Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De slavin Juliana van de Kaap verscheen voor de Raad van Justitie bij het fort in Kaap de Goede Hoop. Ze bevestigde haar eerdere verklaring, die haar woord voor woord was voorgelezen. In aanwezigheid van de slaaf Fartuijn van Boegies verklaarde ze dat alles wat ze had gezegd de waarheid was. De verklaring werd opnieuw vastgelegd op 6 november 1761.
Dit document werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1031 Magdalena Pretorius verklaarde dat een paar weken geleden haar slavin Juliana van de Kaap haar iets vertelde. Dit werd door Juliana bevestigd in haar verklaring. Magdalena Pretorius zei dat de slavin Philida van de Kaap, die eigendom was van Jacobus Therrond, haar dit had verteld. Philida ging dagelijks naar school bij de schoolmeester die vlakbij woonde. Philida had aan Juliana verteld dat de gevangen slaaf Fortuijn meerdere keren had gezegd dat hij Magdalena Pretorius zou aanvallen op de weg. Hij zou haar verkrachten en daarna vermoorden. Magdalena Pretorius ging later naar de plaats van haar vader om een boodschap te doen, waar ze Philida vroeg of dit waar was. Philida bevestigde dit verhaal. Magdalena waarschuwde vervolgens haar vader, vooral omdat ze zich herinnerde dat Fortuijn samen met een andere slaaf van Therrond, genaamd Valentijn, een keer op de weg was toen zij met haar zus naar school ging.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1020 Een assistente, Philida van de Caab, had eerder een verhaal verteld aan een slavin genaamd Juliana, die werkte voor landbouwer Jan Lodewijk Pretorius. Philida bevestigde haar verklaring aan de autoriteiten in Het Kasteel de Goede Hoop. Bij deze bevestiging waren aanwezig:
Philida verklaarde dat haar eerdere verklaring correct was en dat er niets aan toegevoegd of verwijderd hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1033 De houtplanken werden op 23 juni 1761 op kasteel de Goede Hoop niet volledig weggehaald. Een slaaf van de Compagnie moest bij het houtwerk blijven wachten tot de nachtwacht zou komen. De nachtwacht zou extra opletten. De volgende ochtend waren er toch 4 planken verdwenen. Dit werd gemeld aan de autoriteiten. Het document is ondertekend door getuigen Hendrik Borgwedel en Frederik Wilhelm Alleman en de secretaris.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 0457 De slavin Cartje verscheen voor het gerecht in het Kasteel De Goede Hoop. Haar eerdere verklaring werd voorgelezen in aanwezigheid van getuigen Jochem Hendrik Borgwedel en Pieter Caspar Broedersz. Cartje bevestigde dat haar verklaring volledig waar was en dat er niets aan toegevoegd of verwijderd moest worden. De slaaf Fortuijn van Boegies was hierbij aanwezig als getuige. Y Neethling ondertekende dit als secretaris van het gerecht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1035 Magdalena Retorius, een 15-jarig meisje, gaf een verklaring aan de hoofdofficier van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor, op 3 december 1761. Ze vertelde dat ongeveer een maand eerder haar vaders slavin Juliana van de Kaap haar had verteld over iets wat ze had gehoord van de slavin Philida van de Kaap, die eigendom was van landbouwer Jacobus Theron. Magdalena was kort daarvoor bij Theron's schoolmeester naar school gegaan. Philida had gehoord dat een slavenjongen genaamd Fortuijn van Boegies meerdere keren had gezegd dat hij Magdalena zou opwachten op de weg om haar aan te vallen. Hij had zich in grove taal uitgedrukt over wat hij met haar zou doen en dreigde haar daarna te vermoorden. Magdalena wilde weten of dit waar was en vroeg het aan Philida toen die een boodschap kwam doen bij haar vader. Nadat Philida twee keer bevestigde dat het waar was, heeft Magdalena dit aan haar vader verteld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1027 De slaaf Fortuijn van Boegies en de jonge vrouw Magdalena Pretorius hebben op 6 november 1761 in het Kasteel de Goede Hoop een verklaring afgelegd. De verklaring werd ondertekend door L.S. Faber (beëdigd klerk), R.S. Alleman en Jan Perru.
Op 5 november 1761 verscheen Juliana van de Caab, een slavin van landbouwer Jan Lodewijk Pretorius, voor secretaris Christiaan Ludolph Keithling van de Raad van Justitie. Ze legde een verklaring af op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan Van Schoor. Ze vertelde dat ongeveer drie weken eerder de vrouw van landbouwer Jacobus Theron op bezoek kwam bij haar meesteres, samen met haar slavin Philida van de Caab.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10960 / 1029 Otto Luder Hemmy, die tijdelijk werkte als aanklager, presenteerde een lijst van werknemers van de Oost-Indische Compagnie die dat jaar waren weggelopen. Hij verzocht om een officiële dagvaarding voor verschillende zaken:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0118 Tijdens de rechtszaak op 22 januari 1761 was Pieter Van Reede van Oudshoorn aanwezig als voorzitter in het Kasteel de Goede Hoop. De secretaris Christiaan Ludolph Weethling diende een verzoek in tegen zowel de waarnemend fiscaal Otto Lieder Hemmij als de burger Johannes Struijwig. Er werd besloten dat iemand aan één been aan de galg zou worden opgehangen, waar de vogels bij konden. De ondertekening werd gedaan door de beëdigde klerk Frber.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0017 Na het lezen van het document besloten de rechters dat de slaaf Fortuijn van Boegies voorlopig op Robben Eiland geplaatst moest worden totdat er meer bewijs tegen hem gevonden zou zijn. Ze deden dit omdat:
De landrechter A.V. Schoor diende dit verzoek in op 3 december 1761. Ook werd vermeld dat er een Hottentot genaamd oude Lammert bij betrokken was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0103 Lammert, die zich afzijdig had gehouden tijdens de zaak van Jantje Pikeur op 27 augustus van dat jaar, kwam zelf uit het Caabraardse gebied. Ondanks uitgebreid onderzoek door de landdrost, zowel apart als in aanwezigheid van Jantje Pikeur die speciaal van Robbeneiland was gehaald, bleef Lammert volhouden dat hij niets wist van de vermiste slaaf Dol van Mandhaar. Hij had zich verstopt omdat hem was verteld dat hij van de moord beschuldigd zou worden. Van Schoor verklaarde niets meer te kunnen doen. Onderkoopman Otto eiste dat de verdachte zou worden veroordeeld om:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0104 De tekst gaat over het feit dat dreigen met een misdaad, zonder dat die misdaad daadwerkelijk wordt uitgevoerd, niet met de dood bestraft moet worden. Simon van Leeuwen zegt in zijn rechtboek dat iemand die gewapend op pad gaat om een ander te verwonden, daar tegenwoordig niet voor gestraft wordt, tenzij hij al was begonnen met het uitvoeren van de daad.
De zaak gaat over een persoon genaamd Fortuijn die dreigementen heeft geuit tegen Jan Lodewijk Pretorius en diens huishouden. Hoewel Fortuijn waarschijnlijk schuldig is aan deze dreigende uitspraken, en hij het misschien zou hebben uitgevoerd als hij de kans had gekregen, kan hij niet ter dood veroordeeld worden. Hij moet wel op een andere manier gestraft worden, ook omdat de situatie gevaarlijk zou kunnen zijn voor het huishouden van Pretorius en de slaven die in deze zaak hebben getuigd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0102 De zaak ging over een slaaf genaamd Fortuijn die woonde aan de Kaap. Victor verkocht hem op een openbare veiling. Er was een onderzoek naar Fortuijn omdat hij volgens Magdalena Pretorius in het Portugees had gesproken en gelachen met een andere slaaf genaamd Valentijn in een tuin. Valentijn werd ondervraagd en bevestigde dat hij met Fortuijn had gesproken en gelachen, maar ontkende dat Fortuijn ooit had gezegd dat hij een jong meisje kwaad wilde doen. De onderzoeker vond deze verklaring niet voldoende bewijs.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0101 Philida, Catje en Fortuijn zijn ondervraagd door de rechtbank over een zaak met betrekking tot Magdalena Fretorius en David. Fortuijn bleef alle beschuldigingen ontkennen. Hij zei dat hij alleen tegen David had gezegd dat deze moest oppassen dat zijn beesten de kolen niet zouden beschadigen. Hij ontkende kwade bedoelingen te hebben gehad.
Fortuijn staat bekend als een brutale crimineel van wie men zulke hardnekkige ontkenningen kon verwachten. Zijn eigenaar beschreef hem eerst als een brave en deugdzame slaaf. Later bleek echter dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0100 Fortuijn had een gesprek met de slaaf David van Mallebaar, toen deze zijn vee langs dreef in het gebergte waar Fortuijn houtskool aan het branden was voor de smederij. Fortuijn vroeg aan David waarom 'Nonje' niet meer naar school kwam. David wist dit niet. Fortuijn zei toen dat 'Nonje Leentje' zo trots was. Hij zei ook dat als hij haar wilde hebben, hij haar wel zou krijgen. David wees hem toen op de paal waar het hoofd van slaaf Jephta van de Caab op stond. Jephta was kort geleden geëxecuteerd voor verkrachting. Fortuijn reageerde hier brutaal op en zei dat hij niet aan de galg zou komen. David vertelde dit later aan de slavin Juliana, die het vervolgens doorgaf aan Magdalena Pretorius.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0099 De slaaf Fortuijn had volgens de slavin Philida van de Caab ongeveer 3 maanden geleden, op een middag achter hun woning, gedreigde uitspraken gedaan over Magdalena Pretorius. Hij zei dat hij haar zou opwachten op het pad, haar zou aanranden en daarna haar keel zou doorsnijden. Fortuijn herhaalde deze bedreigingen meerdere keren tegen Philida. Philida vertelde dit later aan Juliana en aan Magdalena Pretorius zelf toen ze ernaar vroegen. Het bleek dat Fortuijn deze dreigementen niet alleen aan Philida had geuit, maar ook meerdere keren aan de slavin Caatje van de Caab. Fortuijn had zich ook ongepast uitgelaten tegen David van Mallebaar, een slaaf van de vader van Magdalena Pretorius.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0098 Het Hof heeft de veroordeelde Jan Hendrik Vrehaan het volgende opgelegd:
Dit vonnis is uitgesproken in het Kasteel de Goede Hoop onder voorzitterschap van Pieter van Reede van Oudshoorn op 3 december 1761. De secretaris was C.L. Heetkling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0095 De onderbaas en dorpsrechter van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor, bracht een verslag met 6 bijlagen aan bij de Raad van Justitie, met aan het hoofd Pieter van Reede van Oudshoorn. Hij meldde dat er bericht was binnengekomen over een slaaf genaamd Fortuijn van Bougies, die eigendom was van boer Jacobus Therrond uit Roode Sand. Deze slaaf zou hebben gezegd dat hij van plan was om de dochter van boer Jan Lodewijk Pretorius, die in dezelfde streek woonde, aan te vallen, te verkrachten en daarna te vermoorden. De dorpsrechter had de slaaf direct gearresteerd omdat hij de mogelijke gevolgen ernstig vond en legde nu de zaak voor aan de Raad met bewijsstukken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0096 Volgens het verhaal van Magdalena Pretorius (document A) kwam een slavin genaamd Juliana van de Caab enkele weken geleden bij haar. Dit wordt bevestigd door Juliana's verklaring (document B). Juliana vertelde dat een slavin Philida van de Caab, eigendom van Jacobus Therrond, haar had verteld over bedreigingen van slaaf Fortuijn. Magdalena ging destijds naar school bij een schoolmeester op Therrond's terrein, dat dicht bij dat van Pretorius lag.
Fortuijn had meerdere keren tegen Philida gezegd dat hij Magdalena Pretorius zou opwachten om haar aan te vallen en te vermoorden. Toen Magdalena later bij Philida kwam voor een boodschap, bevestigde deze het verhaal. Magdalena waarschuwde daarop haar vader. Ze herinnerde zich ook dat Fortuijn een keer met een andere slaaf, Valentijn, in het Portugees had gesproken en gelachen toen zij met haar zus naar school liep en de slaven in de tuin aan het werk waren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0097 De Franse schepen die 's nachts koffiebonen als verboden handel vervoerden, mochten in beslag worden genomen. Otto Luden nam tijdelijk het werk van de officier van justitie waar. Hij vroeg toestemming om de slavenjongen Januarij van Makassar, die hemzelf en een slavin had vermoord, met één been aan de galg te hangen. Dit werd goedgekeurd. Hij vroeg ook of een zaak die hij had aangespannen tegen de burger Louis Carstens over het vasthouden van een slaaf, geschikt kon worden. Daarnaast verzocht hij om de moordenaar Bitjoe van Batavia aan zijn benen op te hangen aan de galg. Hij diende een verzoekschrift in over de pompenmaker Jan Hendrik Krehaan, die was opgepakt voor het opkopen van gestolen planken, maar uit de gevangenis was ontsnapt. De slaaf Ontong van Makassar werd aangeklaagd voor samenzwering en moord met voorbedachten rade. Pieter van Reede van Oudshoorn nam zitting als president na het overlijden van president Sergius Swellengrebel. Er werd verzocht om Pieter Ernst Hoek te horen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0119 Op zaterdag 10 januari 1761 werd in het Kasteel de Goede Hoop een rechtszaak besproken. De slaaf Januarij van Maccasser, eigendom van assistent Gerhardus Hendrik Cruijwagen, had die ochtend in diens tuin in de Tafelvalleij zijn mede-slavin Amaril van Mallebaar op gruwelijke wijze vermoord. Daarna had hij zelfmoord gepleegd. Het lichaam van Januarij was naar de plaats van executie gesleept. De zaak werd voorgelegd door waarnemend fiscaal Otto Luder Stemmij aan de voorzitter en de raadsleden. De secretaris Neethling was hierbij aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0016 Op 17 maart 1761 deed de tijdelijke aanklager Otto Lader Hemmij aangifte bij hoofdrechter Pieter van Reede van Oudthoorn. De zaak ging over een slaaf genaamd Bitjoe uit Batavia, die eigendom was van de voormalige tweede bestuurder van Pattena, Johannes van der Sluijs. Bitjoe had eerst een slavin genaamd Kanninga verwond met een groot mes, waarbij hij haar 3 wonden toebracht. Daarna had hij zichzelf ernstig verwond en zijn eigen keel doorgesneden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10961 / 0029 Het vrijkind Deliana, slechts 4 jaar en 2 maanden oud, werd gehoord over een verkrachting door de slaaf Meij aan de Kaap de Goede Hoop. Op 22 mei 1764 werd ze ondervraagd door Marthini Bergh en Jan Haszingh op verzoek van hoofdaanklager Jan Willem Coppenburg. Vanwege haar jonge leeftijd kon ze geen volledig verslag geven. Deliana vertelde dat Meij haar eerst koekjes had gegeven in het slavenhuis om haar te lokken. Ze ontkende dat ze uit zichzelf op zijn bed was geklommen.
Op 23 mei 1764 werd dit document ondertekend door secretaris C.L. Neethling, met als commissarissen P. Hacker en I. Haszingh. Meij bevestigde dat hij wist dat Deliana geen slavin maar een vrij kind was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10964 / 0476 Johannes Krugel vroeg op onvriendelijke wijze een ducaton (zilveren munt) van Catharina Christina Beck, de vrouw van de aangever, voor een partij boter. De aangever stuurde via een slavin twee ducatons naar Krugel. De slavin kwam terug, mogelijk met één of twee ducatons, samen met een kind van Krugel. Dit kind vertelde namens zijn vader dat als het om geld ging, zijn vader nog een briefje had van 150 rijksdaalders die hij kon opeisen, maar dat niet wilde doen. Het kind gaf ook een door Catharina Christina Beck ondertekend briefje. De aangever, die toen al meer dan een jaar getrouwd was, had nooit van dit briefje gehoord en was er ook nooit door Krugel over aangesproken. Omdat dit hem vreemd voorkwam, nam hij het briefje aan en ging ermee naar zijn schoonvader, oudheemraad Willem van As, om het te laten bekijken. Dit gebeurde zonder bijbedoelingen en het briefje bleef toevallig bij zijn schoonvader. Dit alles gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop in aanwezigheid van klerk Jochem G.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10964 / 0174 Het gaat over het verhoor van de slaaf Anthonij van Bengalen, die ongeveer 50 jaar oud was en eigendom van de weduwe van Jacobus de Wet. Hij woonde op een landgoed aan het Roode Land. Anthonij en de slaaf Andries van Bengalen waren samen rond 8 uur 's avonds in de wijnkelder van hun meesteres geweest. Andries had hem geroepen en de kelder geopend. Er werd gevraagd of dit met een valse sleutel was gebeurd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10959 / 0909 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/