.,
&
MINISTERIE VAN BINNENLANDSCHE ZAKEN
Nr. 64:24, Afd. A.
Betreffende: Hulpverleening aan in vrijheid gestelde politieke delin-
quenten.
i hij].
’s Gravenhage 4 Juli 1946.
De Stichting Toezieht Politieke Delinquenten vestigt mijn
aandaeht op de moeilijkheden, welke worden ondervonden bij
de hulpverleening aan in vrijheid gestelde gedetineerden. Bij
hun aankomst in de gemeente waar zij zich vestigen, hetgeen
in den regel hun vroegere woonplaats zal zijn, dan wel eene
gemeente waarmede zij door een of andere band zijn verbonden,
zijn zij dikwijls genoodzaakt zich om hulpverleening in den
vorm van ondersteuning en/of huisvesting te wenden tot het
orgaan in die gemeente met de burgerlijke armenzorg belast
Uit; het bepaalde in art. 30 der Armenwet vloeit voort‚ dat
de. gemeente, waar de hulpbehoevende zich bevindt. gehouden
is de noodige hulp te verleenen. Aangezien vooral de huisves-
ting groote moeilijkheden baart — de richtlijnen vervat in
mijn circulaire ran 26 April 1946. La. H. no. 9856 afd. H.O.
hebben hierop betrekking — zal de hulpverleening soms g-3—
paard moeten gaan met onderbrenging in een_tehuis, in een
andere gemeente gelegen, Gelet op het gebrek aan dergelijke
inrichtingen die. vooral in deze gevallen meer het karakter
van een doorgangstehuis moeten dragen, worden door de zor—
gen van het Directoraat—Gene"aal voor bijzondere Reehtsple-
ging enkele van deze tehuizen ingericht. Indien vanwege de
burgerlijke armenzorg geen enkele mogelijkheid bestaat de
hulpbehoevenden op andere wijze onder te brengen, kan deze
bij wijze van zeer tijdelijken maatregel de ontslagenen voor
rekening (lerhurgerlijlm Armenzorg in dit Doorgangshuis doen
Aan :
de Gemeeniebestm‘en.
@ 7607-16