. Daar werd hij later samen met twee andere slaven gearresteerd door Europeanen:

Bij aankomst in het huis troffen ze Cathrijn aan, een slavin van landbouwer Jan Oberholster.

Deze zaak werd voorgelegd aan de rechtbank van Kasteel de Goede Hoop, waar Rijk Tulbagh als voorzitter en Pieter Lourensz als officier van justitie optraden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1019  


Op 22 december 1746 werd in het Kasteel de Goede Hoop een document opgesteld en op 24 december 1746 uitgevoerd. Het werd ondertekend door:

De secretaris J.F. Tiemmendorf bevestigde dit document. H. Swellingrebel gaf toestemming voor de uitvoering. Het document werd als echt verklaard door klerk A.J.P. Sihoor.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1380  


Juliana werd veroordeeld door het gerecht van Stellenbosch en Drakenstein. De aanklacht werd ingediend door landdrost Pieter Lourensz. Na haar vrijwillige bekentenis en het bestuderen van andere juridische stukken, hebben de rechters namens de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden het volgende vonnis uitgesproken:

De proceskosten werden door de VOC betaald.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1379  


Het pasgeboren meisje werd uit de slootkant gehaald door de gevangene. Samen met iemand anders heeft ze het dode kind in een zakdoek gewikkeld en in een emmer gelegd. Ze gingen ermee naar huis waar het lichaam op bevel van Brand in een kelder werd gelegd. De volgende dag hebben bestuursleden en een arts het kind onderzocht. Ze concludeerden:

De arts vermoedde dat het kind was gestikt omdat de navelstreng niet was doorgesneden. De vrouw werd gearresteerd en aan justitie overgedragen. Omdat zo'n ernstige daad in een goed bestuurde samenleving niet getolereerd kan worden en als afschrikwekkend voorbeeld moet dienen, heeft de rechter de zaak in behandeling genomen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1378  


De weduwe Brand had al eerder gezien dat de buik van de gevangene opgezwollen was. Ze vermoedde een zwangerschap, maar de gevangene ontkende dit steeds. In de keuken hoorde ze de slavin Eva met iemand praten. Eva zei dat er melk uit de borst van Juliana liep en ze vroeg of ze een kind had. De weduwe Brand vroeg dit ook aan de gevangene, die het ontkende. De weduwe dreigde toen naar de officier te gaan als ze niet zou zeggen waar haar kind was.

Die middag liet de weduwe Brand de slavin Eva nogmaals vragen of de gevangene een kind had gekregen. Ze moest het kind laten zien. De gevangene ging toen met Eva naar een fontein, waar het pasgeboren kind werd gevonden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1377  


Uit een bekentenis van de Hottentot Juliana, ongeveer 18 jaar oud, blijkt het volgende: Als gevangene van het bestuur woonde zij bij de weduwe van oud-raadslid Borchard Brand op diens boerderij aan Joostenberg. In de nacht van 18 op 19 oktober beviel zij alleen in de keuken van een levend kind. Ze deed het kind, met de navelstreng er nog aan, in een van haar rokken en legde het naast zich neer.

Hoewel het kind één keer schreeuwde, hebben de andere dienstmeiden die in de keuken sliepen niets gemerkt. Juliana vertelde het aan niemand omdat ze niet wilde toegeven dat ze bevallen was. Ze had haar zwangerschap altijd ontkend tegenover haar meesteres en de andere mensen. Na de bevalling viel ze in slaap. Toen ze 's ochtends wakker werd, zag ze dat het kind dood was. Ze verstopte het in haar beddengoed op haar gebruikelijke slaapplek.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1375  


De slavin Juliana werd aangesproken door een andere slavin genaamd Eva. Een vrouw kwam uit het voorhuis de keuken in en zei tegen Juliana dat ze een paar dagen eerder had gezien dat haar buik dunner was geworden. Juliana ontkende en zei dat ze geen kind of man had. De vrouw dreigde haar aan te geven bij de landdrost als ze niet meteen het kind zou tonen. De vrouw ging daarna naar het voorhuis om te schrijven. Eva kwam toen naar de keuken en waarschuwde Juliana dat ze het kind moest halen, anders zou ze worden aangegeven bij de landdrost. Juliana gaf hier geen antwoord op. Kort daarna ging de verteller samen met Juliana naar een fontein die ongeveer 500 tot 600 stappen van het woonhuis lag.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1372  


Jannetje van de Caab, een 24-jarige slaaf van de weduwe van oud-raadslid Borchard Brand, deed verslag aan landrechter Pieter Lourensz. Ze vertelde dat enkele maanden eerder het lichaam van een vrouw genaamd Juliana, een kind van een Europese en Khoikhoi ouder, was opgezwollen. Andere slaven vroegen haar herhaaldelijk of ze zwanger was. Juliana werd hier boos om en schold hen uit, terwijl ze zei dat ze last had van vocht. Ongeveer 3 weken geleden was Juliana in de keuken van het woonhuis bij Joostenberg bezig met het maken van deegballetjes voor het personeel. Een medeslavin genaamd Eva vroeg haar toen waarom er melk uit haar borst kwam en waarom haar buik zo dik was geworden. Eva vroeg waar het kind was gebleven en dreigde naar de mevrouw te gaan als Juliana het niet zou vertellen. Jannetje zag toen zelf ook dat er melk uit Juliana's borst liep.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1371  


Een dienstmeisje vertelt dat haar bazin tegen haar zei dat ze Eva moest volgen om te kijken waar ze een kind vandaan zou halen. Het dienstmeisje volgde een Hottentotse vrouw naar een fontein die ongeveer 500 tot 600 stappen van het woonhuis lag. De Hottentotse vrouw haalde daar een pasgeboren dood kind uit de slootkant. Ze brachten het dode kind naar het woonhuis waar het op bevel van de bazin in de kamer op de grond werd gelegd. Kort daarna werd het kind op bevel van de bazin in een kistje gelegd waar het bleef tot de volgende dag toen het werd onderzocht door afgezanten.

Deze verklaring werd afgelegd in Stellenbosch op 8 november 1746 in aanwezigheid van de burgers Pieter Wion en Gerrit Kemp als getuigen. De verklaring werd ondertekend door het dienstmeisje en secretaris A. Schephausen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10945 / 1369  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/