Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Van Vlamingh van Oudshoorn heeft dit akkoord ondertekend in Batavia op 15 november 1641.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 1001 Voor secretaris van justitie in Batavia Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn verschenen twee burgers, Abram Barber en Abram Gijsbertsen. Ze legden een verklaring af op verzoek van Geertie Douwens, de vrouw van Bauke Douwensz. Abram Barber verklaarde dat op donderdag 1 december rond 9 à 10 uur 's ochtends een matroos genaamd Heijn Fockes bij het huis van Feber Sabrielsen buiten de stadspoort zat te drinken. In opdracht van gewapende bewaker Jan vanden Bos werd hij door een zwarte bewaker naar de gevangenis gebracht. Twee uur later ging Barber naar het huis van Bauke Douwensz om te vertellen dat zijn landgenoot Heijn Fockes was opgepakt. Hij trof daar aan tafel:
Ze vertelden hem dat Fockes niet in de gevangenis zat maar boven lag te slapen. Barber ging naar boven en maakte met moeite de dronken Fockes wakker om een rijksdaalder te vragen die hij hem had geleend. Abram Gijsbertsz verklaarde dat hij vanuit zijn werkplaats zag hoe een zwarte bewaker een uur lang zat te wachten tot hij Fockes - die zich aan de vensters vasthield - met geweld naar de gevangenis sleepte. Deze verklaring werd opgemaakt in Batavia op 18 december 1640 in aanwezigheid van getuigen Coenr Steenhovius en Abraham Gerritsen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0999 De volgende personen verschenen voor de hoge raad van justitie in kasteel Batavia: Willem Jansen en Trientge Claes. Ze hebben hun eerdere verklaring opnieuw gehoord en blijven bij hun woorden. Ze bevestigden dit onder eed op 1 juni 1641.
Dit document werd ondertekend in aanwezigheid van Niclaes Overschie en Pieter Antonisz Overtwater. Arnold de Vlamingh van Oudshoorn was aanwezig als secretaris.
Deze kopie werd vergeleken met het origineel en correct bevonden in Batavia op 15 november 1641, bevestigd door Henningh van Oudshoorn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 1149 Voor secretaris Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn in Batavia verschenen de volgende mensen op 31 mei 1641:
Ze legden een verklaring af voor hoofdaanklager Gerrit Demmer. Ongeveer een maand eerder kwam Sijdrach Lijbertsen van der Nath, een burger van de stad, bij hen thuis. Daar kwam ook Jan Pietersen van Hoesem binnen. Deze vroeg aan Van der Nath waarom hij zijn vrouw had uitgescholden. Van der Nath vroeg waarom Hoesem overal rondvertelde dat hij de vader zou zijn van het kind waar Trintge zwanger van was. Hoesem noemde Van der Nath een arrogante man die zich met alle vrouwen afgaf, en noemde hem en zijn vrouw beledigende namen. Na wat over en weer gescheld gaf Hoesem Van der Nath een klap. Ze raakten buiten in gevecht. De aangevers weten niet wat er daarna gebeurde.
De getuigen Jan Jacobsz en Adriaen Spoors waren aanwezig bij deze verklaring.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 1147 Arnold de Vlamingh van Oudts Hoorn, secretaris van de Raad van Justitie in het kasteel van Batavia, verklaart dat Adriaen Abrahamszen vander Geer, een timmerman die woont aan de westkant van de stad op de Burgwal, het volgende heeft getuigd op verzoek van aanklager Gerrit Demmer:
Deze verklaring is afgelegd in Batavia op 13 februari 1641 in aanwezigheid van Claes vander Meer en Arijaen Spoors. Het document is later gecontroleerd op 15 november 1641.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0923 Op 17 september 1641 behandelde de rechtbank een zaak tussen Adriaen Spoort en Bouken Douwens. De zaak ging over een slaaf die door Nicolaes Lansknecht, een vaandrig, was meegegeven aan de gedaagde. Ook was er een ring in kwestie die samen met een brief was verzonden.
De zaak had te maken met een eerdere overeenkomst waarbij Daniel de Bucquoij en Jaques Pars gezamenlijk borg stonden. De gedaagde ontkent een slaaf te hebben gehad en verklaart alleen de bewuste ring te hebben ontvangen.
De rechtbank besliste uiteindelijk dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9225 / 0609 De zaak speelt in het kasteel van Batavia tussen Dirck Steur, Barbera Coopers (weduwe van commandeur Jacob Cooper) en Gerrit Demmer (openbaar aanklager) aan de ene kant, en Henrickje Barents (binnenmoeder van het vrouwentuchthuis en vrouw van Pieter Holijt) aan de andere kant. Henrickje had op school kinderen beledigd door hun moeders hoeren te noemen. De aanklagers eisten dat zij:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9225 / 0607 Op 26 april 1687 deden 3 getuigen een verklaring voor Gedeon Bouwers, secretaris van de Raad van Justitie in Batavia:
Ze verklaarden op verzoek van Roelandina de Moll dat op 24 april rond 11 uur 's nachts het volgende gebeurde:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9338 / 0401 Femmeken Harmansz, de vrouw van Rut Andriesz (die werkt als militair politieman voor de VOC op het eiland Neira in Banda), heeft voor de Raad van Justitie in het kasteel van Batavia een bekentenis afgelegd. Op verzoek van openbaar aanklager Gerrit Demmer verklaarde ze, na dreiging met zweepslagen, dat ze:
Deze verklaring is afgelegd voor commissieleden Nicolaes Overschie en Laurens Pitius, en later herhaald voor Willem van der Beeck en Jan Dircxsz Gale op 9 augustus 1641. Secretaris Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn heeft dit vastgelegd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0243 Er is een misdaad begaan die volgens de regels bestraft moet worden. Volgens een wettelijke verordening van 20 juli 1622 is bepaald dat mensen die ongehuwd samenwonen of een bijzit hebben, gestraft moeten worden met:
De beschuldigde vrouw heeft 5 tot 6 maanden samengewoond met de Bloockmaecker zonder huwelijk. Ze toonde geen berouw en stopte pas toen Bloockmaecker haar verliet vanwege dreigende straffen. De aanklager Gerrit Demmer eist dat ze:
Dit document is op 15 november 1641 in Batavia gekopieerd en ondertekend door D. Vlamingh van Oudtshoorn, secretaris.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0637 Een onbekende vrouw had een ongeoorloofde relatie met een man genaamd Bloockmaecker. Ze leefden eerst samen in de Prinsestraat bij het Rode Kruis. Later verhuisden ze naar een rustiger deel van de stad omdat ze bang waren dat hun relatie bekend zou worden. Bloockmaecker gebruikte als excuus dat hij een grotere werkplaats nodig had voor zijn draaibank en personeel, maar dit was niet waar. Ze woonden meer dan 4 maanden samen tot de vrouw zwanger raakte. Toen nam Bloockmaecker afstand van haar. De vrouw probeerde zich te verdedigen door te zeggen dat hun relatie gebaseerd was op trouwbeloften. Als bewijs hiervan had Bloockmaecker een Engelse shilling doormidden gehakt waarvan zij de ene helft kreeg en hij de andere helft hield. Dit verweer werd niet geaccepteerd omdat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0635 Hendrickien Smallevelts, weduwe van Willem Thomasz, had een ongeoorloofde relatie. Terwijl haar echtgenoot Willem Thomasz nog in dienst was van de VOC en op 24 september 1639 onder leiding van directeur-generaal Philips Lucasz naar Ceylon vertrok, had zij contact met Elias de Clerck. Hij werkte als blokmaker in het kasteel.
Op 26 januari gaf De Clerck toe dat hij een relatie had met Smallevelts. Hij wilde alleen niet bekennen hoe lang deze al duurde. Smallevelts hoorde pas een jaar voor 21 januari dat haar man was overleden. In plaats van zich te gedragen als een fatsoenlijke weduwe, ging ze samenwonen met De Clerck. Ze nam hem in huis en leefde met hem als man en vrouw. Op 27 januari beviel ze van zijn zoon, terwijl De Clerck al een wettige echtgenote had die in Amsterdam woonde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0633 Op 26 april 1659 behandelde de rechtbank van het kasteel in Batavia een echtscheidingszaak. Isaack Jansz uit Middelburg, steenhouwer in dienst van de VOC, wilde scheiden van zijn vrouw Annica Ventura uit Batavia wegens overspel. De officier van justitie Harmen Klencke van Odessen steunde zijn zaak.
Op 22 april 1659 besloot de rechtbank:
Dit vonnis werd uitgesproken op 26 april 1659 en ondertekend door secretaris Vincent van Moock.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9289 / 0258 Marten Moort uit Sleeswijk, hoefsmid in dienst van de Oost-Indische Compagnie in de paardenstal, werd veroordeeld door de Raad van Justitie van het kasteel in Batavia. Hij had een relatie met Helena van Ternaten, de vrouw van sergeant Hans Stemmer die gestationeerd was op het punt Diest. Deze relatie duurde 2 jaar en vond plaats zowel tijdens aanwezigheid als afwezigheid van haar man, die op dienstreis was naar Malakka.
De rechtbank veroordeelde hem op 11 juni 1641 tot:
Het vonnis werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9332 / 0659 De rechtszaak betreft Lijsbeth Salom uit Amboina, echtgenote van schipper Steven Pieter. Terwijl haar man op het schip "Spaens Galioen" van de Oost-Indische Compagnie werkte, verbleef zij in het huis van burger Anthonij vander Sluijs. Ondanks haar huwelijksbelofte heeft ze overspel gepleegd. De Raad van Justitie van het kasteel Batavia heeft op 13 juni 1641 vonnis gewezen.
De straf bestond uit:
Het vonnis werd uitgevoerd op 18 juni 1641. Het document is ondertekend door Maetsuijcker, Niclaes Overschie, Willem vander Beecq, Jan Dircxsz Galen, Jan Jansz de Quesnoi, Pr. Anthonisz Overt en Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9332 / 0661 Tijdens een gerechtelijke zaak werd een lijst met bezittingen en goederen van beide partijen gemaakt. Ze zijn gewaardeerd en goedgekeurd door commissarissen van de raad. De eiser wilde een beslissing over de eerder aangevraagde verdeling van de goederen. De gevangene, Anna, vertegenwoordigd door advocaat Denis, vroeg dat de eiser onder ede zou verklaren dat de gemaakte lijst compleet en eerlijk was. Als hij later nog iets zou vinden, moest hij dat toevoegen. Na overleg besloot de rechtbank dat de goederen van de gemeenschappelijke boedel niet naar de eiser moesten gaan, maar naar het kind dat Anna had met haar eerste overleden man.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9290 / 0089 De rechtbank heeft besloten dat het huwelijk tussen de eiser en de gevangene Anna Swartius wordt ontbonden. De eiser krijgt toestemming om later opnieuw te trouwen. De gevangenen Joost Taelman en Anna Swartius hebben hun fouten vrijwillig bekend en om vergiffenis gevraagd. Anna Swartius heeft ook bekend dat haar echtgenoot 3 keer meer bezittingen had ingebracht in het huwelijk dan zij. De rechtbank besluit:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9290 / 0088 De rechtszaak gaat over een geschil tussen Juriaen Scholten, een cornet van de burgerwacht in Batavia, en zijn vrouw Anna Swartius, die geboren is in Batavia. Ook betrokken is Joost Taelman uit Meenen in Vlaanderen, een soldaat van de Oost-Indische Compagnie. De aanklager wordt bijgestaan door advocaat Alexander Holst. De zaak draait om overspel. Anna Swartius en Joost Taelman zouden onder het voorwendsel van klavecimbelles overspel hebben gepleegd op verschillende locaties. Op 20 november 1661, toen Anna dacht dat haar man in het bos was, ging ze om half zes 's ochtends naar een tuin in Angiol. Daar werd ze met Taelman betrapt door haar echtgenoot en twee getuigen, terwijl ze samen op een bed lagen. Scholten vraagt de rechtbank om:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9290 / 0086 Op 20 juli 1682 werd besloten dat iedereen die overspel pleegt zonder uitzondering ter dood gebracht moet worden. Hoewel deze straf vaak door de rechter werd verminderd, stelt de aanklager dat dit in dit geval niet zou moeten gebeuren om twee redenen:
De aanklager Gerrit Demmer eist dat de twee gevangenen naar de plaats van rechtspraak worden gebracht, aan een paal worden vastgebonden en worden gewurgd tot de dood erop volgt. Ook moeten al hun bezittingen in beslag worden genomen.
Dit document is opgesteld in Catt.a op 29 augustus 1639.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9340 / 0841 Het gaat over 2 vrouwen die zijn gearresteerd in Batavia:
Op maandag 4 van die maand hadden ze geprobeerd te vluchten met een boot. Ze hadden ook geprobeerd twee andere Bandanese vrouwen, Catarina en Annica, over te halen om mee te vluchten. Ze gaven hen zelfs kleding als ze mee zouden gaan. Maar deze vrouwen weigerden en meldden het vluchtplan bij de autoriteiten.
De fiscaal (aanklager) Gerrit Demmer klaagde hen aan voor overspel en samenzwering tot vlucht. Hij verwees naar zowel religieuze (bijbelse) als wereldlijke wetten die overspel verbieden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9340 / 0839 Op 8 november 1681 werd een rechtszaak behandeld tegen Koert Krul, een kanonnier, en zijn vrouw Susanna. Ze werden veroordeeld tot:
In Batavia diende ook een zaak tussen advocaat-fiscaal Gualter Zeeman en Johannes de Hartoch, de voormalige fiscaal in Banda, tegen Marten Roos, een opperkoopman en voormalig tweede persoon in Banda. De aanklachten tegen Roos waren:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9292 / 0048 Femmeken Harmansz moest bekennen dat ze samen met Pieter Jansz drie keer een seksuele relatie had gehad. Ze beweerde dat ze buiten haar man nooit met iemand anders intiem was geweest. Dit bekende ze op 13 juli 1641 in Batavia in aanwezigheid van getuigen Coenraedt Steenhovnis en Adriaen Spoors. De bekentenis werd ondertekend door secretaris Arnold da Vlamingh van Oudthoorn. Op 23 juli 1641 moest Femmeken Harmansz haar verklaring nogmaals bevestigen voor de Raad van Justitie van het kasteel in Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0252 Voor de rechtbank in het kasteel in Batavia verscheen een gevangene genaamd Femmeken Harmansz. De rechtszaak werd geleid door commissarissen Ewout Spieringh en Dirck Snoucq. Femmeken werd haar bekentenis voorgelezen en zij bevestigde dat alles wat ze eerder had verklaard waar was. Ze wilde niets toevoegen of weghalen van haar verklaring. Dit gebeurde op 30 juli 1641 in het bijzijn van commissarissen Nicolaes Overschie en Jan Dircxsz Galen. De secretaris Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn zorgde voor een exacte kopie van de verklaring.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0253 Femmeker Harmansz van Noorthoorn uit het graafschap Benthem deed een verklaring voor Arnold de Vlamingh van Oudtshoorn, secretaris van de Raad van Justitie in Batavia. Femmeker was de echtgenote van Rut Andriessen van den Bosch, die werkte als bewaker voor de VOC op het eiland Banda. Hij was in december 1634 met het schip Leeuwarden vanuit Enkhuizen daar naartoe vertrokken.
Op verzoek van fiscaal Gerrit Demmer verklaarde ze vrijwillig het volgende: Ze was op 5 juni met het schip Nieuw Amsterdam naar haar man toe gereisd. Tijdens die reis had ze Pieter Jansz van Ditmarsz, die als assistent-proviandmeester op hetzelfde schip werkte, leren kennen door spel en grappen. Ze was met hem in de Jonkerstraat in een huisje gaan wonen. Ongeveer 6 tot 8 dagen geleden was hij rond 7 uur bij haar thuis gekomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9343 / 0251 In Batavia speelde een rechtszaak tussen Minke van Batavia, de vrouw van soldaat Michiel Pietersz, en de hoofdaanklager Louis Philibert Vernattij. Ze werd beschuldigd van:
De aanklager eiste:
De verdachte bekende de aanklachten en vroeg om genade. De rechtbank besloot het huwelijk te ontbinden.
Er was ook een andere zaak gaande betreffende militaire officieren die terugkeerden uit Tayouan na de overgave van kasteel Zeelandia. Ze moesten hun bewijzen nog voorleggen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9290 / 0241 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/