Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


De verdediging stelt dat Eijsleben na de ontvangen slagen niet in staat was om iemand kwaad te doen. Als bewijs hiervan halen ze de verklaring aan van de slaaf Anthonij. Anthonij verklaarde dat Eijsleben een knipmes in zijn hand had toen hij over het erf liep. De verdediging beweert dat dit onmogelijk was omdat Eijsleben op het erf lag zonder te kunnen opstaan. Dit wordt bevestigd door alle verklaringen, waaronder die van de slaaf Anthonij zelf. De verdediging noemt het onterecht dat Eijsleben wordt beschuldigd van kwaadaardigheid omdat hij niet wilde spreken. Ze stellen dat hij niet uit kwaadwillendheid zweeg, maar omdat hij door de mishandeling met de rijststamper geen kracht meer had om te spreken. De slavin Maria van de Kaap is de enige die verklaarde dat Eijsleben niet kon spreken. De tegenpartij verwerpt haar verklaring omdat ze een slaaf is.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0758  


Een straf-incident in een slavenhuis wordt beschreven. De slaaf Maij moest op bevel van iemand 5 of 6 slagen uitdelen. Er was een groep jonge slaven aanwezig. Maij werd gevraagd wie er allemaal sliepen in het slavenhuis en antwoordde dat het allemaal slaven waren die aan de vragensteller toebehoorden. Een jonge slaaf genaamd Februarij lag bij een slavin Olier. Toen Februarij de vragensteller zag, probeerde hij te vluchten. De vragensteller wilde hem bij zijn haar grijpen maar Februarij ontsnapte. Daarop gaf hij andere slaven (behalve Meijen en Pedro) opdracht om Februarij te vangen. De vragensteller vroeg aan slaaf Meij wie hij nog meer had zien liggen, waarop deze antwoordde dat het slavin Olier was. De vragensteller gaf toen zijn rotan stok aan slaaf Meij en beval hem om de slavin te slaan. Toen Meij moe werd van het slaan, ging de vragensteller zelf door met het slaan van de slavin.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0494  


Op 16 november 1740 verscheen voor Petrus Tesse Slotsboo, eerste klerk bij het bestuur in Kaap de Goede Hoop, de soldaat Andrijes Mulder uit Zwolle. Op verzoek van hoofdaanklager Daniel van den Henghel legde hij een verklaring af. Hij vertelde dat hij enkele dagen eerder tussen 8 en 9 uur 's avonds op wacht stond bij het houtmagazijn van de VOC. Bij het laatste sluisje hoorde hij wat lawaai. Toen hij ging kijken zag hij een soldaat genaamd Bosche met een onbekende matroos van de werf. Bosche vertelde dat hij de matroos van de muur had gehaald. De matroos zei tegen de wacht dat hij niets verkeerds deed en dat een andere matroos van de werf, genaamd Jurrien, hem had gestuurd om een zakje thee te halen dat in de magazijnmuur lag. Bosche bracht de matroos vervolgens naar de patrouille.

Deze verklaring werd afgelegd op het rechtskantoor van het kasteel in Kaap de Goede Hoop, met de klerken Adriaan van Schoor en Hendrik Emanuel Blanckenberg als getuigen. Zij ondertekenden het document samen met de soldaat en de eerste klerk.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1027  


Op 9 november 1740 verscheen voor de ambtenaar Petrus Jesse Slotsboo aan de Kaap de Goede Hoop de soldaat Johan Peter Bosche uit Dannenberge. Hij deed een verklaring op verzoek van de fiscaal Daniel van den Henghel. Bosche vertelde dat hij op een avond tussen 8 en 9 uur bij heldere maan vanaf het kasteel naar het Laatste Stuivertje liep. Daar zag hij een man op het hek van het houtmagazijn zitten, tegenover het huis van de burger Isak Martensz. Hij trok de man naar beneden en vroeg wat hij daar deed. De man, een matroos van de werf wiens naam hij niet kende, antwoordde dat hij niets slechts wilde doen maar alleen een pakje thee wilde halen dat zijn collega's daar eerder in de muur hadden verstopt. Terwijl ze hierover spraken kwamen burger Isak Martensz en een schildwacht bij hen staan, die dit verhaal ook hoorden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1025  


De eisende partij legt 2 verklaringen over om zijn bevelschrift te ondersteunen. Het voorval betreft een gebeurtenis op donderdag 3 november, tussen 8 en 9 uur 's avonds. Een getuige zag toen bij maanlicht een man op het hek van het houtmagazijn staan, tegenover het huis van burger Isaac Martens. De getuige trok hem bij zijn benen omlaag en vroeg wat hij daar deed. De man, een matroos van de werf (naam onbekend), antwoordde dat hij niets kwaads van plan was maar alleen een bundeltje thee wilde halen die hij de dag ervoor in de muur had verstopt. Tijdens dit gesprek kwam Isaac Martens naar buiten en kwam ook de schildwacht tevoorschijn van achter het houtmagazijn. Zij hoorden beiden wat de matroos zei. De getuige heeft de matroos vervolgens samen met de schildwacht naar de patrouillewacht gebracht en daar vastgezet. De verklaring van de schildwacht komt volledig overeen met dit verhaal.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1023  


Op verzoek van de controleur Daniel van Den Henghel onderzochten de hoofdartsen van het ziekenhuis van de VOC, in bijzijn van rechters Philip Rudolf de Savoij en Jacobus de Hennion, het lichaam van een overleden slavin. Het betrof Diana van Bengalen, die eigendom was van burger Michel Daniel Korich.

Bij het onderzoek vonden ze:

De verwondingen waren niet dodelijk. De artsen konden niet vaststellen of de dood werd veroorzaakt door de verwondingen, door het drinken van koud water met een verhit lichaam, of door kou aangezien het lichaam naakt werd aangetroffen.

Dit rapport is ondertekend door J. van Schoot en B.D. Sjean in Kaap de Goede Hoop op 10 oktober 1740.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1019  


Een slavin genaamd Diana was weggelopen. Het is onbekend of ze naar de kamer van Fabritius was gegaan. Diana vluchtte na een klein kwartier naar de kamer van Fabritius en vroeg om hulp door te roepen "baas help, baas help". Fabritius stond toen op uit zijn bed en kwam naar de keuken waar Diana zich bevond samen met haar baas en de jonge slaaf Januari. Fabritius gaf Januari opdracht om de slavin voor de derde keer te slaan. De soldaat Fabritius verhinderde dit echter door de zweep uit Januari's handen te rukken en deze in de grote kamer te gooien. Hij zei tegen hem dat hij zich moest schamen en vroeg wat de buren wel niet zouden denken van dit gedrag in huis. De jonge slaaf had dit gedaan op zijn bevel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 1011  


Uit het onderzoek van de hoofdartsen van het kasteel bleek dat het slachtoffer de volgende verwondingen had:

De wonden waren niet dodelijk. De artsen konden niet vaststellen of de dood werd veroorzaakt door de verwondingen of door het drinken van koud water met een verhit lichaam. Het slachtoffer lag urenlang naakt op de grond in de kombuis tot 's morgens 6 uur. Daarna ging ze naar de zolder waar ze rond 9 uur dood werd gevonden door de broer van de vrouw van de verdachte. Het is niet zeker of ze zout water heeft gedronken, omdat de getuige Januari dit niet heeft vermeld in zijn verklaring. De rechter moet nu bepalen welke straf de verdachte verdient voor deze mishandeling van zijn slavin. Als de slavin direct was overleden tijdens de mishandeling, zou het als doodslag worden beschouwd. Ook al was ze zijn eigendom, de verantwoordelijkheid voor haar dood is even groot als bij het doden van een Europeaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0989  


Hij verklaart dat hij boos op haar was geweest omdat ze het volgende had gestolen:

Dit gebeurde op de donderdag voordat ze stierf. Hij ontkent dat hij de dienstmeid opnieuw heeft vastgebonden of geslagen nadat getuige Fabritius het huis had verlaten, hoewel een tweede getuige dit vanuit de deuropening gezien zegt te hebben. Hij verklaart dat hij haar vooral heeft geslagen vanwege de diefstal, maar ook omdat ze hem zou hebben geprovoceerd.

Hij verliet het huis toen zijn zwager hem vertelde dat de dienstmeid was overleden. Hij deed dit omdat hij zeer bedroefd was om drie redenen:

Hij vraagt of zijn vergrijp tegen deze dienstmeid met genade bekeken kan worden, omdat hij het niet met opzet heeft gedaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0988  


De gedaagde werd kwaad en gooide dingen door de kamer. Hij zei dat het zijn slavin was en dat de diefachtige hoer het verdiend had. De getuige ging naar het huis van burger Jochem Jurriens, rond middernacht

Daarna maakte de gedaagde Diana los en schopte haar nog twee keer met zijn muil terwijl ze op de grond lag. Hij noemde haar een schrobster, waarop zij zei dat ze al half dood was. De gedaagde antwoordde dat hij de verantwoordelijkheid zou nemen. Hierna ging iedereen slapen. Om 6 uur 's ochtends riep de gedaagde de tweede getuige naar zijn kamer.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0986  


De getuige verklaart dat er een zeeman genaamd Lourens Staf op bezoek was. Na diens vertrek nodigde de verdachte de getuige uit voor een glas wijn. Ze gingen samen naar binnen en dronken wijn. De getuige bleef tot na de klok van 10 uur, soms in de kamer, soms rondlopend in het huis. De verdachte schold en vloekte voortdurend op zijn vrouw. De getuige stelde voor dat de verdachte zou gaan slapen omdat het al na 10 uur was. De verdachte ging weg en de getuige ging in de grote kamer rechts liggen rusten. Na korte tijd kwam een dienstmeid van de verdachte bij hem binnen vallen, roepend om hulp. Daarna kwam een slaaf genaamd Januarij die de meid weer meenam. De meid kwam nog een tweede keer binnen roepen om hulp. De getuige stond toen op en ging naar de keuken waar hij de verdachte met Januarij zag staan. Toen Januarij de meid wilde slaan, pakte de getuige de zweep uit zijn handen en ging naar de grote kamer.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0985  


Op zaterdag 8 oktober om 7 uur 's ochtends zag de eerste getuige de vrouw van Michiel Daniel Lourich in de keuken zitten. Bij navraag vertelde ze dat haar man de kamerdeur had afgesloten. Terwijl de getuige zich in zijn slaapkamer aankleedde, kwam Lourich uit zijn kamer. In de hal vroeg zijn vrouw of ze naar buiten mocht. Hij verbood dit, maar toen ze toch opstond en zei dat ze wegging, schopte hij haar tegen haar achterwerk en schold haar uit. Ze verliet toen met haar kind het huis. De getuige vertrok ook en kwam rond 6 uur 's avonds terug. Hij trof toen bootsman Lourens Staf aan in de kamer bij Lourich. Staf probeerde de vloekende Lourich tot bedaren te brengen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0984  


De hooggeplaatste ambtenaar (de fiscaal) Daniel van den Henghel diende een aanklacht in bij de president Reijk Tulbagh en de rechtbank van het bestuur.

De aanklacht was tegen burger Michiel Daniel Lourich voor het mishandelen van zijn slavin genaamd Diana.

Bij de aanklacht werden de volgende bewijsstukken ingediend:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0983  


Op 2 juni 1740 werd uitgelegd dat een doodslag die gepleegd werd in een woede-uitbarsting, niet gestraft moest worden met de gewone doodstraf. Dit gold alleen voor woede die ontstond nadat iemand beledigd werd door een ander. In zo'n geval zou de woede een reden zijn om niet de normale straf te geven. De beschuldigden, J Loose en Maria Lubbe, vonden dat hiermee de ongegronde eis van de aanklager voldoende was weerlegd. Ze bleven bij hun eerder gegeven antwoord en conclusie.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0771  


De landrechter Pieter Lourensz heeft aanklachten ingediend bij de president Reijk Tulbagh en de rechtbank van het kasteel in Kaap de Goede Hoop tegen verschillende lijfeigenen en slaven:

Deze personen zijn gevangen genomen en aangeklaagd in een strafzaak.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0775  


In een rechtszaak op het Kasteel de Goede Hoop werd een document ingediend door burger Jan Loose en zijn vrouw Maria Lubbe als gedaagden. Dit was gericht aan de president Rijk Tulbagh en de Raad van Justitie. De zaak was tegen landdrost Pieter Lourensz, die als aanklager optrad. Het document was een antwoord op een aanklacht van 24 maart van dat jaar. De gedaagden verdedigden zich tegen de beschuldiging dat ze een onwaar verhaal hadden geschreven over wat er was gebeurd met burger Christoffel Eijsleben. Ze hielden vol dat hun verslag de waarheid was over wat er echt was gebeurd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0763  


Het gaat over een gerechtelijke zaak waarin Pieter Lourensz als officier van justitie optreedt tegen de burger Jan Loose en zijn vrouw Maria Lubbe Os. De zaak werd voorgelegd aan Rijk Tulbagh, president van de Raad van Justitie in kasteel de Goede Hoop.

De zaak draait om de dood van Christoffel Eijsleben, die op zaterdag 7 maart van het vorige jaar 's nachts bij het echtpaar was gekomen. Hij bleef daar tot maandagochtend, waarna hij vertrok onder het uiten van beledigingen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0751  


Op 17 februari 1740 legde Pieter Hansz een verklaring af voor Daniel Godfried Carnspek, secretaris van de Raad van Justitie in het Kasteel de Goede Hoop. Hij deed dit op verzoek van boer Jan Loose. Hansz verklaarde het volgende:

In 1739 kwam Christoffel Eijsleben naar de plek waar Hansz als knecht werkte voor Jacobus Blanckenberg. Na wat gepraat te hebben vroeg Eijsleben of hij 20 rijksdaalders kon lenen omdat hij dat geld dringend nodig had. Hansz zei dat Eijsleben het geld moest vragen aan zijn baas P. Lafebre, waar hij toen als knecht werkte. Eijsleben antwoordde dat hij zijn baas niet om een gunst wilde vragen. Toen Hansz zei dat hijzelf het geld niet had, suggereerde hij dat Eijsleben naar Jan Loose zou gaan voor hulp. Eijsleben reageerde hierop grof en zei dat zodra hij een vrij man zou zijn, hij Jan Loose zou wegsturen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0743  


Op 19 februari 1740 legde de oud-raadslid Paul Gijsbert Lafebre een verklaring af voor secretaris Daniel Godfried Carnspek van de Raad van Justitie. Dit deed hij op verzoek van landbouwer Jan Loose.

Lafebre verklaarde dat in 1738 een zekere Christoffel Eijsleben als knecht bij hem werkte op zijn leenboerderij over de berg aan de Hooge Craal. Eijsleben had sinds 1736 bij hem gewerkt en bleek hem op verschillende manieren te hebben:

Eijsleben had onder andere een paard en geweer, die van Lafebre waren, verkocht aan landbouwer Ernst Redeker. Hij deed alsof deze spullen van hemzelf waren en verkocht ze voor:

Eijsleben probeerde dit geld (60 rijksdaalders) achter te houden. Een slaaf lichtte Lafebre hierover in. Lafebre sprak Eijsleben hierop aan en dwong hem op 11 september 1738 een briefje af dat Eijsleben van Redeker had gekregen als bewijs van de schuld voor het paard en geweer.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0739  


Den slaaf Christoffel Eijsleben werkte als knecht bij de oud-burgerraad Gijsbert La Febre in Kaapstad. Volgens La Febre had Eijsleben: Toen La Febre hiervan hoorde via een van zijn slaven, dwong hij Eijsleben om een brief van 11 september 1738 te overhandigen. Deze brief, die Eijsleben van Redeeker had gekregen als bewijs van de schuld voor het paard en geweer, was bedoeld om later geld te innen bij Hercules du Preez. Er ontstond een ruzie waarbij Eijsleben wegreed en scheldwoorden riep. Een slavin hoorde hem zeggen dat hij niet zou rusten voordat La Febre dood was, maar haar getuigenis werd niet geaccepteerd omdat ze een "heidense" was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0725  


De tekst is een liefdesbrief waarin een geheime minnaar een getrouwde vrouw een bericht stuurt. Hij vraagt haar hem te laten weten wanneer haar echtgenoot van huis is. Dan wil hij langskomen. Hij kan niet langer wachten. Hij wil niet dat zij verdacht wordt door haar man, dus stuurt hij een flesje met kamfer-brandewijn. Als dekmantel schrijft hij in een andere brief dat hij in zijn been heeft gesneden.

De minnaar vraagt via een bediende om een nacht bij haar te kunnen slapen. Als haar man weg is hoeft ze niets te sturen, dan kan ze de bediende gewoon naar huis sturen.

Een ander briefje bevat de tekst: "Jan Los durf je nog met je hoer" (tweemaal herhaald). Het is ondertekend door een geheimschrijver.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0719  


Op 11 november 1739 verscheen voor Daniel Godfried Carnspek, secretaris van de rechtbank in het gebied, de burger Casper van Nos. Hij legde een verklaring af op verzoek van landdrost Pieter Lourensz.

Van Nos vertelde dat hij enige tijd geleden op de boerderij van Jan Loose was geweest, gelegen over de bergen aan de Palmietsrivier. Daar trof hij de boeren Marthinus Van Staeden en Cornelis Van Tonderen aan, samen met Hesselbaart, een knecht van raadslid Gijsbert La febre.

Hij zag daar Christoffel Eysleben bloedend aan zijn hoofd en benen op de grond liggen. Eysleben gaf geen geluid. Loose vertelde dat zijn vrouw Eysleben had geslagen omdat deze geweld had gebruikt in hun huis tegen haar. In de namiddag reed Van Nos naar huis terwijl Eysleben nog steeds op de grond lag. Hij is niet dichtbij Eysleben geweest en heeft niet met hem gesproken.

Van Nos verklaarde dat hij bereid was deze verklaring onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0715  


Op 11 november 1739 verscheen voor secretaris Daniel Godfried Carnspek de soldaat Johan Theodorus Hesselbaart, die tijdelijk werkte voor raadslid Gijsbert Lafebre. Op verzoek van landdrost Pieter Lourensz verklaarde hij het volgende: Begin maart, vermoedelijk 10 maart, kreeg hij via een klein Hottentots meisje een briefje van burger Jan Loose met het verzoek naar diens boerderij te komen. Bij aankomst vond hij Christoffel Eijsleben op het erf liggen, wiens hele lichaam onder het bloed zat. Binnen trof hij de burgers Martinus van Staeden en Cornelis van Tonderen aan, die net waren aangekomen. Jan Loose vertelde hem dat hij Christoffel Eijsleben de toegang tot zijn huis had ontzegd vanwege bepaalde geruchten. Toen Eijsleben toch kwam, had de vrouw van Loose een bezemsteel gepakt en hem daarmee geslagen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0707  


Er wordt een lijst van verkopingen opgesomd door verschillende landbouwers uit Eijsden:

Daarna volgt een lange lijst van kleine verkopen, voornamelijk in Oost, met bedragen tussen 1 en 4 gulden aan verschillende personen waaronder:

De verkoping eindigt met enkele grotere transacties:

Het totaalbedrag van alle verkopen komt uit op 601 gulden.

Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9161 / 0337  


ERROR: De gegeven invoertekst lijkt onvolledig of onleesbaar te zijn. Het bevat alleen een onduidelijke zin "a Brief gescleren don de edede Jan Loose 9". Om een goede samenvatting te maken in hedendaags Nederlands, is een complete en leesbare historische Nederlandse tekst nodig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11015 / 0706  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/